Jong geleerd en dan gedaan
Mijn vakantiebaantjes in de vorige eeuw
Rob Lubbersen
Voor Solidariteit schrijf ik regelmatig over vakbond en bedrijf. In de bond en op mijn werk ben ik altijd behoorlijk actief geweest. Inmiddels ben ik met pensioen. Ooit heb ik voor het eerst kennis gemaakt met de wereld van de arbeid. Dat was in de jaren zestig jaren van de 20ste eeuw. Tijd voor een terugblik?
Hoe dan ook: die terugblik heb ik gemaakt. Hierbij een persoonlijk en anekdotisch verslag daarvan.
De melkboer
Goed gewerkt, jongen. Hier is een rijksdaalder. Het was in de zomervakantie van 1960. Ik was tien jaar oud en zat in de vijfde klas van de lagere school. Die twee-gulden-en-vijftig cent kreeg ik van de melkboer voor een dagje helpen met het rondbrengen van melk, karnemelk, vla en yoghurt. Mijn moeder had hem gevraagd mij mee te nemen op zijn ronde door de wijk. Zo kon ik een beetje kennismaken met wat werken was. We waren toch thuis. Pas een jaar later zouden we in de zomer een weekje naar een huisje van de PTT in Zeeland gaan en nog een jaar later zou ik een week weggaan naar een PTT-kinderkamp op de Veluwe.
Dus stapte ik vroeg in de morgen van een mooie dag in 1960 naast onze melkman door onze wijk in het Haagse Bouwlust. Op een handkar had hij twee grote melkbussen met kraantjes en tientallen flessen met zuivel. Héél vroeg in de ochtend waren die afgeleverd door een vrachtwagen bij zijn huis aan de Hertenrade. Uit de bussen werd verse melk getapt in emaille kannen waar gemakkelijk twee liter in paste. Veel klanten kwamen met één of twee kannen hun huis en portiek uit en lieten die bij de melkkar vullen. Maar er waren ook klanten die hun melk of yoghurt in flessen voor hun deur lieten zetten. Dat betekende sjouwen met een rek soms wel vierhóóg. Slopend. In totaal had onze melkboer zo'n vierhonderd klanten waarlangs hij zijn handkar sleepte. Hij spaarde me, maar ik moest toch ook zo nu en dan trap op en trap af. Aan het begin van de middag was ik óp en mocht ik gaan. Een ervaring en een rijksdaalder rijker!
De Gruyter
Toen ik dertien was, kreeg ik een echt baantje in de zomervakantie. Als magazijnmedewerker bij De Gruyter aan de Leyweg. In een stofjas, waarmee ik écht niet de winkel in mocht (!), moest ik vanuit de kelder dozen, pakken en kratten aanreiken. De Gruyter was een hele nette keurige zaak, maar in het magazijn rook het ronduit ranzig. Muizen renden er ook rond. Maar daar hadden ze boven in de winkel, waar ze goudmerk koffie verkochten en snoepjes-van-de-week uitdeelden, geen boodschap aan. Liever niet, zeg!
Aan de Leyweg deed ik een belangrijke ontdekking: de vrijdagmiddagborrel. Vrijdag ging 's middags om vijf uur de winkel potdicht: deur op slot en schermen naar beneden. Dan werd door het voltallige winkelpersoneel, de juffrouwen,-de bedienden,-het voorraadvolk, gezamenlijk een glaasje gedronken. De mannen een biertje, de dames een glaasje wijn. Hoewel ik met dertien eigenlijk te jong was voor iets alcoholisch, werd me een glas sherry opgedrongen. Ik hield me groot, maar vond het smerig. Een colaatje of een sinas had me beter gesmaakt! Weer een arbeidservaring rijker.
De Volharding
In 1964 heb ik in de zomervakantie enkele dagen gewerkt in het ziekenhuis van De Volharding aan de Gedempte Burgwal in Den Haag. Het werd geen succes. Dat ik bij De Volharding terecht kwam was geen toeval. Zelf ben ik in 1949 geboren in de Kraamkliniek van De Volharding aan de Nieuwe Duinweg in Scheveningen. Maar er waren meerdere aanleidingen. Mijn ouders waren lid van het ziekenfonds van De Volharding dat deel uitmaakte van een conglomeraat van linkse organisaties. Mijn vader was een volbloed sociaaldemocraat. Hij was lid van de Partij van de Arbeid (PvdA) en aangesloten bij het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV). We waren 'kinderen van de rode familie'. Dús deden wij boodschappen bij de Coöp, luisterden we naar de omroep de VARA, hingen er bij verkiezingen affiches van de PvdA voor onze ramen en haalden we onze pillen bij de apotheek van De Volharding.
Hoe ik precies terecht kwam in het ziekenhuis aan de Burgwal weet ik niet meer. Wel dat ik enorm onder de indruk was van een metersgroot kunstwerk aan de muur in de wachtkamer bij de ingang. Een angstaanjagende afbeelding in felrood van, volgens mij, Hercules die vecht met de Hydra, een negenkoppige slang, metafoor voor een onverzoenlijke strijd tegen ziekte. Mijn bijdrage aan die strijd duurde niet lang. Ik moest eten en drinken rondbrengen bij doodzieke mensen. Rochelende patiënten aan infusen. Ik vond het eng en verschrikkelijk. Aan een confrontatie met zoveel menselijke ellende was ik nog niet toe. En toen ik na twee dagen op de gang een vol bord pap op de vloer liet kletteren, toen werd ik door een prototypische haaibaai van een hoofdzuster op staande voet ontslagen. Hoera! De witte jas kon uit.
Tomaten plukken
Als 15-jarige scholier zag ik bij een fietstocht door Wateringen een bord met Tomatenplukkers gevraagd. Dat leek me wel wat. Ik belde aan bij de villa van tuinder Koops en kon de volgende dag al beginnen. Dat betekende om vijf uur op, met de fiets langs de molen in Wateringen en bij Koops de kassen in. Daar werd de dag begonnen tussen de hangende tomatenplanten met een kopje koffie en een sigaretje. Camel. Vervolgens werd het flink aanpoten in de kassen waar het bloedwarm kon worden. Voor elk kistje geplukte tomaten kreeg ik 90 cent. Een kistje of tien was zeker haalbaar.
Omdat ik erg netjes werkte, beloofde Koops me een dubbeltje per kist extra. Dat mocht ik niet verder vertellen aan de andere plukkers! 's Middags fietste ik terug naar huis aan de Wezelrade en probeerde elke dag weer tevergeefs het groen en de geur van de tomatenstelen van mijn handen te krijgen. Het vroege opstaan en het best wel zware werk compenseerde ik soms met .... een middagdutje voor het avondeten. Vijftien jaar en een middagdutje!
De Octrooiraad
Mijn volgende vakantiebaantje was bij de Octrooiraad. Die was toen gevestigd aan het Willem Witsenplein. Over de Benoordenhoutseweg een stukkie voorbij wat bekend staat als De Rode Olifant en een stukkie voor het eerste flatgebouw van Nederland Nirwana, op de hoek van de Van Alkemadelaan. Bij de fietstochten met mijn vader richting Wassenaar of zelfs naar Schiphol, vertelde hij altijd dat Nirwana, gebouwd in 1929, niet alleen de eerste flat was in Nederland (zeven etages!) maar ook één van de eerste gebouwen met een lift.
Maar goed, op weg naar de Octrooiraad kwam ik niet zover. Mijn taak was de ingenieurs die daar werkten snel de benodigde documenten uit het archief te bezorgen. En na gebruik door hen terug af te leveren bij dat archief. Niet erg spannend. Wel verbaasde ik me over de verschillen in voorkomen van de ingenieurs. Het waren vrijwel allemaal mannen, de meeste strak in het pak, maar er liepen ook types rond in spijkerpak en met lang Beatle-haar. Geen idee meer wat ik daar verdiende. Waarschijnlijk net genoeg om op een brommer te kunnen rijden, een vijfdehands Berini.
Rijkswaterstaat
In 1967 vond ik werk bij Rijkswaterstaat. Op de hoek van de Prinsegracht en de Lange Lombardstraat werd een archief met bouwtekeningen, zogenaamde kalken, beheerd. Het leek er een beetje op de Octrooiraad, maar was veel gezelliger. De afdelingschef was een aardige relaxte man en er waren nog drie jongens van mijn leeftijd in dienst. Leuke gasten.
Wij brachten die kalken heen en weer van kantoor naar kelders waar ze waren opgeslagen. Soms waren die kelders elders en mochten we mee in een bestelbusje. Na drie weken waren we vrij en maakten we met zijn vieren uitstapjes op onze brommers. Dat moet voor mij een gloednieuwe Puch zijn geweest die ik (deels) van mijn ouders had gekregen voor het behalen van mijn HBS-diploma eerder dat jaar. Voorwaar een toffe zomer!
NV Finmij EN - NEN
Daarna heb ik een jaar 'echt' gewerkt. Ik was als zeventienjarige te jong om te worden toegelaten op de Haagse Sociale Academie. Ter overbrugging werkte ik een jaar als correspondent bij de NV Financieringsmaatschappij van de Eerste Nederlandsche - Nieuwe Eerste Nederlandsche aan de Johan de Wittlaan vlak bij het Churchillplein. Daar verdiende ik genoeg om in de zomer van 1968 géén vakantiebaan te hoeven zoeken. Genoeg voor een liftvakantie naar Joegoslavië. In mijn vrije tijd begon ik mee te doen aan demonstraties tegen de oorlog in Vietnam.
Chevron
Na het eerste jaar op de Sociale Academie belandde ik in 1969 bij de oliemaatschappij Chevron op de hoek van de Conradkade en de Segbroeklaan. Een groot glazen kantoor, waarin je bij een stevige onweersbui door de spiegeling compleet verblind werd door de bliksemflitsen. Ik kwam op de typekamer. Daar zaten ongeveer twintig typistes in schoolklasformatie met hun gezicht naar één cheffin die voortdurend de klas in keek om iedereen in de gaten te houden. De cheffin keek ook elk 'werkstuk' na op fouten. Ik werd aan een typemachine gezet waar papier van circa 80 cm breed in werd gedraaid.
Ik was uitverkoren om overzichten te maken van de olietransporten van Chevron. Welke tanker voer met welke olie wanneer van waar naar waartoe om daar wanneer aan te komen. Onder welke vlag, bij welke maatschappij, voor welk bedrag, enzovoort. Dat moest allemaal op één regel. Met heel veel cijfers en getallen. Precisiewerk. En hoewel ik ooit een type-diploma haalde met allemaal tienen, was dit me te machtig. Ik werd steeds nerveuzer, begon foutjes te maken, moest van de cheffin soms helemaal opnieuw beginnen en na twee weken kapte ik ermee.
IJscoman
Omdat ik te weinig had verdiend in die week bij Chevron om mijn vrienden in het café aan de Zuidlarenstraat ook eens te trakteren, zocht ik een ander baantje. Eén van mijn vrienden wist wat. Hij was net gestopt als ijscoman, dat was volgens hem héél lucratief. De volgende dag al kon ik een gemotoriseerd ijscokarretje ophalen bij een snackbar in Wateringen. Het werd mijn kortste vakantieklus.
Op weg naar Poeldijk over de N211 langs de Nieuwe Vaart, toen ik ruimte wilde maken voor twee enorme vrachtwagens, raakte ik met mijn rechter wiel de stoeprand en ging over de kop. Nóg zie ik het bakje met de ijsschep over me heen vliegen, terwijl ik op de weg kletterde. Gelukkig was ik niet gewond, maar van de ijskar was de motor kapot en een wiel ontzet. Met veel moeite bracht ik de kar terug naar de snackbar. Onderweg verkocht ik nog voor 25 gulden ijsjes aan wegwerkers. Dat geld mocht ik houden, maar ik hoefde niet terug te komen. Einde ijscarriere.
Stage bij het Leidse Volkshuis
Nog datzelfde jaar liep ik vanuit de Sociale Academie stage bij het Leidse Volkshuis. Een weekje klussen in het buurthuis, een week meedraaien in Jeugddorp Leiden vlak bij Voorschoten en een week op Kinderkamp in de duinen van Noordwijkerhout. Dat laatste werd onvergetelijk, omdat op 20 juli 1969, terwijl wij een nachtelijk dierenspel deden met de kids in de duinen, Neil Armstrong als eerste mens voet op de maan zette. Terug in het kamp werd dat gevierd met een beker warme chocolademelk. Nou ja, die choco zou natuurlijk toch wel geschonken zijn.
Die stage betekende een overgang van vakantiewerk naar studie en echte banen en uiteindelijk in 1972 de militaire dienst. Vakantiewerk? Het is een ieder aanbevolen. Je leert ervan en je verdient er wat mee! Het is meestal leuk om te doen!

