welkom
extra
Solidariteit

Zeventien tegenstellingen en het einde van het kapitalisme - David Harvey 1

Tegenstelling 8 - Technologie, arbeid en menselijke overbodigheid

Sjarrel Massop

Het tweede deel van het boek van David Harvey is in onze serie besprekingen aan de beurt, het omvat zeven tegenstellingen. Hij noemt ze de "moving contradictions", de tegenstellingen die het systeem van het kapitalisme in beweging brengen. Op weg naar het einde. Als dat einde daadwerkelijk in zicht komt, laten we het hopen, dan vormen deze tegenstellingen de prelude van het slottheater.

Spotprent met robotarbeiders De eerder besproken fundamentele tegenstellingen staan grotendeels op zich, wellicht zijn ze theoretischer van aard.2 Deze 'bewegingen' hebben meer het karakter van uitwerkingen en zijn illustraties van de tijd waarin we nu leven. Ze bieden dus meer ruimte voor discussie en interpretatie. Tegenstelling nummer 8, gaat over de ontwikkeling van de technologie, de consequenties voor de arbeid en het overbodig worden van de mens in het economisch proces van het kapitalisme.

Inleidend, vijf technologische geboden

Harvey neemt een forse aanloop in de beschrijving van de technologieontwikkeling. Een ontwikkeling die groteske vormen aanneemt en de laatste decennia met een grote snelheid voortraast. Dit betekent dat ook de gevolgen groot zijn. Uiteindelijk komt Harvey tot vijf technologische imperatieven, gebiedende wetmatigheden die belangrijk zijn voor het kapitalisme als economisch systeem.

1. De organisatie van samenwerking en verdeling van de arbeid zo dat ze de efficiëntie maximaliseren, alsook de winstgevendheid en de groei van het kapitaal.
2. De noodzaak om meer snelheid en versnelling mogelijk te maken in de circulatie van het kapitaal in al zijn fasen.
3. Technologie voor productie en verspreiding van kennis, voor data en voor opslag en ophalen van informatie, is cruciaal voor de handhaving van het kapitaal.
4. Technologie voor financiering en geld is essentieel voor het functioneren van het kapitaal.
5. Technologie speelt een belangrijke rol in het vraagstuk van de werkgelegenheid en de controle over de arbeid. (pp. 98 - 102)

Natuurlijk houden deze wetmatigheden met elkaar verband en vertonen ze overlappingen. Ze laten zien dat de technologieontwikkeling niet willekeurig is en ook niet waardevrij. Er is met andere woorden geen sprake van technologisch determinisme. Hun ontwikkeling wordt ingegeven door het economisch systeem in zijn streven naar alsmaar meer winst en kapitaalgroei. De vraag dringt zich op of de ontwikkeling van de technologie onbegrensd is en hoe ze uitwerkt op de samenlevingen van mensen. David Harvey formuleert daarvoor twee tegenstellingen:
a. Tussen de dynamiek van de technologie en de natuur. De technologieontwikkeling vraagt steeds meer van de natuur, zeker in de context van de kapitalistische productie die niet duurzaam is. Grondstoffen raken uitgeput, energie (fossiele brandstof) kent een eindige voorraad. De uitwerking die dit heeft op de natuur (opwarming, verlies van diversificatie) is een prijs die wel eens te hoog kan zijn. De dreiging is zelfs op korte termijn erg groot.
b. De relatie tussen technologische verandering, de toekomst van het werk en de rol van de arbeid in relatie tot het kapitaal.

Winstvoet, tendentiële daling

Spotprent het boek Das Kapital op een beg met geldHet is niet goed te begrijpen dat David Harvey, als een groot kenner van Marx, diens redenering over de technologische ontwikkeling niet correct volgt. Karl Marx heeft die in verband gebracht met de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze. Hij noemde dit de organische samenstelling van het kapitaal. Het productiekapitaal bevat twee componenten: een constant deel, zoals machines, gebouwen, grondstoffen enzovoort en een variabel deel, de levende arbeid, beter gezegd het vermogen om te arbeiden. De levende arbeid is variabel kapitaal, omdat de arbeider zijn vermogen, zijn arbeidskracht, tegen een loon verkocht heeft aan de kapitalist.
In een productieproces is er een bepaalde verhouding tussen het constante en het variabele deel. Het laatste is als enige component van het kapitaal in staat om economische waarde op te wekken. Voor de kapitalist is de koop van arbeidsvermogen echter ook een kostenpost. Hij zal dus proberen de kosten van de arbeid zo laag mogelijk en het rendement van zijn aangekochte arbeidsvermogen zo hoog mogelijk te laten zijn. Dat kan op twee manieren, een onderscheid dat Karl Marx in deel één van Het Kapitaal uiteenzet. Op een absolute manier door de arbeider langer te laten werken. Of op een relatieve manier door de arbeidsproductiviteit te verhogen door per tijdseenheid de productie te verhogen. De belangrijkste bron voor die verhoging is aan te boren door de toepassing van technologie. De voor de hand liggende consequentie is dat de verhouding tussen het constante deel van het kapitaal en het variabele deel wijzigt. Uitgedrukt in een breuk: c/v - de organische samenstelling van het kapitaal - deze stijgt.

De grote paradox is dat door de inzet van relatief minder arbeid - en arbeid is de enige bron om economische waarde toe te voegen - de winsten dalen. Dit mechanisme is controversieel en veel bediscussieerd onder de term 'falling rate of profit', de tendentieel dalende winstvoet. David Harvey refereert eraan:

"Als sociale arbeid de ultieme bron van waarde en winst is, dan heeft de vervanging door machines of arbeid door robots geen zin, economisch noch politiek. We kunnen echter duidelijk zien wat het mechanisme is dat deze tegenstelling versterkt naar een crisispunt." (p. 104)

Technologie, gevolgen voor de arbeid

De gevolgen van de toepassing van de technologie voor de arbeid zijn verstrekkend. De nog te bespreken tegenstellingen 9 (arbeidsdeling) en 10 (organisatie van de arbeid in arbeidsprocessen) gaan daar dieper op in. Harvey vindt ze wezenlijk voor de overleving van het systeem.
In dit hoofdstuk beperkt hij zich tot de economische aspecten, oftewel de kwantitatieve consequenties van de toepassing van de technologie. Er is ook nog een kwalitatieve dimensie. Hoewel deze nog aan bod komt, is het goed er even bij stil te staan, omdat ze inzicht biedt in de invloed van de technologieontwikkelingen op de arbeid. Dit is een kwestie die ook Marx aangesneden heeft in zijn manuscript "Resultate des unmittelbaren Produktionsprozesses".
De kwantitatieve consequentie betreft de alsmaar stijgende arbeidsproductiviteit, met als gevolg de stijgende organische samenstelling van het kapitaal. Mensen worden overbodig in productieprocessen. Dit heeft niet alleen gevolgen voor de winstvoet, maar ook voor de mogelijkheid voor de arbeid om zich te reproduceren. Mensen die niet werken en niet in hun eigen inkomen kunnen voorzien, hebben veel minder te besteden, of kosten de overheid veel geld. De kapitalist blijft met zijn geproduceerde goederen zitten, ze zijn onverkoopbaar. Er ontstaat overproductie. Dit kan nog even ondervangen worden door de verstrekking van consumentenkrediet, maar vroeger of later leidt dit tot economische crisis en recessie. Sociale ellende.

Vervolgens worden allerlei maatregelen getroffen om meer mensen aan het werk te krijgen. Lonen moeten omlaag om arbeid goedkoper te maken, lonen moeten omhoog om de mensen meer te laten consumeren. Mensen moeten langer werken, omdat de pensioenen te hoog worden en de vergrijzing dreigt, jongeren komen niet meer aan het werk. De ene oplossing werkt de andere tegen. En dan is daar het 'Luddite bedrog': het verlies aan werkgelegenheid door toepassingen van technologie zou door nieuwe technieken gecompenseerd worden. David Harvey zegt hierover:

"Het idee dat nieuwe technologieën extra banen zullen scheppen in een tempo dat ze het verlies aan banen door hun toepassing zullen compenseren, is pure fantasie." (p. 105)

Deze redenering is gemakkelijk met cijfers te onderbouwen. Harvey neemt nog een stap en wel naar de volgende consequentie:

"Verder, het idee dat slechts de laagst betaalde routinebanen zullen verdwijnen en niet de goed betaalde die een hoge opleiding vereisen (radiologen, artsen, hoogleraren, piloten, enzovoort) is misleidend. In de toekomst zal automatisering hard neerkomen op kenniswerkers en in het bijzonder op de hoger betaalde arbeid." (p, 105)

De toepassing van de technologie in de economie heeft ook kwalitatieve consequenties voor de arbeid. Karl Marx heeft dit onderkend en geduid. Hij maakt voor de kwantitatieve gevolgen het onderscheid tussen de absolute en relatieve (meer)waardevorming in productieprocessen. Respectievelijk de verlenging van de arbeidsdag en de verhoging van de arbeidsproductiviteit, vooral door de toepassing van de technologische ontwikkeling. Deze lijn trekt hij door in de al genoemde "Resultate", waar uiteindelijk het centrale thema de ontwikkeling is van de formele onderschikking van de arbeid aan het kapitaal naar de reële onderschikking. Het blijft niet bij de verkoop van de arbeidskracht door de arbeider: het vakmanschap wordt hem of haar afgepakt, de kwaliteit van de arbeid wordt ondermijnd - eerst mechanisch, daarna mentaal - tot er een productieproces is dat zonder arbeid kan functioneren, mensloos produceren. Het kapitaal heeft de illusie dat mensen overbodig zijn. Aan de mensen de vraag of ze het zover willen laten komen.


1David Harvey, Seventeen contradictions and the end of capitalism, 2014. London, Profile Books. (terug)
2Zie voor eerdere besprekingen:
tegenstelling 1 - gebruikswaarde en ruilwaarde - extra 272-2, 22 maart 2015;
tegenstelling 2 - sociale waarde van arbeid en geld - extra 276-2, 17 mei 2015;
tegenstelling 3 - privé eigendom en kapitalistische staat - extra 278-3, 14 juni 2015;
tegenstelling 4 - private toe-eigening en maatschappelijke welvaart - extra 284-2, 6 september 2015;
tegenstelling 5 - kapitaal en arbeid - extra 287-3, 18 oktober 2015;
tegenstelling 6 - kapitaal als proces of als ding - extra 288-2, 1 november 2015;
tegenstelling 7(a) - de eenheid van productie en realisatie - extra 290-4, 29 november 2015.
tegenstelling 7(b) - in de eenheid van productie en realisatie - - extra 295-2, 7 februari 2016.
(terug)