Strijdcultuur
Gerd Arntz (1900 - 1988)
Sjarrel Massop (1)
Solidariteit gaat over kritiek en perspectief en verandering van, voor en door mensen. Daar worden veel woorden aan gewijd. Er horen echter ook beelden bij die soms meer kunnen uitdrukken dan woorden. Die gedachte is te vangen in het begrip 'strijdcultuur'. Deze bijdrage geeft daar een mooi voorbeeld van: het verhaal en de beelden van Gerd Arntz.

Strijdcultuur
Jeugd
Arntz groeide in het Duitse Rijnland op in het fabrikantenmilieu van Remscheid dat in de negentiende en twintigste eeuw een centrum van de Duitse werktuigmachinebouw was. Zijn vader was eigenaar van een machinefabriek en zijn moeder stamde uit een handelsfamilie in werktuigmachines.
Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog werd hij opgeroepen voor de militaire dienst en ingedeeld bij de veldartillerie in Wesel. Hij raakte niet bij gevechtshandelingen betrokken en 'deserteerde' toen revolutionairen, linkse Spartakisten eind 1918 de macht in de kazerne overnamen. Met twee kameraden begaf hij zich huiswaarts.
Eigen weg
Arbeidsconflicten, ook in het bedrijf van zijn vader, de wereldoorlog, de revolutie van 1919 en de rechtse Kapp-Putsch uit 1920 bepaalden de politieke keuzen van die tijd. Met de vaderlijke zegen en een financiële toelage vestigde Arntz zich in Düsseldorf, waar hij begin jaren twintig een opleiding tot tekenleraar volgde aan de Kunstacademie Düsseldorf bij Lothar von Kunowski.
Zoals destijds gebruikelijk in zijn kringen hadden zijn ouders een huwelijk gearrangeerd. Arntz weigerde echter de dochter van een belangrijke handelsrelatie te huwen en trouwde met een meisje dat hij op de kunstacademie had leren kennen. Zij kwam uit een gezin met dertien kinderen, waarvan de vader bij de spoorwegen werkte. Arntz werd vooral verweten dat zij katholiek en niet luthers was, waardoor een deel van de familie hem nooit meer heeft willen zien.
Radencommunisme
Aanvankelijk maakte Arntz houtsneden in expressionistische stijl, maar vanaf 1924 vereenvoudigde hij zijn werk tot symbolen ('isotypen’), waarin details zoveel mogelijk werden weggelaten. Met deze beeldtaal wilde hij ook maatschappelijke verhoudingen uitbeelden. Hij gaf daarmee uiting aan zijn ideeën over een collectief georganiseerde maatschappij die hem en andere leden van de "Gruppe progressiver Künstler Köln" voor ogen stond. Arntz, die zich nooit bij een politieke partij heeft aangesloten, voelde zich het meest aangetrokken tot het radencommunisme, een radicale stroming die directe volksdemocratie via arbeidersraden voorstond.
De uitgebeelde werklieden en hun klassenstrijd trokken de aandacht van de econoom en sociale wetenschapper Otto Neurath die het "Gesellschafts- und Wirtschaftsmuseum" in Wenen had opgezet. Neurath had een methode bedacht om met simpele beelden complexe informatie over te dragen en was op zoek naar een ontwerper die zijn methode grafisch vorm kon geven. In 1926 werkte het "Gesellschaft" mee aan een internationale expositie over gezondheidszorg in Düsseldorf, waar Arntz zijn houtsneden tentoonstelde met als blikvanger Mitropa, (een exploitant van restauratie- en slaaprijtuigen), een kritische uitbeelding van de klassenmaatschappij. Neurath bezocht de expositie van Arntz’ werk dat door zijn klare en strakke lijn perfect aansloot bij zijn bedoelingen. Het leidde tot de aanstelling van Arntz als grafisch vakman van het museum.
Oorlog
Arntz vertrok na de nodige aarzelingen in augustus 1934 met zijn gezin naar Den Haag. Hij wist in dat jaar het Nederlandse publiek te treffen met zijn houtsnede Het Derde Rijk, waarmee hij zijn afkeer van het Hitler-regime in zijn kenmerkende stijl toonde: de Führer stond boven aan een piramide en daaronder volgden het leger en de partij, de SS (Schutzstaffel) en de SA (Sturmabteilung), het kapitaal, de justitie en de arbeidsdienst. Helemaal onderaan stonden de werklieden in de munitiefabriek. En dit alles te midden van kanonnen en de wapenindustrie.
De grafiek stond iets scheef, omdat Arntz verwachtte dat het regiem snel zou vallen. Het werd zijn bekendste werk. De prent over het Derde Rijk werd in 1936 op aandringen van de Duitse ambassade verwijderd van de tentoonstelling De Olympiade Onder Dictatuur (DOOD) in Amsterdam.
Hoewel Arntz zich tot 1938 als kunstenaar vrij kon uiten, gebruikte hij vanaf 1935 in zijn vrije werk voorzichtigheidshalve het pseudoniem A. Dubois.
Op 15 mei 1940 trof Arntz de woning van Neurath verlaten aan. De nacht ervoor was deze met achterlating van al zijn bezittingen naar Engeland gevlucht. Nog voor de Sicherheitsdienst in het huis een inval kon doen, brachten vrienden zijn persoonlijke bezittingen in veiligheid door deze samen met de collectie van het Mundaneum Instituut op te slaan bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Enkele weken daarna richtte het CBS onder leiding van directeur-generaal Ph.J. Idenburg de Nederlandse Stichting voor de Statistiek op. Met als doel de popularisering van de statistiek, met Arntz als hoofd van de ontwerpafdeling.
Gedurende enkele jaren kon Arntz zonder problemen doorwerken aan illustraties voor exposities en ontwerpen voor de beeldstatistiek. In 1943 kwam aan dit betrekkelijk rustige bestaan een einde, doordat hij als Duits burger werd ingelijfd bij de Wehrmacht en als chauffeur bij een regiment in Normandië werd ingezet. Hij had geluk dat hij niet als de kritische graficus werd herkend.
Een dag voor de bevrijding van Parijs, waar Arntz met zijn legeronderdeel inmiddels terecht was gekomen, wist hij zijn medesoldaten over te halen zich over te geven. Hij raakte gewond, belandde in een veldhospitaal en was tot mei 1946 krijgsgevangene.
Arntz heeft in zijn leven na de Tweede Wereldoorlog geworsteld met zijn ‘oorlogsverleden’. In 1942 was hij lid van het Deutsche Arbeits Front en in 1943 van de National-Sozialistische Deutsche Arbeiter Partei. Beide lidmaatschappen vond hij nodig om aan het werk te kunnen blijven. In 1943 werd hij ingelijfd bij de Wehrmacht, opgeleid tot ‘Gefreiter’ (korporaal) en ingedeeld bij een legereenheid in Frankrijk.
Bij de naoorlogse procedure voor 'ontvijanding' bleek bij Arntz geen sympathie voor de bezetter, maar schaamde hij zich kennelijk en liet de gebeurtenissen daarom liever onvermeld.
Buitenstaander
Door toedoen van Idenburg die de Minister van Justitie over zijn gevangen gehouden medewerker had gebeld, werd Arntz vrijgelaten en keerde hij terug bij de Nederlandse Stichting voor de Statistiek.
In de jaren vijftig keerde hij in zijn werk terug naar maatschappelijke thema’s. Zijn prenten werden groter en ingewikkelder en hij typeerde zijn kijk op de tijd met herinterpretaties van het "Schip vol Dwazen" van Jeroen Bosch en de "Danse Macabre" ( dodendans eigen interpretatie).
De Koude Oorlog, de koloniale verhoudingen en de vrees voor een atoomoorlog kregen een weerslag in prenten als Carrousel Carnaval en Circus. Arntz was met zijn karakteristieke stijl als graficus een buitenstaander onder zijn vakgenoten. Niettemin was hij van 1962 tot 1965 bestuurslid van de Vereniging ter Bevordering van de Grafische Kunst in Amsterdam. Slechts met M.C. Escher was sprake van vriendschap. Beide ‘buitenstaanders’ waardeerden elkaars werk. Na zijn pensionering in 1965 werkte Arntz nog een vijftal jaren als grafisch kunstenaar, maar hij stopte er mee toen hij merkte dat hij zich herhaalde.
In een interview (zie BSWA in de voetnoot) uit 1988 zei hij: De maatschappelijke verhoudingen waren voor de Tweede Wereldoorlog veel duidelijker. Nu zag je die linksen achter Mao aanlopen en naar Cuba reizen. Ik had daar geen vertrouwen in.
Begin jaren zeventig werd Arntz als beeldend kunstenaar herontdekt. De Socialistische Uitgeverij Nijmegen (SUN) publiceerde in 1973 een boekje met zijn politieke prenten uit het interbellum. Bovendien werden er enige tentoonstellingen aan hem en zijn werk gewijd, zoals in 1976 in het Haags Gemeentemuseum.
In 1985 kreeg Arntz de H.N. Werkmansprijs voor zijn hele oeuvre toegekend. Deze voor de grafische wereld belangrijkste prijs werd tot dan gegeven aan grafici die nog midden in hun carrière stonden. Arntz overleed in 1988.
(1) Naar aanleiding van "extra (E556-1)" werd ik door een vriend gewezen op het werk van Gerd Arntz.
Zijn leven en werk vond ik inspirerend. Zijn biografie is ingekort en volledig te lezen bij BSWA -(Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland).
Veel van zijn werk is in het bezit van "Gerd Arntz Webarchief", beheerd door Pictoright, auteursrechtenorganisatie voor visuele makers in Nederland: illustratoren, beeldend kunstenaars, grafisch ontwerpers, fotografen. Van deze organisatie kreeg ik toestemming enkele afbeeldingen op te nemen.




