welkom
extra
Solidariteit

Zeventien tegenstellingen en het einde van het kapitalisme - David Harvey 1

Tegenstelling 4 - private toe-eigening en maatschappelijke welvaart

Sjarrel Massop

De kwestie die David Harvey in deze tegenstelling aansnijdt, is bijzonder actueel en daarmee complex. Het gaat over de groei van het kapitaal en de toe-eigening of de verdeling van die groei. Harvey introduceert het begrip 'groei door onteigening' (accumulation by dispossession). Dit begrip is voor hem een ontwikkelingsfase van het kapitalisme als systeem. Grondgedachte is dat kapitaal moet blijven groeien, terwijl de oorspronkelijke groei stagneert.

Zie voor de eerste drie tegenstellingen: 1) gebruikswaarde en ruilwaarde, extra 272-2, 22 maart 2015; 2) sociale waarde van arbeid en geld, extra 276-2, 17 mei 2015; 3) privé eigendom en kapitalistische staat, extra 278-3, 14 juni 2015.

Groei en verdeling

Allereerst het woord aan David Harvey, waarin hij 'groei' en 'accumulatie' als synoniemen gebruikt:

"De maatschappelijke welvaart, tot stand gekomen door sociale arbeid, verschijnt in een eindeloze variatie van gebruikswaren. Alles staat tot onze beschikking. Van vorken en messen tot ontgonnen grond, complete steden, het vliegtuig waarin we reizen, de auto waarin we rijden, het voedsel dat we eten, de huizen waarin we wonen en de kleren die we dragen. De private toe-eigening en accumulatie van deze maatschappelijke welvaart en de sociale arbeid die daarin is opgenomen, doet zich op twee manieren voor. Eén, op een illegale manier, door roof, diefstal, corruptie, sabotage, enzovoort. Twee, door groei van afzonderlijke kapitalen via legaal gesanctioneerde ruil onder de voorwaarde van niet dwangmatige handel in vrij functionerende markten." (p. 53)

Twee opmerkingen zijn hierbij van belang.

Foto David Harvey in gesprek

*De eerste opmerking is de constatering dat er twee manieren zijn om kapitaal te laten groeien.
a) De oorspronkelijke groei. Kapitaal wordt ingezet in productieprocessen, samen met de sociale of maatschappelijke arbeid. In dat proces komen producten tot stand in de vorm van gebruiks- en/of ruilwaren, de door Harvey genoemde vorken, messen enzovoort. De resultaten van het productieproces vertegenwoordigen een grotere waarde, doordat daarin de gestolde arbeid is opgenomen. Dat betekent, als de producten op de markt verkocht worden dat daarmee het oorspronkelijk ingezette kapitaal groeit.
b) De groei door de private toe-eigening van het kapitaal, de accumulatie 'by dispossession'. Dit verschijnsel is niet nieuw, het is zo oud als het systeem van het kapitalisme. De gedachte is dat op een legale of illegale manier kapitalisten zich maatschappelijke welvaart toe-eigenen. Harvey illustreert dat aan de hand van drie categorieën, namelijk: arbeid, land en geld.
- Arbeidsvermogen is in het bezit van de mensen die in staat zijn om arbeid te verrichten. In het kapitalistische systeem wordt de arbeid een handelswaar ('gecommodificeerd'), waardoor de kapitalist op de arbeidsmarkt in staat is zich het vermogen tot arbeid toe te eigenen.
- Land of natuur is oorspronkelijk ook een niet verhandelbaar verschijnsel. Maar door zich het land toe te eigenen, kan de kapitalist het kapitaal vergroten. Hij kan de vissen uit de zee vangen en ze op de markt verkopen. Hij kan het land verpachten aan de boer.
- Geld is een door de staat beheerd ruilmiddel. Het kan echter ook door de bezitter gebruikt worden om er in de vorm van kredietverstrekking meer geld van te maken door er rente over te berekenen. We betalen aan de kapitaalverstrekkers ongeveer 10 miljard euro rente per jaar op aan de overheidsschuld. Aan hypotheekrente bedraagt de schatting van de jaarlijkse rente zo'n 25 miljard euro.

*De tweede opmerking betreft het totale volume van alle bij elkaar opgetelde kapitalen. Dat groeit alleen in het geval van oorspronkelijke groei, dat wil zeggen in productieprocessen waarbij sociale arbeid ingezet wordt. Bij de accumulatie 'by dispossession' is slechts sprake van overdracht en concentratie van het kapitaal, zonder dat het totale volume groeit. Dit verschijnsel heeft Piketty ook geconstateerd en verwoord in zijn formule R > G - het rendement van de accumulatie 'by dispossession' (R) is groter dan het rendement op geïnvesteerd kapitaal in productieprocessen waardoor er oorspronkelijke groei ontstaat (G).

Kapitaal als proces

Even een tussenstap. In zijn boek "The enigma of Capital" (zie extra 234-1, 6 oktober 2013) geeft Harvey een niet al te nauwkeurige definitie van het kapitaal: "Kapitaal is niet een ding, maar een proces waarin geld permanent gestuurd wordt op zoek naar meer geld."2 Hij verbetert zich op zijn site (davidharvey.org):

"Kapitaal - Marx staat er op - is een proces van circulatie en niet een ding. Fundamenteel is geld te laten circuleren om er meer geld van te maken. Er zijn verschillende manieren om dit te doen. Financiers lenen geld in ruil voor rente, handelaren kopen goedkoop om het duurder te verkopen en renteniers kopen land, patenten en andere bronnen die ze beschikbaar stellen tegen een rente. Echter, de primaire vorm van kapitaalcirculatie is in de ogen van Marx het productiekapitaal. Dit begint met geld dat gebruikt wordt om arbeidsvermogen en productiemiddelen te kopen. Zij monden uit - samengebracht in het arbeidsproces en onder een gegeven technologische en organisatorische vorm - in een nieuwe waar die op de markt voor het oorspronkelijke geld, plus een winst, verkocht kan worden."

De essentie is dat kapitaal moet circuleren. Dat is een proces, waarbij het oorspronkelijke kapitaal op verschillende wijzen kan groeien. Het inzicht dat meer en meer ontstaat, is dat de technologische en organisatorische vorm zich op een dusdanige manier manifesteren dat de oorspronkelijke accumulatie of groei gaat stagneren. Dit heeft veel te maken met de toenemende groei van de arbeidsproductiviteit en de standaardisatie van arbeidsprocessen die daarmee gepaard gaan.

De tegenstelling

De tegenstelling die David Harvey op het oog heeft, is de functionaliteit van het kapitaal. Er is een mythe of een fetisj ontstaan vanuit het idee dat de toename van maatschappelijke welvaart gelijk opgaat met de groei van het kapitaal. Nog sterker misschien: de groei van het kapitaal is de uiteindelijke bron van de maatschappelijke welvaart. Doorgeredeneerd zou deze groei noodzakelijk zijn, zelfs als het ten koste gaat van het milieu, de natuur en de uitputting van de aardse reserves.
Deze mythe verbloem(kool)t het verschijnsel dat zich werkelijk afspeelt, namelijk dat de oorspronkelijke groei stagneert en dat er een verdelingsvraagstuk is ontstaan door de onredelijke verdeling van de maatschappelijke welvaart via de private toe-eigening van land, arbeid en geld.

Volgens Harvey reduceren we het probleem van de 'accumulatie door onteigening' tot het onvermogen om marktgedrag voldoende te reguleren. Het is echter volgens hem echt noodzakelijk in te zien dat dit probleem inherent is aan het kapitalistische systeem en dat het een fundamentele aanpak vereist. Hij zegt er dit van:

"Het feit dat deze mythes en fetisjen systematisch sommige individuen bevoordelen ten opzichte van anderen en zo het fundament leggen voor de constructie van kapitalistische klassenoverheersing is niet langer puur incidenteel: het is de fundamentele bestaansreden voor het gehele politieke en economische gebouw dat het kapitaal bouwt. De interne relatie tussen kapitalistische klassenmacht en deze mythes en fetisjen is tegenwoordig duidelijker dan in de periode van de oorspronkelijke commodificatie. We zullen ons nu moeten richten tegen monetarisering en privatisering van het arbeidsvermogen." (p. 61)


1 David Harvey, Seventeen contradictions and the end of capitalism, 2014. London, Profile Books. (terug)
2 David Harvey, The enigma of capital and the crises of capitalism, 2010. London, Profile Books. (terug)