welkom
extra
Solidariteit

Serie ''Alles over de oudedagsvoorziening'' - deel 9

Het nieuwe pensioenakkoord

Sjarrel Massop

De polder - overheid, werkgevers en vakbonden, verenigd in de Sociaal-Economische Raad - is, ondersteund door de media, opgetogen over het nieuwe pensioenakkoord. Na jarenlang gesteggel is het er uiteindelijk. Het ging wel in twee etappes. Eerst het principeakkoord in 2019. Vervolgens is, vanwege de vele losse eindjes, verder onderhandeld over de uitwerking en dat leidde in juli 2020 wederom tot behoorlijk wat commotie.

De pensioendiscussie is door de vakbeweging aanvankelijk op een goede manier opgepakt. Toen de vakbonden dichter bij een akkoord kwamen, bleken er echter in vergelijking met de oorspronkelijke eisen veel concessies te zijn gedaan. Die eisen waren: * bevriezing van de AOW-leeftijd op 66 jaar, * indexatie voor elke generatie, * toegang tot het pensioenstelsel voor alle werkenden, inclusief zzp'ers en flexibele werknemers, * geen verslechteringen ten opzichte van het huidige pensioenstelsel.

Pensioenakkoord 2019

Waarom moest er een nieuw akkoord komen?
Het initiatief kwam voornamelijk van de overheid. De reden voor vernieuwing was tweeledig. Ten eerste: de vergrijzing en ontgroening, inclusief de langere levensverwachting; dat zou ertoe leiden dat de pensioenen onbetaalbaar werden. Ten tweede: de veranderingen op de arbeidsmarkt. Het oude idee achter het (aanvullende) pensioen was dat deelnemers veertig jaar bij dezelfde werkgever bleven en dan met pensioen gingen. Die situatie is inderdaad achterhaald, zij het met een kanttekening. Door wisseling van werkgever en pensioenfonds kunnen deelnemers een 'waardeoverdracht' regelen. Dat betekent dat de betrokkenen de opgebouwde rechten mee kunnen nemen naar een nieuw pensioenfonds. De ervaring leert echter dat niet veel mensen hiervan op de hoogte zijn.

Picket met muziek tussen de kantoorgebouwen
dieleven.nl (http://www.dieleven.nl/2015/11/18/te-veel-losse-eindjes/)

De vraag is of met het nieuwe pensioenakkoord de problemen zijn of worden opgelost. Plus, uiteraard, de vraag of de eisen van de vakbond zijn gerealiseerd. Op beide vragen luidt het antwoord: nee.

  • De AOW leeftijd gaat in het nieuwe akkoord vertraagd omhoog, tot in 2024/25 het 67ste jaar is bereikt, doorlopend tot 2026.
  • De mogelijkheid voor een vervroegd pensioen blijft tot drie jaar voor de pensioengerechtigde leeftijd. De voorwaarden daartoe zijn echter stevig verslechterd.
  • De opbouw van de pensioenen zal anders verlopen, de doorsnee systematiek wordt afgeschaft. Pensioenfondsen kijken meer naar individuele deelnemers, hooguit in een systeem van cohorten oftewel leeftijdsgroepen.
  • De werkgevers gaan een vaste premie betalen en hebben geen verplichting meer bij te storten, wanneer de pensioendoelen niet gehaald worden. In het akkoord staat een wet 'verbeterde premieregeling'. Deze houdt ten eerste in dat de vaste premie voor de werkgever geregeld wordt zoals dat in de CAO's afgesproken is (de premieverdeling blijft dus een arbeidsvoorwaarde). Ten tweede vindt de pensioenopbouw plaats aan de hand van de premies en is niet meer gebaseerd op afgesproken uitkeringen. Er blijft wel een collectieve risicodeling: de fondsen kunnen met de rendementen uit hun collectieve beleggingen de geïndividualiseerde pensioenopbouw aanvullen
    Hier is een scherpe oplettendheid geboden. Het is volstrekt onduidelijk hoe het toezicht op de solidariteitsreserve, de rendementen van de beleggingen verdeeld worden over de deelnemers. In het akkoord is daarover nog niets vastgelegd. Alleen dat de herziening van het stelsel betaald moet worden uit de reserves van de pensioenfondsen.
  • Tenslotte, er is geen verplichte pensioenregeling gekomen voor de geflexibiliseerde werknemers, wel een verplichte verzekering voor arbeidsongeschiktheid.
De vakbond presenteerde dit als een groot en goed resultaat. Ten opzichte van de eisen is dit onzin, maar gezien de moeizame onderhandelingspositie valt het mee.

Uitwerkingen akkoord juli 2020

Er lag dus een principe akkoord met veel losse eindjes. Dat kwam vooral, omdat de essentie van de herziening onvoldoende uitgewerkt is. Er was overeenstemming over de afschaffing van de doorsnee systematiek, maar dat was slechts een opmaat. Daarnaast was er in het akkoord helemaal niets geregeld over de indexatie van de pensioenen.
De kern van de wijziging is de verandering van het pensioenstelsel van een uitkerings- naar een premiestelsel. Bij een uitkeringsstelsel wordt door de betaling van premies een gegarandeerd trekkingsrecht opgebouwd, bijvoorbeeld 70 procent van het laatst verdiende loon. Het is dus niet gezegd dat de premies en/of rendementen voor zo'n toezegging toereikend zijn. Bij een premiestelsel wordt de uiteindelijke pensioenuitkering bepaald door de ingelegde of betaalde premie, eventueel aangevuld met een rendement dat de pensioenfondsen behalen uit de collectieve beleggingen.

Foto demonstratie FNV

Het beslissende argument voor de stelselherziening was dat de toegezegde uitkeringen, vooral door de stijging van de levensverwachting, niet meer waargemaakt konden worden Dit argument werd onderbouwd door de inmiddels beruchte dekkingsgraad. Deze geeft de verhouding weer tussen enerzijds het vermogen waarover de pensioenfondsen beschikken en anderzijds hun toekomstige verplichtingen.
In een premiestelsel verdwijnen die verplichtingen. Het pensioen wordt immers bepaald aan de hand van de afgedragen premies. Zo vormt zich een opgebouwd vermogen dat door het uit te spreiden over het aantal jaren dat iemand na de pensionering leeft, de jaarlijkse uitkering bevat. Bij korter leven: pech, bij langer leven: geluk. Zoals gezegd, komen daar de rendementen van de pensioenfondsen bij.

Geen indexatie

Tegenstanders bestreden dat de beloofde uitkeringen onhaalbaar zouden zijn. Hun kritiek richtte zich met name op de methodiek van de berekening van de dekkingsgraad, de rekenrente. Deze berekening van de verplichtingen heet in pensioentermen: het financiële toetsingskader. Dit FTK heeft twee instrumenten:
1) De rente. Verondersteld wordt dat de rente de te verwachte hoogte van de verplichtingen bepaalt. Niet via een objectieve maatstaf, maar door de overheid. Is die rekenrente hoog, dan dalen de verplichtingen en stijgt de dekkingsgraad.
2) De levensverwachting. Hoe hoger de levensverwachting, hoe meer vermogen er moet zijn om aan de verplichtingen te kunnen voldoen.

In het oude stelsel is de dekkingsgraad belangrijk, omdat de pensioenfondsen zo aan hun toekomstige verplichtingen kunnen voldoen die bovendien geïndexeerd zouden kunnen worden. De praktijk is echter anders, er dreigen telkens kortingen of premieverhogingen. Inmiddels is dat al ruim twaalf jaar aan de gang en heeft er dus geen indexatie plaatsgevonden. Omdat in het nieuwe stelsel de uitkeringen berekend worden op de ingelegde premie, vervalt het systeem van de dekkingsgraden en is er geen sprake meer van kortingen.

Een super vermogen

Poster Loesje: de touwtjes in handen nemen - de eindjes aan elkaar knopen - en de knopen doorhakken De praktijk leerde de tegenstanders dat zowel het pensioenakkoord als de uitwerking faalde. Namelijk het gezamenlijke vermogen van de pensioenfondsen bleef stijgen, niet een klein beetje, maar drastisch. Een groei in vijftien jaar van 675 miljard naar 1.700 miljard euro. Bijna een verdrievoudiging, ondanks een financiële en economische crisis. Zelfs in deze corona tijd blijven de vermogens van de fondsen stijgen.
Dat staat, zeggen de criticasters, in geen enkele verhouding tot de verplichtingen van de pensioenfondsen. Een benadering die binnen de vakbeweging veel aan sympathie won en de weerstand tegen het akkoord en de uitwerkingen deed toenemen. Waarom kunnen de pensioenen niet geïndexeerd worden bij zo'n ontzettend vermogen?

De leiding van de FNV accepteert echter geen verdere, interne discussie meer. Kritische geluiden mogen niet meer uitgedragen worden, omdat de meerderheid van de leden akkoord is gegaan met het akkoord van 2019 en de uitwerkingen van 2020. Heel wat kritische leden van de afgelopen jaren zijn ontevreden afgehaakt. Maar het debat is nog niet voorbij. Niet zo zeer over de stelselherziening, maar over de overgang van het ene naar het andere stelsel: het invaren. Daarover in het volgende deel van deze serie.

S symbool