Onderweg naar een strijdbare vakbeweging
FNV - een strijdperspectief is nodig
Sjarrel Massop (1)
De grootste vakbond van Nederland staat voor een nieuw begin. De crisis van de laatste anderhalf jaar in de FNV richtte zich, na wat heen en weer gerommel, op het vernieuwen van de bestuursstructuur. In vaktermen 'de governance' genoemd. De organisatiekunde hanteert de gedachte dat een nieuwe structuur moet rusten op een nieuwe strategie, niet omgekeerd. De aanpak door de vakbeweging - er is al een nieuwe structuur, nu wordt gewerkt aan een nieuwe strategie - zal niet tot succes leiden. Hier een tussenstap: de keuze voor een strijdperspectief beoogt een tussenoplossing.
In 2018 heeft het wetenschappelijk bureau van de FNV een brochure gepubliceerd met de titel Positie en strategie van de vakbeweging. In de brochure stonden een belangrijke conclusie en aanbeveling van Merijn Oudenampsen. Kort samengevat: het neoliberalisme heeft een grote invloed gehad op vooral de vakbeweging - ga onderzoek doen en pas daarop de strategie aan. De FNV heeft met die aanbeveling niets gedaan.
Het pleidooi van deze bijdrage voor een strijdbaar vakbondsperspectief is een poging om alsnog de aanbeveling op te pakken. Zij het dat een nieuwe strategie op dit moment te hoog gegrepen is. De genoemde brochure begon terecht met het bepalen van de actuele positie van de vakbeweging. Webzine Solidariteit heeft een eerste voorzet gegeven. De positie in het Nederlandse sociaaleconomische krachtenveld is verkend. Ze wordt uiteraard beïnvloed door andere 'spelers', zoals het bedrijfsleven (de private sector) en de overheid (de publieke sector).
Hier een poging op basis van de positie - privaat en publiek - het begin van een antwoord te geven op de vraag welk perspectief kan voor de FNV ontwikkeld worden. Maar eerst een korte terugblik.

Positie, privaat en publiek
De uitwerking van de positie van de vakbeweging, in relatie tot het private en publieke deel van de sociaaleconomische verhoudingen, is niet eenvoudig. De maatschappelijke verhoudingen staan niet stil en zijn continue aan veranderingen onderhevig, ze ontwikkelen zich. De belangrijkste politiek–economische factor die de laatste vijftig jaar bepaalde, is het neoliberalisme.
In de voetnoot (1) wordt verwezen naar de literatuurlijst. Onderstaande 'linken': positie, privaat en publiek, staan ook in die lijst. Ze kunnen ook ingezien worden door die 'linken'.
Eerst het vraagstuk de Positie:
* Merijn Oudenampsen licht dat toe in de brochure Positie en strategie van de vakbeweging: Sommigen hebben het neoliberalisme exclusief gedefinieerd aan de hand van vijandelijkheid ten opzichte van vakbonden en het sociaal overleg. Dan is er in Nederland geen sprake van neoliberalisme. Maar historisch gezien is dat een weinig overtuigende positie, aangezien er sub- stromingen zijn binnen het neoliberalisme die goed samen blijken te kunnen gaan met vakbonden en corporatisme.
Gezien het technocratische karakter van de neoliberale wende in Nederland, is het belangrijk voor de vakbonden om veel scherper de ontwikkelingen op het gebied van ideeënvorming rond economisch beleid in de gaten te houden.
De Nederlandse vakbeweging is argeloos meegegaan met het neoliberalisme en heeft vanaf 1982, het akkoord van Wassenaar, niet in de gaten gehad hoe ernstig haar eigen positie is ondermijnd.
Dan de Privaat factor:
* Mirjam de Rijk bespreekt in haar boek Gekaapt door het kapitaal de private factor: Het kapitaal rukt op in de zorg, het onderwijs, de volkshuisvesting. Huisartspraktijken, kinderopvangcentra, educatieve uitgeverijen, ouderenzorg: ze worden massaal opgekocht door ´private equity' en andere grote kapitaalkrachtige partijen. Hetzelfde geldt voor tandartspraktijken, dierenklinieken en arbodiensten. Als gebruiker heb je er vaak geen weet van, want ze behouden hun oude naam, maar ondertussen telt voor de eigenaren maar één ding: rendement.
* Mariana Mazzucato vervolgt de bespreking (ook over de private sector) in haar boek over Hoe consultants bedrijven verzwakken, overheden uithollen en economieën schaden.
Vervolgens de Publiek factor:
* Michelle van Tongerloo stelt in haar boek, Komt een land bij de dokter: De zorg is niet meer toegankelijk voor veel mensen, vooral als ze aan de onderkant van de samenleving bivakkeren.
* In een eerdere bijdrage (e564-5) ga ik verder met:
De overheid, landelijk provinciaal en lokaal, is niet in staat haar primaire taak, de publieke zaak, vorm en inhoud te geven. Het maatschappelijke middenveld (civil society), het geheel van particuliere, non-profit organisaties die bemiddelen tussen burgers en overheid, de vakbeweging voorop, blinkt uit door op het verkeerde paard, de overheid, te wedden. De overheid wordt grotendeels gedomineerd door het bedrijfsleven, het private onderdeel van onze samenleving.
Voor een perspectief van de vakbeweging zijn deze drie factoren - positie, privaat, publiek - van cruciaal belang. De vakbeweging zal haar positie moeten begrijpen en aanpassen aan de hand van de ontwikkelingen van de bedrijven (privaat) en de overheid (publiek). Aanvullend daarop zijn de ontwikkelingen van de verhoudingen tussen bedrijfsleven en overheid permanent in beweging. Dat betekent ook dat de vakbeweging in haar strategie en organisatiestructuur flexibel moet zijn om op de veranderingen te kunnen anticiperen. Een perspectief kan daarin een grote rol spelen.
Perspectief
Hoe kan de vakbeweging haar positie bepalen in de ontwikkeling van de verhoudingen om haar positie te versterken ten opzichte van het bedrijfsleven en de overheid?
In één van de laatste papieren nummers (118 van 2004), gaf Solidariteit aandacht aan een methode om de positie van de vakbeweging te versterken. De titel van het artikel: ‘Dreigende marginalisering’, ging over: Syndicalisme of revolutionair syndicalisme, dat is een politieke en economische ideologie die streeft naar een samenleving waarin alle productie en distributie in en door vakbonden wordt georganiseerd. De ethische basis van het idee is dat alle deelnemers in iedere georganiseerde beroepsrichting onderling de productie besturen.
De doelstellingen van een perspectief: vakbondswerk aan de basis, activerend en democratiserend, komen meer tot hun recht met zo’n syndicalistische benadering. Voor een actueel perspectief zijn er echter twee bezwaren:
- Er is geen groep of organisatie die intern goed samenwerkt om de gedachte van het syndicalisme uit te dragen en uit te voeren. Syndicalisme vraagt namelijk een structuur van onderop, alle organen van de vakbond moeten georganiseerd worden in het dagelijkse vakbondswerk. Dat is echter in de actuele situatie niet het geval.
- De nieuwe structuur van de FNV heeft gebroken met het project 'sectoralisatie', dus met verantwoordelijkheden laag in de organisatie. Maar in de nieuwe congresresolutie De kracht van de beweging, komt het idee van sectoralisatie weer in beeld.
Het nieuwe bestuur heeft echter het karakter van een meritocratie.
Het is een bestuursvorm binnen een organisatie, dat een politieke elite impliceert, die aan de macht is op basis van de som van individuele verdiensten. Deze verdiensten worden veelal ontleed in indicatoren als capaciteiten, politieke ervaring en diploma's.
De huidige FNV heeft een verkeerde structuur om ook maar te kunnen te denken aan een vorm van syndicalisme. Ze is in een vergevorderd stadium van marginalisering geraakt.
Participatieve en interactieve processen
Een tussenstap om te komen tot een perspectief voor de vakbeweging is te herleiden uit de analyse die Richard Hyman ruim 25 jaar geleden ontwikkelde. Terug te lezen in een boek van Solidariteit volgt hier zijn slotconclusie: Om belangen te kunnen bepalen en herdefiniëren op een manier die het aanvullende benadrukt en nieuwe 'solidariteiten' aanmoedigt, moet de bureaucratische en hiërarchische politiek die zo kenmerkend is voor de traditionele vakbeweging, plaatsmaken voor participatieve en interactieve processen. Willen de vakbonden overleven, dan moet het principe van solidariteit opnieuw gedefinieerd en uitgevonden worden. En werknemers op de werkvloer moeten aan dat proces actief deelnemen. Anders is het zeer de vraag of de vakbeweging toekomst heeft.
Deze conclusie is geen strategie, maar een perspectief voor een andere positie van de vakbeweging. De stelling herbergt kritiek. Hyman sprak al eerder over de onhoudbaarheid van een bureaucratische en hiërarchische politiek van de traditionele vakbeweging. Het recente, interne conflict binnen de FNV leidde tot een breuk met die traditie, sterker nog: het bevestigde en versterkte een traditionele vakbeweging en is om die reden onhoudbaar.
De oude en nieuwe vakbondsleiding onderkennen onvoldoende de ontwikkelingen rond de privatisering en de afbraak van de verzorgingsstaat (publieke zaak). Het nieuwe vakbondsbestuur ziet het overleg als een zeer belangrijke uitweg. De verhoudingen tussen privaat en publiek, de tomeloze marktwerking bieden aan die weg geen perspectief. Hyman biedt een handreiking voor het toewerken naar een nieuw kritisch perspectief en ziet drie elementen in een driehoeksverhouding:
- de strategische capaciteit van vakbondswerk op de arbeidsplaats, het vermogen om een pro actieve agenda op te stellen in plaats van uitsluitend te reageren op de agenda van het management (plus de agenda van de overheid);
- het interne democratische leven (interne solidariteit) waarmee leden zich kunnen vereenzelvigen of in het huidige jargon: zorgen dat ze zich 'eigenaar' voelen van het beleid dat namens hen wordt gevoerd. Een beetje meer syndicalisme mag wel. Leden moeten deel uitmaken van de beleidsvorming. Niet eens in de vier jaar tijdens een congres, maar permanent.
- externe solidariteit, de mate waarin bredere nationale (en internationale) organisatorische bronnen en algemene belangen de lokale prioriteiten kunnen vormen en weerstand kunnen bieden aan de concurrentie die de standaard onderuithaalt.
Een belangrijke aanvulling hierop is dat de vakbeweging interne en externe samenwerking zoekt met mensen en organisaties die zich bezig houden met een brede aanpak van de belangen. Dit betreft de positie van vrouwen, (arbeids)migranten, ouderen, enzovoort. En tevens alle belangen die de overheid uitbesteed heeft aan private bedrijven die de oude verzorgingsstaat betreffen. Zij moeten op initiatief van de vakbeweging opnieuw gesocialiseerd worden zolang de overheid niet in staat is deze te behartigen.
Conclusie
Merijn Oudenampsen had acht jaar geleden gelijk. De vakbeweging heeft de middelen, de mensen en de mogelijkheden om te democratiseren en een perspectief te ontwikkelen naar een sterkere positie in het sociale, politieke economische krachtenveld.
Aanzetten daartoe zijn twee jaar geleden in de kiem gesmoord. Er is een nieuwe structuur gekomen die onvoldoende inzicht en ervaring biedt om de neergaande vakbeweging nieuwe perspectieven te bieden.
De mensen willen wel. Al was het alleen maar, omdat ze in de praktijk zien en ervaren dat door vele jaren neoliberalisme de positie van de arbeidersklasse en het precariaat ernstig verzwakt is.
Nieuwe kritische en strijdbare perspectieven zijn nodig: de emancipatie van de arbeidersklasse en het precariaat is primair het werk van mensen zelf.

(1) De brochure Positie en strategie van de vakbeweging vormde de aanleiding voor een analyse van en discussie over de vakbeweging. Ze beginnen met 'de positie' en via de tussenstappen 'privaat en publiek' en monden uit in gedachten over een 'perspectief'. Zo'n perspectief kan vervolgens de aanleiding zijn voor een nieuwe strategie.
Op de site van Solidariteit is in het dossier FNV, van de leden, een uitgebreide Literatuurlijst samengesteld.