Democratie en strijdbaarheid, op weg naar nieuw perspectief
FNV zet stappen vooruit
Sjarrel Massop
Het Ledenparlement (LP) heeft ingegrepen in de crisis van de FNV. Dit hoogste orgaan van de vakcentrale is op 9 en 10 mei jongstleden bijeen geweest en nam het initiatief om de ontstane problemen in de organisatie aan te pakken. Dat juist het LP deze stap zet, geeft een voorzichtig perspectief aan een vakvereniging die naar jaren tobben hard toe is aan veranderingen.

Die tweedaagse was kennelijk geen besloten bijeenkomst. De Telegraaf en de Volkskrant berichten erover, voordat de leden op de hoogte waren. De bron van de crisis die de FNV doormaakt, komt echter door deze berichtgeving niet op tafel. De nadruk wordt gelegd op een bestuurlijke crisis, mensen die niet met elkaar overweg zouden kunnen, elkaar onheus bejegenen - achteraf onterecht - en een leiding ('governance') die tekort zou schieten.
Ledenparlement
Deze benadering van de media leidt af van de werkelijke problemen die in twee thema's zijn samen te vatten:
- De FNV is geen bundeling van verenigingen meer.
- De FNV is niet in staat gebleken te reageren op maatschappelijke veranderingen, zoals van een vakbond verwacht mag worden.
Deze twee fundamentele problemen kunnen met deze ingreep van het LP op de agenda worden gezet. Het hoogste orgaan van de vereniging trok het initiatief naar zich toe en gaf aan kordaat werk te willen maken aan waar de vakbeweging voor moet staan. Namelijk als vereniging de belangen behartigen van loonafhankelijken en uitkeringsgerechtigden. Het LP heeft de verantwoordelijkheid opgepakt door niet verder te gaan met het aangestelde interim-bestuur. En stelt vervolgens een nieuw interim-bestuur met een beperkte opdracht aan dat uit mensen bestaat met een ruime vakbondservaring. De belangenbehartiging moet voortgang vinden. Bij die taak hoort nadrukkelijk nadenken over de actuele maatschappelijke veranderingen.
De vereniging
Het werkelijke conflict in de FNV is de verstoorde werkrelatie tussen delen van het dagelijkse bestuur en de top van de werkorganisatie. Een top die zich bemoeit met vakbondsinhoudelijke vraagstukken, hetgeen voor een vereniging van leden onaanvaardbaar is. Het conflict kon ontstaan, doordat de vereniging niet meer als een vereniging functioneert, ook omdat het Ledenparlement besluiten heeft genomen zonder de leden te raadplegen. Dit gebrek aan vakbondsdemocratie werd opgevat als een weeffout, maar een parlementair systeem toepassen op een vereniging is echter een fundamentele denkfout. De kracht van de vereniging moet juist de beweging zijn, een eenheid die onderling solidair is. Het democratisch betrekken van de leden is essentieel.
Waar (interne) strijd ontstaat, moet de vereniging als een eenheid in beweging komen. Dat lukte soms, maar veel vaker bestond er verdeeldheid en was een consequente strijd niet aan de orde. De problematiek verdween vaak naar de onderhandelingstafel, waar de vakbeweging meer en meer het initiatief heeft verloren. Een citaat uit het interview met voorheen FNV-voorzitter Tuur Elzinga en lid van het dagelijks bestuur Piet Rietman:
Gesprekken met de overheid en de werkgevers verlopen steeds moeizamer. Het marktdenken in de overheid is erg toegenomen, dat brengt de vakbeweging in een andere positie. Vijftig jaar geleden voor de opkomst van het neoliberalisme was er ook polderoverleg, dat verliep minder moeizaam, ook omdat de vakbeweging sterker was en serieus genomen werd. De vakbeweging is terdege in het defensief gedrongen, daar moet een weg uit gevonden worden. Polderen is nooit een doel op zich. (e530-2)
Werkorganisatie en sectoren
De leiding van de werkorganisatie is niet gericht op de strijd van de vakbeweging. In tegenstelling tot veel bestuurders die dicht bij de leden staan, bevindt vakbondsstrijd zich voor delen van de werkorganisatie op grote afstand. Een sprekend voorbeeld is de verloren pensioenstrijd. De elite van de werkorganisatie zoekt de weg naar het overleg, op zoek naar de harmonie. Ze wil op die manier vasthouden aan wat haar basis is geworden: het harmoniemodel met een zo sterk mogelijke positie in het overleg met de ondernemers en de overheid.
Deze ontwikkeling is latent aanwezig sinds de fusie van de FNV in 2011/2012. Ze is manifest geworden na de verloren campagne voor 'behoud van de koopkracht' en 'echte banen', waarop het echec met de pensioenstrijd volgde.
Anders dan de top staan de uitvoerenden van de werkorganisatie, de sectorbestuurders, veel dichter bij de leden en hun belangen. Daar is meer samenwerking te zien tussen de kaderleden en de bestuurders (zie e528-4 over de Winkelstraat).
Schoorvoetend komt ook op een andere manier de verbinding tussen de sectoren op gang. Bijvoorbeeld in de pensioenstrijd, de acties tegen zwaar werk, de cao-strijd in het vervoer, de zorg, de schoonmaak en recent de studentenstrijd. Die solidariteit kwam van onderop, door kaderleden in de sectoren. De solidariteit met de acties bij Tata Steel die bijkans onvermijdelijk zijn, komt ook langzaam op gang. De sectoren verbinden zich en dat moet logischerwijs van de basis van de vakbeweging komen komen.
Tegelijkertijd ontstaat ook de verbinding met andere bewegingen. Dat is het duidelijkst in de klimaatbeweging, waar een FNV netwerk is gegroeid dat zich nadrukkelijk lokaal en regionaal manifesteert.
Een andere voorbeeld is de strijd tegen het onmenselijk Israëlisch optreden ten opzichte van de Palestijnen in de Gaza Strook. Dat was te zien op de recente 1 mei bijeenkomst. Mensen in nood verdienen de solidariteit van de vakbeweging. Net als de zich ontwikkelende strijd om de armoede en bestaansonzekerheid.
Uitbesteding en privatisering

Het neoliberalisme is in wezen antidemocratisch
Foto door Marijn Smulders (voor De Correspondent)
Om te beginnen een citaat uit het boek van Bram Mellink en Merijn Oudeampsen (1):
Een overheid kenmerkt zich door publieke diensten uit te besteden aan een complex netwerk van commerciële en non-profitorganisaties. De overheid levert in dergelijke gevallen niet langer zelf de publieke voorzieningen, maar onderhandelt met externe partijen over contracten en randvoorwaarden. Specialistische kennis wordt ingekocht bij een klein legertje van consultants en adviesbureaus. (e534-2)
De invloed van deze constatering op de vakbeweging, begint heel langzaam door te dringen. Een ontwikkeling die zich sluipenderwijs in meer dan veertig jaar voltrokken heeft en begint door te dringen in de samenleving. Waar de marktwerking onder meer bedoeld was om bij de overheid de bureaucratie te verminderen, is er een overheid ontstaan die nauwelijks nog greep heeft op de uitvoering van het beleid dat ze uitstippelt. Het publieke domein is privaat geworden. Waar een vergrote slagkracht in het vooruitzicht gesteld werd, ontstaat een willekeur naar de samenleving met vaak onmenselijke gevolgen. De politiek is daar nogal machteloos, ook omdat ze ongeacht de kleur in deze ontwikkeling is meegegaan.
Dat geldt ook voor de vakbeweging. Het pensioenakkoord van 2019 is daar het overtuigende voorbeeld van. De Wet Toekomst Pensioenen kan op geen enkele manier duidelijk maken waarom de pensioenen beter geregeld zijn ten opzichte van het oude systeem. Het wordt niet voor niets een casino pensioen genoemd, een blamage voor de vakbeweging. Er is echter veel meer, denk aan de geprivatiseerde zorg, het wonen, de energie, het onderwijs, de sociale voorzieningen en de media. Denk aan de Wet Maatschappelijke Ondersteuning en de Participatiewet (bijstand). De meest kwetsbare mensen in de samenleving hebben daar het meeste last van. De vakbeweging pretendeert voor deze mensen op te komen. Dat zal van geen kant lukken met een privatiserende overheid die niet opkomt voor het publieke belang. Een belang dat gericht is op winst maken.
Herbezinning
Zie daar het dilemma van de vakbeweging. De noodzaak van belangenbehartiging heeft geen adres, geen brievenbus meer. Dat betekent een herbezinning op positie en strategie.
Uiteraard zal de vakbeweging hierin een zeer belangrijke rol moeten spelen. Zij organiseert nog steeds veel leden die potentieel door strijd en solidariteit het verschil kunnen maken. Maar veel leden en nog niet leden, voelen zich niet thuis bij een vakbond die beloften niet waar kan maken. De resultaten voor verbetering van de arbeidspositie en de bestaanszekerheid van veel mensen vallen zwaar tegen. Een leegloop van de vakbonden is een logisch gevolg. Sinds de fusie van 2011/2012 is het ledenaantal vrijwel gehalveerd, het is nu gedaald tot onder de 700.000.
Al eens eerder heeft het Wetenschappelijk Bureau van de FNV een poging gedaan, de ontwikkelingen te keren. In 2018 kwam het met een nota over positie en strategie van de vakbeweging.(2) De doorwerking van het neoliberalisme was toen nog niet geheel duidelijk, het onderzoek had enige wetenschappelijke vrijblijvendheid. Voor een democratisch strijdperspectief zou het een goed initiatief van het Ledenparlement zijn om zo'n onderzoek eens minder vrijblijvend over te doen.
Overgangsfase
Er is voor de FNV een periode aangebroken met interim besturen. Het eerste had als taak de sociale veiligheid te borgen en de governance vorm te geven. Het tweede tijdelijk bestuur heeft de taak gekregen snel een definitief bestuur te organiseren door de verkiezingen van een nieuw dagelijks en algemeen bestuur, exclusief de voorzitter. Dat moet rond op 11 juli aanstaande klaar zijn. Het Ledenparlement kiest het nieuwe bestuur. Dat bestaat uit de bezoldigde, dagelijks bestuurders en de onbezoldigde, algemeen bestuurders.
Daarna volgt de verkiezing van de voorzitter, gekozen door de leden van de vereniging. Een onnodige vertraging die statutair vastgelegd is, met als het argument: dat is vakbondsdemocratie. De voorzitter is onderdeel van het bestuur; het is niet gewenst dat hij of zij in een zich veranderende vakvereniging een uitzonderlijke positie inneemt. Feitelijk is het schijndemocratie. We kiezen ook niet de Minister President of de burgemeesters, zij behoren net als de voorzitter van de vakbond boven de beleidsmakers te staan, ze hebben eigenlijk geen inhoudelijke verantwoordelijkheid, het zijn de procesbewakers.
Perspectief
De Federatie Nederlandse Vakverenigingen is het slachtoffer geworden van het klonen van een ondemocratisch, niet werkend parlementair concept.
Een concept dat versterkt is in de fatale uitwerking door neoliberale experimenten die de vakbeweging dubbel treffen. Een ontsnapping voor verdere aftakeling is nodig en is te vinden in: vertrouwen op eigen kracht, gebaseerd op de kennis en ervaring van de leden die werken en leven aan de basis van de samenleving. Dit is het 'lonkend perspectief' dat ontstaat met resultaten door vakbondswerk aan de basis, activerend vakbondswerk en de democratisering van de vereniging.
(1) Bram Mellink en Merijn Oudenampsen, (2022), Neoliberalisme, een Nederlandse geschiedenis. Boom, Amsterdam. p. 241.
(2) Saskia Boumans en Wim Eshuis, (2018), Positie en strategie vakbeweging, beschouwingen, analyses en voorstellen, De Burcht, Amsterdam.
