welkom
extra
Solidariteit

Serie "Alles over de oudedagsvoorziening" - deel 8

Meer begrippen in de pensioenwereld

Sjarrel Massop

Om de veranderingen in de pensioenwereld te begrijpen, verdienen een paar veel gebruikte begrippen onze aandacht. Vooral, omdat het pensioenakkoord van 2019 en de uitwerkingen daarna verstrekkende gevolgen hebben. De suggestie dat het om bijkomende 'open eindjes' zou gaan, is verraderlijk. Het overgangsproces van een uitkerings- naar een premiestelsel – 'invaren' geheten – kent namelijk verschillende keuzemogelijkheden.

Het professionele jargon maakt de pensioendiscussie moeilijk toegankelijk, terwijl het om een wezenlijke arbeidsvoorwaarde gaat die ons allen raakt. Geen kwestie om aan de regering en sociale partners uit te besteden. Het is namelijk niet vanzelfsprekend dat deze professionals onze belangen voorop stellen, hoeveel woorden ze er ook aan wijden. Hier in deze serie over 0nze oudedagsvoorziening een poging tot verheldering en een oproep aan de discussie deel te nemen.

Foto Elzinga: Pensioenakkoord, wat is er afgesproken?

Doorsnee systematiek

Om te beginnen de 'doorsnee systematiek' of 'doorsnee premie', een belangrijk onderdeel van het pensioen dat in het akkoord is afgeschaft. Daarin betaalde elke deelnemer dezelfde premie aan een pensioenregeling en kreeg hiervoor dezelfde pensioenopbouw. Die opbouw was niet de som van de betaalde premies, maar een percentage van de beoogde pensioenuitkering die twee typen regelingen kende: gebaseerd op een 'eindloon' (laatst verdiend) of op een 'middelloon' (gemiddeld over arbeidsleven).
Ter illustratie, een pensioenfonds dat een uitkering garandeert van 70 procent van het eindloon. De opbouw daarvan komt niet uit de som van de betaalde premie (meestal niet toereikend voor de toegezegde uitkering), maar uit een gezamenlijke pot van waar het pensioen wordt uitgekeerd. Deze methodiek stuitte nooit op problemen. omdat de pensioenfondsen uit beleggingen voldoende rendementen haalden om de toezeggingen te kunnen nakomen.

Bij de nieuwe premieregeling is er sprake van een individuele opbouw die gelijk is aan de betaalde premie. Daarmee verdwijnt de solidariteit tussen de generaties. Zeker in de situatie van 'invaren' is dat het geval. Jongeren bouwen hun eigen pensioen op, ouderen blijven in de 'oude' regeling. De tussengroep, vanaf ongeveer 45 jaar, heeft minder gelegenheid met hun premies de beoogde uitkering op te bouwen en zal via een regeling gecompenseerd moeten worden.

Dekkingsgraad

De tweede toelichting betreft de dekkingsgraad. Een cijfer dat berekend wordt door het vermogen van het pensioenfonds te delen door de verplichtingen aan uitkeringen. Wanneer het vermogen gelijk is aan de verplichtingen, is de dekkingsgraad 1, oftewel 100 procent. Voor de berekening ontwikkelde de overheid in de pensioenwet een instrument: het financiële toetsingskader.
Is de opbouw van het pensioen gelijk aan de ingebrachte premie, dan verdwijnt de dekkingsgraad. De uitkering loopt immers gelijk op met het opgebouwde vermogen. In de overgangssituatie van het ene naar het andere systeem, blijven zowel de dekkingsgraad als het financiële toetsingskader nog bestaan.

De dekkingsgraad is een struikelblok voor de indexatie van de pensioenen. Bij de eindloonregeling verliep de indexatie als het ware automatisch, omdat de pensioenopbouw 70 procent van het eindloon garandeerde bij een al of niet geïndexeerd eindloon. Met een middelloon regeling ligt het wat gecompliceerder. De pensioenopbouw gaat in stappen. Het individueel opgebouwde vermogen verliest aan waarde door de inflatie. In het nieuwe stelsel, waarin de opbouw geheel individueel verloopt, is de waardevermindering moeilijk te compenseren. Maar daar is een oplossing voor bedacht: de solidariteitsreserve.

Solidariteitsreserve

Door het tijdsverschil tussen premiebetaling en pensioenuitkering ontstaat vermogen. Dat geldt zowel voor de oude als de nieuwe situatie. In de laatste is het zelfs nog duidelijker, omdat geen overdracht tussen generaties plaatsvindt. Het eigen pensioen wordt opgebouwd door premie te betalen, de som daarvan vormt het pensioen. De opgepotte premies worden belegd, zowel in de oude als de nieuwe situatie. In de oude situatie was er al een verschil tussen premiebetaling en uitkeringsrechten, het opgebouwde pensioenvermogen herstelde dat verschil.
Het vermogen dat door beleggingen gevormd wordt, is de genoemde solidariteitsreserve. Die reserve moet een bestemming krijgen met als doel in de toekomst zo dicht mogelijk te komen bij een waardevast pensioen. Een geïndexeerd pensioen dus. De methode die daarvoor gebruikt wordt, heet het projectierendement dat evenals de indexatie behoort tot de uitwerking van het pensioenakkoord waarover nog besloten wordt. De verhouding tussen de solidariteitsreserve (vermogen) en het projectierendement (gewenste verplichtingen) zou een nieuwe dekkingsgraad genoemd kunnen worden.

Een andere kwestie is de wijze van beleggen – collectief in een pensioenfonds of individueel. In het laatste geval wordt voor iedere deelnemer afzonderlijk belegd, waarbij eigen voorkeuren mogelijk zijn. Er is inmiddels overeenstemming bereikt, mede door de druk van de vakbonden: collectief beleggen zal uitgewerkt worden.

Type uitkering

Vooruitlopend op de stelselherziening vraagt de wijziging van het te verwachten type uitkering onze aandacht. In het bijzonder de al aangegeven overgang van een uitkerings- naar een premiestelsel. Resulterend in de individualisering van de pensioenen. Wat de gepensioneerde uiteindelijk ontvangt, is niet meer een gegarandeerde uitkering, maar de al betaalde premie plus een verhoging met het rendement uit het belegde, collectieve vermogen. Dit 'invaren' staat centraal in de huidige pensioendiscussie. Maar hoe zal de verdeling zijn van het door de deelnemers opgebouwde vermogen over de verschillende generaties?

Nog een tweetal bijkomende problemen. Wat te doen met het resterend opgebouwde kapitaal, wanneer een deelnemer 'vroegtijdig' overlijdt. Of wanneer de betaalde premies, inclusief het toegewezen rendement, geheel gebruikt zijn tijdens het leven van een deelnemer.

Grote onzekerheid

Verkeersbord gevaar! De Europese Unie heeft een regeling opgesteld voor een uitkerings- en een premiestelsel. Het is daarbij het één of het andere. De eerste wordt gezien als een pensioenregeling voor de fondsen. De tweede als een verzekeringsstelsel dat in principe niet onder een pensioenvoorziening valt. Hetgeen betekent dat de markt vrij toegang moet hebben.

Anders gezegd: er is volgens de Europese Unie geen reden om commerciële bedrijven in zo’n systeem de toegang te ontzeggen. Als reactie daarop is in het pensioenakkoord het collectieve premiestelsel geïntroduceerd. Het is de vraag of de Europese Unie deze constructie zal accepteren en daarmee een grote onzekerheid oproept over de uitwerking van het akkoord.

S symbool