welkom
extra
Solidariteit

Zeventien tegenstellingen en het einde van het kapitalisme - David Harvey

Tegenstelling 1 - gebruikswaarde en ruilwaarde

Sjarrel Massop

David Harvey, zie 272 extra 1, begint zijn zeventien tegenstellingen, in de lijn van Het Kapitaal van Marx, met de uitwerking van de 'waar', in het Engels: 'commodity'. De eerste dus van de zeventien die hij tracht op te lossen. Ik zal de term commodity gebruiken.

In productieprocessen worden producten gemaakt. Dit gebeurt door arbeiders arbeid te laten verrichten. Nu is dat geen spectaculaire stelling, ze treedt op in alle samenlevingen waar de productie gesocialiseerd is. Waar zit nu volgens Marx het specifieke van dit verschijnsel in de kapitalistische productieprocessen? Hij noemt dat het dubbelkarakter van de commodity.

Dubbelkarakter

Door de verrichte arbeid verandert het oorspronkelijke, maar bewerkte, voorwerp van karakter. Bijvoorbeeld: de boom gaat door de verschillende handelingen van de timmerman over in een tafel. Tegen die tafel kan op twee manieren aangekeken worden. Enerzijds heeft de tafel een gebruikswaarde gekregen. De timmerman kan de tafel in zijn eigen huis zetten en die als voorwerp gebruiken. Maar de timmerman die zeer bedreven is in het maken van tafels, kan er meerdere maken. Voor eigen gebruik heeft hij aan één tafel genoeg. De andere tafels kan hij bijvoorbeeld ruilen met de timmerman die bedreven is in het maken van stoelen. De tweede tafel heeft dus een ruilwaarde gekregen, anderzijds.

De ruil moet echter gelijkwaardig plaatsvinden. Zolang de producenten van tafels en stoelen dat onderling doen, zal er niet veel aan de hand zijn. Kenmerk van de kapitalistische productiewijze is dat de timmerman in dienst gekomen is van een firma die feitelijk niets anders doet dan de geproduceerde tafels op de markt te brengen. Dat doet de kapitalist echter zo dat de ruil op de markt meer oplevert dan dat de timmerman met de productie van de tafel aan arbeidswaarde besteed heeft. Die meeropbrengst zit slechts in de ruilwaarde van het product en niet in de gebruikswaarde. Voor het kapitalistische systeem is de productie van gebruikswaarden dus niet interessant, het gaat bovenal om de productie van ruilwaarden.

Arbeidsproductiviteit

Harvey geeft in zijn eerste tegenstelling het voorbeeld van de huizenproductie. Deze is van origine een proces van gebruikswaarden. Dit kwam tot uiting in de organisatie van de huisvesting door de overheid, zonder winstoogmerk. Er was uiteraard wel private huizenbouw voor meer exclusiviteit, maar de nieuwe eigenaren hadden niet de intentie hun huis te verhandelen, wel om het te gebruiken.
Het bouwen van huizen is echter één van de gesocialiseerde maatschappelijke activiteiten die op grote schaal, wereldwijd, onttrokken wordt aan de publieke sector en geprivatiseerd is. Dat betekent dat om het economisch aantrekkelijk te maken een meeropbrengst in de huizenproductie gerealiseerd moet worden. Dat kan op twee manieren, via de arbeidsproductiviteit en via de kredietverstrekking.
De eerste door de lagere kostprijs van de productie ten opzichte van de opbrengst. Dat betekent dus dat de arbeidsproductiviteit van de huizenbouw voor de aannemer/kapitalist aantrekkelijk is. Dit is de kern van de kapitalistische productiewijze. De winst wordt hoger als de verzamelde arbeiders die huizen kunnen bouwen meer huizen maken in de beschikbare arbeidstijd. Dit is door Karl Marx de oorspronkelijke accumulatie of groei van het kapitaal genoemd. Een bekend verschijnsel om deze hogere arbeidsproductiviteit voor elkaar te krijgen, is de toepassing van technologie. Een voorbeeld is te vinden in de geprefabriceerde onderdelen van het te bouwen huis.

Samengevat is de essentie van de kapitalistische productiewijze het niet aflatende streven naar verhoging van de arbeidsproductiviteit. Eerder, commentaar 255 (27 juli 2014), ben ik ingegaan op dit schromelijk, bij de bestudering van het kapitalisme, onderschatte verschijnsel en de crises die daarmee gepaard gaan. Het kapitalistisch productiesysteem houdt in: productie van ruilwaarden, waarbij de betekenis duidelijk wordt van de economisch productieve arbeid - zorgt voor meerwaarde in het productieproces - ten opzichte van de onproductieve arbeid.

Kredietverstrekking

Het tweede verschijnsel dat het vanuit het perspectief van het kapitaal aantrekkelijk maakt om het bouwen van huizen aan de publieke sector te onttrekken, is de financiering door kredietverstrekking. Hierdoor ontstaat wat Harvey noemt "Accumulation by dispossession", oftewel groei door onteigening.
Dit functioneert als volgt. Bij de aankoop van een huis heeft de aspirant-koper onvoldoende middelen om aan de kosten te kunnen voldoen. Hij of zij moet derhalve de aankoop financieren en vraagt om een hypotheek bij de bank en betaalt daarvoor bijvoorbeeld 5 procent rente over dertig jaar. Kostte het huis 100.000 euro, dan zal de aankoper uiteindelijk 195.000 euro betalen. Voor de koper/bezitter een bijzonder onaantrekkelijke, voor de bank een bijzonder aantrekkelijke transactie.

David Harvey besteedt veel aandacht aan deze 'groei door onteigening'. Een fenomeen dat de grote economische crisis van 2008 verklaart en de grondslag vormt voor de stijgende ongelijke verdeling van de welvaart die Piketty vaststelde. Het systeem van kapitalistische productie wordt echter in zijn (voort)bestaan fundamenteel bedreigd door deze oorspronkelijke accumulatie en de alsmaar stijgende arbeidsproductiviteit.

Commodificatie

Eén van de consequenties van de stijgende arbeidsproductiviteit, met de voortgaande technologisering in een belangrijke rol, was de sterke daling van de werkgelegenheid in de landbouw, de dienstverlening en vooral de industrie. Dat heeft ook de lonen onder druk gezet, waardoor de bestedingsruimte van veel mensen aanzienlijk verkleind is. Dat leidt tot het ontstaan van een situatie van overproductie, waardoor crisisverschijnselen sterk toenemen. De vraag die zich opdringt, is of het kapitalistische systeem dit nog door de traditionele economische groei kan oplossen.
Een mogelijke uitweg die het kapitaal zoekt, is het betrekken van de overheid in de economische sectoren die deelnemen aan het systeem van de zogenaamde oorspronkelijke accumulatie - de reproductie van de arbeid, de gezondheidszorg, het onderwijs. In burgerlijke termen heet dit 'meer marktwerking in de zorg'; vooral aantrekkelijk, omdat deze sectoren enorm arbeidsintensief zijn. Daarvoor is in eerste instantie nodig dat de producten en diensten die ontstaan in de productieprocessen van deze sectoren, omgezet worden van gebruikswaarden naar ruilwaarden. Dat is een proces dat volop aan de gang is: commodificatie.

Als dat proces zich in een bepaald stadium heeft ontwikkeld, dan kunnen de in deze sectoren gebruikelijke instrumenten verwacht worden. Zoals een verdere arbeidsdeling, flexibilisering van de arbeid, introductie van nieuwe technologie en automatisering en vooral de verhoging van de arbeidsproductiviteit. Ook deze ontwikkelingen voltrekken zich al, een voorbeeld is de invoering van zelfsturende teams, of liever resultaatverantwoordelijke eenheden in onderwijs en zorg.

Precarisering

Voor de verhoging van de arbeidsproductiviteit zijn er wel speciale problemen. De wet van Baumol (Amerikaanse econoom, in 1922 geboren) zegt dat die stijging uitermate moeilijk is vanwege het type product of dienst. Immers, in de zorg wordt nog steeds uitgegaan van een sterke verwevenheid van dienst en arbeidsproces en de noodzakelijke verbinding van de afzonderlijke handelingen. Maar kijken we goed naar het proces van commodificering, dan zien we dat inmiddels die bezwaren veelal overwonnen zijn.

Mijn opvatting is dat de crisis die sinds 2008 woedt, zich zeker niet meer laat 'oplossen' door de invoering van het gebruikelijke instrumentarium van groei, investeringen, maakindustrie, enzovoort. Met de verdere precarisering en de toenemende groei van de ongelijkheid, in combinatie met het betrekken van sectoren in het kapitalistische systeem, worden de problemen alleen maar groter. De gevolgen treffen het proletariaat en het groeiende precariaat op wereldschaal.

Harvey pleit in ieder geval voor een politiek, waarin primaire gebruikswaarden (huisvesting, voedsel, zorg, educatie) zo spoedig mogelijk onttrokken worden aan het op winstmaximalisatie gebaseerde marktsysteem. Met andere woorden dat die niet omgezet worden in ruilwaarden. Het zou een belangrijk standpunt kunnen zijn voor linkse politieke partijen en voor de vakbonden.