Hoe de vuist is verworden tot een bedelende hand
Deutsche Gewerkschaftsbund (DGB) na 1945
Uwe Gertz (1)
De aanleiding voor dit artikel is een gesprek met enkele vakbondsleden, waarin zij hun teleurstelling uiten over hun bond Industrie Gewerkschaft Metall (IG Metall) en een afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst. Dergelijke reacties van bondsleden komen regelmatig voor, ongeacht of zij zijn georganiseerd in IG Metall of andere bonden. De leden gaan er van uit dat het de taak is van de vakbonden om voor hun eisen strijdbaar op te treden. Waarom is dat in het algemeen niet het geval?
Het artikel is de bewerking van een lezing die ik gaf tijdens de Jour Fixe Hamburg.(2) De 'Jour Fixe' wordt beschouwd als een ontmoetingsplaats voor de linkse vakbondsoppositie - niet tegen de vakbonden in het algemeen, maar tegen het vakbondsbeleid in de zin van het 'sociale partnerschap' van de DGB met het kapitaal.
Die lezing ging over de vraag: hoe komt het dat het de vakbond in het algemeen aan strijdbaarheid ontbreekt. Omdat het leiderschap niet goed is - denken veel leden kies een nieuwe leiding en kom op, dan is de IG Metall als voorbeeld weer een echte, strijdbare vakbond.
Volgens mij is dat laatste een illusie! Waarom? Deze vraag kan alleen worden beantwoord als duidelijk wordt wie de afzonderlijke bonden en de DGB als geheel eigenlijk zijn. Daartoe is het noodzakelijk dieper in te gaan op de oprichting van de DGB als overkoepelende organisatie van afzonderlijke vakbonden. (3)
Ter inleiding
Om te beginnen aandacht voor de politieke omstandigheden in Duitsland van 1945 tot 1949. De eerste twee jaar na de capitulatie op 8 mei 1945 vond er een dramatisch getouwtrek plaats tussen de kapitalistische, zegevierende (westerse) machten over de vette buit. Uitmondend in een gevecht over het industriële potentieel van het Ruhrgebied en het exploitatieparadijs 'Duitsland'! De Verenigde Staten (VS) kwamen duidelijk als winnaar naar voren, hoewel ze de bittere pil moesten slikken van de socialistische S0wjet Unie die de oostelijke industriegebieden kon behouden. In de periode 1945-1949 zijn twee fasen te onderscheiden:
* 1945-1947, de fase van de destructieve houding van de kapitalistische bezettingsmachten die Duitsland als verliezer zonder enige terughoudendheid probeerden leeg te roven met economische decentralisatie, industriële ontmanteling en eisen voor herstelbetalingen,
* 1947-1949, de constructieve fase, waarin de koers werd uitgezet voor de wederopbouw van een West-Duitse industrie onder leiding van de VS.
De VS waren gedwongen - zoals ze zeiden - een einde te maken aan de steeds groeiende populaire invloed van de Sovjet Unie in Europa. Vandaar dat de strijd vanaf 1947 om de systemen en de Koude Oorlog alleen maar gewonnen kon worden door geld in regio's te pompen. Om zo, via versnelde economische groei, een heropleving van de Duitse monopolie-industrie te realiseren. Vandaar het Marshallplan dat alleen zin had, wanneer het onder controle van een betrouwbare (kapitalistische) staatsstructuur kon worden uitgevoerd. Dat vereiste een hoog tempo - in twee stappen.
De bezetters
1) De eerste stap, 1947, werd gezet onder de agressieve, politieke richtlijn om het imperialistische Duitsland nooit meer als concurrent op de toekomstige wereldmarkt toe te staan. Elke staats- en industriële basis moesten vernietigd worden. Duitsland zou een niet geïndustrialiseerd landbouwland moeten worden.
2) Tijdens de tweede stap, 1949, laat de houding van de VS een verandering zien. Geen vernietiging meer, maar integratie van het industriële potentieel van Duitsland in de staatsvorm van een Amerikaanse kolonie.
Om die stappen te kunnen volgen, even terug naar 1945 en een aantal gegevens over de situatie van de bevolking; afgerond:
* 1944, tegen het einde van het fascisme: twaalf miljoen in het fascistische leger - vier miljoen Duitse soldaten en twee miljoen burgers in Duitsland gedood - twaalf miljoen dwangarbeiders uit de bezette gebieden - de meerderheid van de vrouwen werkt in de industrie - mannen vormen de geschoolde werkers.
* 1945, einde van de oorlog: ruïnes, dakloosheid, honger, epidemieën, werkloosheid, zieke mensen - twaalf miljoen soldaten krijgsgevangen - tien miljoen dwangarbeiders verlaten Duitsland - 12 miljoen vluchtelingen uit de oostelijke regio's (nieuwe werkers).
Spontaan verzet
De meeste literatuur in de Bondsrepubliek Duitsland meldt dat alle Duitsers de situatie in 1944/45 ("het einde'') eenvoudigweg accepteerden. De werkelijkheid, met name die van de werkers, was anders. Al in 1944 was er verzet, vooral onder mijnwerkers en in de wapenindustrie van het Ruhrgebied. Dit was spontaan verzet dat door geen enkele partij werd geleid. Statistieken melden dat er in de eerste helft van 1944 ongeveer tweehonderd werkonderbrekingen per maand waren en aanzienlijk meer door dwangarbeiders, ongeveer veertigduizend alleen al in juni.
Het illegale tijdschrift Union Unity van december in 1944 rapporteert voorbeelden:
* Wuppertal: augustus 1944, toenemende activiteit van de illegale vakbondsgroepen; folders en brochures worden onder de beroepsbevolking verspreid. Vooral vrouwen zijn hier actief. Op een illegale conferentie die bestond uit 36 afgevaardigden van verschillende bedrijven (Poolse, Nederlandse, Russische, Franse en Duitse werkers) werden kwesties besproken van sabotage, voorbereiding van stakingen en bewapening van gevechtsgroepen.
* Mannheim: op 27 juli 1944 werd een illegale vakbondsgroep bij Lanz AG gearresteerd. De groep was bezig met de voorbereiding van een staking tegen lange werktijden en voor de zondagsrust. De verslag doende, SS-Scharführer Herbert Wollner, werd later op weg naar huis door arbeiders vermoord.
Comités
De meeste industriële werkers die in 1944 nog voor fascistische monopolisten werkten, waren niet plotseling werkloos, maar hadden na 8 mei 1945 nog steeds hun baan in bedrijven die niet door de geallieerden waren gebombardeerd. De uitbuiting was niet plotseling verdwenen, maar de mogelijkheden waren verbeterd om vakbonden te organiseren.
Veel auteurs beschrijven de houding van de werkers in die tijd als apathisch, gedesoriënteerd, politiek ongeïnteresseerd, enzovoort. Zij maken melding van een 'zonder mij'-houding met alleen aandacht voor het eigen voortbestaan. Dat lijkt slechts ten dele waar, want uit documenten blijkt dat veel werkers, na aanvankelijke verlamming, al snel beseften dat er een nieuwe politieke weg moest worden ingeslagen.
De bezetters waren niet weinig verrast, toen ze de industriële steden binnentrokken en politieke en vakbondsactivisten op veel plaatsen tegenkwamen die antifascistische comités hadden opgericht, actiecomités, bedrijfscomités en zelfs ondernemingsraden. Ze waren georganiseerd als raden, niet-confessioneel en onpartijdig, ook al lagen hun wortels in de arbeidersbeweging en werden de leden meestal gerekruteerd uit verzetsgroepen. Deze 'Antifa's' waren een uitdrukking van een heel speciaal soort democratisch bewustzijn. Improviserend met de uitgesproken bedoeling om de ervaringen die waren opgedaan tijdens de nazi-dictatuur om te zetten in een nieuwe, sterk democratisch georiënteerde politieke praktijk aan de basis.
Verbod
In de begindagen van de bezetting lagen de uitvoerende macht, de politieke verantwoordelijkheid en het leiderschap in handen van deze Antifa's. Met goedkeuring van de bezettende machten zorgden zij ervoor dat de chaos niet nog groter werd. Zo werden bijvoorbeeld de water-, elektriciteits- en gasvoorziening in werking gebracht en het schaarse voedsel eerlijk verdeeld. Het werden echte gevechtscomités als het ging om het opsporen en arresteren van nazi's. In dit opzicht waren ze revolutionair, omdat hun activiteiten en ideeën zich richten op een nieuwe sociaalpolitieke en economische orde. De reorganisatie van ondernemingsraden en bedrijfscomités in de zware industrie en de mijnbouw waren bewonderenswaardig.
Al snel werden deze Antifa's en de bedrijfscomités een doorn in het oog van de bezetters; ze waren te autonoom. Er werden verboden uitgevaardigd. In april 1945 bijvoorbeeld wees een Britse majoor de activiteiten af met de sprekende woorden: Een revolutie zal niet worden getolereerd. Ook vakbonden werden opgericht, twee voorbeelden. Op 18 maart 1945 in Aken: de Vrije Duitse Vakbondsfederatie. In Hamburg, 8 mei 1945: de Socialistische Vrije Vakbond die in vijf weken tijd zo'n 50.000 leden telde. In het algemeen ontwrichten de bezettende machten deze initiatieven. Daar was alle reden voor, meldde één van de gebruikte bronnen: Voor grote delen van de bevolking had het kapitalistische economische en sociale systeem zijn rechtvaardiging verloren als gevolg van de economische en politieke catastrofes van de afgelopen twintig jaar.
Vakbonden
De initiatieven tot een vakbond waren ook een reactie op het verleden:
(1) Verlangen naar eenheid, geen politieke of christelijke grondslag.
(2) Streven naar vrijheid, alleen verantwoordelijk voor de belangen van de werkers, wel of geen lid, tegenover die van de kapitalisten.
(3) Werken aan een alternatief voor de kapitalistische orde.
De bezettende machten waren vol wantrouwen en koersten op vertraging van de erkenning en verbod, maar al vanaf de herfst van 1945 konden ze druk niet meer weerstaan. Ook door de invloed van het door de Sovjet Unie bezette gebied. Daar werd op 15 juni 1945 opgeroepen tot een nationale Vrije Vakbond.
De bezetter kwam met de volgende maatregelen: elimineer elke spontaniteit, laat de bonden zich langzaam en onder eigen controle ontwikkelen van onder naar boven, van klein naar groot -zet "uw mensen" bovenaan - voorkom super regionale verenigingen, tenzij "eigen mensen" de leiding hebben.
Het wantrouwen van de bezetters ten opzichte van de zich spontaan ontwikkelende vakbonden werd overtroffen door hun houding tegenover de ondernemingsraden. Ze kenden deze vorm van vertegenwoordiging niet. Bij de eerste verkiezingen in de Britse zone in oktober 1945 wonnen communistisch georiënteerde collega's uit de mijnbouw bijvoorbeeld zo'n 70 procent van de stemmen. Een typerende stemming, het ging niet alleen om eenheid, denazificatie, demilitarisering en kartel ontmanteling (besloten in juni 1945 op een conferentie in Potsdam), maar om meer: socialisatie van de bedrijven, onteigening (dus van de oude eigenaren), kortom socialisme. Dit bleef geen theorie, maar werd vaak actief nagestreefd, onder meer in de mijnindustrie. De bezetter zorgde echter voor zuivering van de ondernemingsraad van communisten en vervanging door 'eigen mensen'.
Terughoudende vakbondsleiding
Terwijl in de eerste fase na 1945 de strijd vooral gericht was tegen de oude fascistische omstandigheden, waaide in de tweede fase (vanaf 1947) de wind van woede en protest in de gezichten van de bezetters. De inspanningen om verenigde vakbonden op te bouwen, gingen door. Het debat over de inhoudelijke doelstellingen werd scherper. De industriële werkers in grote bedrijven eisten zeggenschap op het gebied van eigendom en productie, vooral via hun ondernemingsraden. Het draaide om onteigening, of op zijn minst om praktische zeggenschap en dat werd via stakingen tot uitdrukking gebracht.
De eerste grote krachtproef, slechts anderhalf jaar na het einde van de oorlog, was met de staking in november 1946 bij de firma Bode-Panzer in Hannover. De eisen gingen over zeggenschapsrechten van de ondernemingsraad - niet om vrijblijvende inspraak. De inspirerende staking duurde 23 dagen met een prima onderhandelingsakkoord als resultaat, maar tegelijkertijd kwam een terugkerende kwestie naar boven.

Het bestuur van IG Metall wilde feitelijk het conflict niet aangaan en in plaats daarvan een tactiek van 'status quo' hanteren. Het succes was, naast de inzet van de werkers, te danken aan het lokale bestuur en het districtsbestuur van de IG Metall. Het vakbondsbestuur bleef echter voorzichtig en gaf de voorkeur aan een juridische weg. Dus naar de rechtbank, in plaats van vakbondsactie te organiseren. Dat bleek ook tijdens de ledenvergaderingen. De vakbondsleiding was uiterst terughoudend om het risico van een staking te aanvaarden in het licht van een mogelijke tussenkomst van de bezettende machten. Onwil dus om resultaten met acties op bedrijfsniveau af te dwingen.
Klinkt dat ons vandaag de dag niet bekend in de oren?
Stakingen
De bezetters zagen niets in een verenigde vakcentrale. Ze vreesden voor teveel machtsconcentratie aan de kant van de werkers. De bezetters waren zich ervan bewust dat een sterke industriële arbeidersklasse in Duitsland alleen door middel van verdeeldheid onder controle was te krijgen. Dat leidde tot het besluit om in de toekomst alleen industriële verenigingen toe te staan, in plaats van één enkele vakbond. Maar er gebeurde meer. Vanaf 1947 vond de splitsing van Duitsland plaats en werd de kluif van het Ruhrgebied binnengehaald. Mogelijk gemaakt door een economisch 'herstelprogramma', een kredietmachine van miljarden: het Marshallplan. Door de steun van de bondsbesturen in West-Duitsland, verviel de poging tot eenheid van bonden in Oost en West. Misschien de bedoeling van de VS?
Het Marshallplan vond weinig weerklank onder de vakbondsleden, omdat de voedselsituatie voor de bevolking, vooral in de grootstedelijke gebieden, catastrofaal was. De toenemende woede over het bezettingsbeleid uitte zich in radicale protesten. Deze piekten in het voorjaar van 1947 in grote stakingen en massademonstraties tegen de afschaffing van 'zwaar werk toeslagen' en verlaging van de voedselrantsoenen. Onder meer uitlopend op een 24-uursstaking van 300.00 mijnwerkers in het Ruhrgebied. Een Amerikaanse woordvoerder in mei 1947: Elke persoon of groep personen die op deze manier handelt, zal worden gestraft, en vergeet niet dat volgens de wetten van de bezettingslegers en de militaire regering de schuldigen zelfs met de doodstraf kunnen worden gestraft.
Tromgeroffel
Niettemin groeiden de protesten in het voorjaar van 1948. De bezetters probeerden deze te temperen met steun van de vakbondsleiding die vreesde dat openlijk verzet de communisten ten goede zou komen. Eén van hen stelde demagogisch tegenover elkaar: uithongering of Marshallplan. Tegen de ontmanteling van industriële installaties en de munthervorming (hogere voedselprijzen) braken in 1948 gewelddadige protesten uit die opriepen tot een algemene staking. Helaas werden de werkers aan hun lot overgelaten. Maar op plaatselijk niveau werd door tienduizenden gedemonstreerd. In Stuttgart greep generaal Clay radicaal in met een avondklok voor meerdere dagen.
Negeren van de onrust was echter onmogelijk. De loonstop verviel, maar de druk van de straat en in de bedrijven dwong de vakbondsleiding tot een algemene staking op 12 november 1948. Maar volgens critici: puur machtsvertoon. Bewust op een vrijdag gepland, zodat de periode van 24 uur omsloeg in een beperkte werkonderbreking. Vitale sectoren als de bevoorrading van de bevolking bleven buiten de staking.
Volgens mij illustratief hoe deze vakbondsleiders de weg wijzen voor de toekomst: tromgeroffel. De eisen gingen naar de toenmalige Economische Raad die er nota van nam en eenvoudigweg in een dossier opnam. De vakbondsleiders bleven trouw aan de methoden die zij sinds 1945 stukje bij beetje professioneel beoefenden:
- Blaas stoom af, kanaliseer het protest om het onschadelijk te maken in het 'algemeen belang', of openlijker, in de geest van de bezetters.
- Doe een beroep op het geweten van politici, zakenbazen en bezetters.
- Voed illusies over de liefdadigheid van degenen die aan de macht zijn.
Oprichting DGB

De protesten en arbeidsconflicten verdwenen na deze 'algemene staking' en in 1949 bleef het relatief rustig. Misschien, omdat de economie verbeterde? Misschien, omdat het jaar 1949 bol stond van belangrijke politieke besluiten, waardoor de werkers hun adem inhielden? Of was er misschien zelfs een verband tussen die twee?
Vanaf het moment dat het eerste parlement met een regering was gekozen, waren de bezettende machten vrij om een nieuw 'bezettingsstatuut' te gebruiken om de Duitsers uit te leggen dat ze nog lang niet soeverein waren. Een maand later volgde in oktober in München het oprichtingscongres van de Deutsche Gewerkschaftsbund.
Deze DGB vormde voortaan de koepelorganisatie van zestien vakbonden. Niet meer dan dat. De droom van een werkelijk verenigde vakbond was verbrijzeld. De bezettingsmachten bleken succesvol in hun verdeeldheid zaaiende manoeuvres.
De geboorte van de DGB had lang op zich laten wachten, de zwangerschap duurde minstens twee jaar. Duidelijk was geworden dat de VS (met Groot-Brittannië en Frankrijk in het kielzog) het plan uitvoerden om Duitsland de oprichting van een aparte westerse staat op te leggen. In deze bezettersstaat die een vakbondskoepel nodig had, regeerden de oude eigendomsstructuren uit het Weimar tijdperk (1918-1933). Eén die koos voor integratie in en medeverantwoordelijkheid voor de (kapitalistische) staat; een kopie van de vakbonden in de VS en Groot-Brittannië.
Radicaal gebrul
De bezetters waren erin geslaagd voor elkaar te krijgen dat 'hun volk' de topposities van de DGB vakbonden bezette en 'hun' bureaucratisch apparaat opbouwde. Dat was vier jaar hard werken voor de bezetters om deze opstandige Duitse werkende bevolking onder controle te krijgen. Eén van onze bronnen: (...) binnen de West-Duitse vakbonden was een onaangename samenwerking tussen fulltime vakbondsfunctionarissen en de geheime diensten van de bezettende machten.
De mensen die de bezetter 'hun volk' noemde waren oude rotten uit de vakbonden. Vakbondsadel die na 1918 dominante posities had opgebouwd. Bestuurders die ermee vertrouwd waren om ín overleg de belangen van ondernemers en bonden goed tegenover elkaar af te wegen. Meestal waren ze naar Duitsland teruggekeerd na jaren van westerse ballingschap.
Hoe konden zij weer aan de top komen? Hoe konden zij als overwinnaar uit de strijd voor nieuwe, democratische vakbonden komen? Ze waren min of meer bekend en hebben het gered door de beschermende hand van de bezettende machten. Gedurende de vier jaar voor de oprichting van de DGB konden de werkers getuigen zijn van hun radicaal gebrul om applaus te scoren dat in 1949 uitmondde in een programma dat zelfs een beetje naar socialisme rook:
- Economisch beleid om de waardigheid van vrije mensen te behouden.
- Medezeggenschap bij alle kwesties van economisch management.
- Overdracht van alle belangrijke industrieën naar publiek bezit.
- Sociale rechtvaardigheid door passende deelname aan het nationaal inkomen.
Genade van de bezetter
Wie de DGB simpelweg zou beoordelen op basis van haar programma uit 1949, zou moeten zeggen: Oké, klinkt goed, er zou iets mee gedaan kunnen worden wanneer maar de juiste mensen in de leiding zaten. Maar het is een oude ervaring onder werkers om niet zozeer naar de bazen omhoog te kijken, maar naar hun daden beneden. En dan, wat zegt het programma over de afdwingbaarheid van de eisen? Helaas, niets!
Dus weer het oude spel uit de jaren 1945 tot en met 1949: radicaal van buiten, tam van binnen en aangepast aan de 'realpolitik'. Böckler, de Grote Voorzitter van het oprichtingscongres: Er is hiervoor maar één verklaring, namelijk dat de bestaande economische en sociale orde, als we al van orde kunnen spreken, in ieder geval in strijd is met de belangen van de werkende mensen. En iets later: Om de hun toegewezen taken en plichten te vervullen, zullen de vakbonden de middelen en methoden gebruiken die zij gemeen hebben. Dus, net als voorheen, zullen ze proberen de verschillen te verzoenen, voordat ze hun toevlucht nemen tot scherpere wapens zoals stakingen, enzovoort en ze zullen altijd proberen de algemene belangen van het volk niet te schaden.
Komt dit overeen met de ideeën van vakbonden waarvoor arbeiders na het einde van de oorlog onder illegale omstandigheden campagne voerden? Absoluut niet! De DGB is hiervan een goedkope imitatie, een creatie door 'de genade van God', of preciezer: de genade van de Bezetter. Zelfs Böckler moet dit een jaar na de oprichting van de DGB indirect toegeven: (.... ) dat we vandaag een deel goedmaken van wat er in 1945 in een andere vorm zou zijn gebeurd als de bezettingsmachten er niet waren geweest, hebben wij kunnen voorkomen. Wij streven ernaar om met evolutionaire middelen te bereiken wat in 1945 ongetwijfeld met revolutionaire middelen bereikt zou zijn.

Samenvatting
Vier jaar lang vond er een hevige strijd plaats tussen aanhangers van het idee van een democratische basisvakbond en de vertegenwoordigers van het oude idee van integratie en aanpassing. Vier jaar lang was er sprake van getouwtrek over de vraag of de nieuwe vakbonden een autonome tegenmacht moesten zijn of een regulerende factor in het uitbuitingssysteem. De aanhangers van dit laatste idee wisten deze strijd uiteindelijk te winnen met de hulp van de bezettende machten en de oude industriële baronnen.
De vuist van de arbeiders in Duitsland die in 1945 eerst voorzichtig werd geheven, maar zich daarna steeds meer concentreerden in massa-acties, werd tegen het einde gebroken. Hij verdween in ieder geval een tijdje in de zakken en achter de rug.
De DGB nam de taak op zich om de eisen van de arbeiders om te zetten in vragen en bedelen!
Van vuist tot bedelende hand!
Van alles naar niets, zoals Gerhard Beier, een kroniekschrijver van de DGB, treffend beschrijft: In de democratische reorganisatieplannen van 1945 waren de vakbonden alles, maar in de Basiswet van 1949 waren ze Niets. Het is één van de prestaties van Hans Böckler dat de vakbonden zonder illusies, zij het op strijdlustige wijze, in de staat en de samenleving van de Bondsrepubliek werden geïntegreerd.
De oprichting van de DGB betekent niet het einde van de klassenstrijd aan de basis. Van de vuist tot de bedelende hand: dit is een proces dat niet alleen plaatsvond tussen 1945 en 1949, maar zich tot op de dag van vandaag voortdurend herhaalt. Elk gevecht voor meer lonen, ook wel een 'loonronde' genoemd, is daar een voorbeeld van.
De te verwachten nederlagen mogen ons niet ontmoedigen. Onze vuisten blijven verschijnen, of we dat nu willen of niet, zolang de basisvoorwaarden van uitbuiting ons daartoe dwingen! Het idee van echte vakbondsactiviteit wordt voortdurend herboren en zal nooit door de DGB worden onderdrukt!
(1) Oorspronkelijke titel: Zum 75. Jahrestag der DGB-Gründung: Der andere Blick auf die Gewerkschaftsgeschichte. Wie die Faust in eine Bettelhand verwandelt wurde - Zur Entstehung des DGB nach 1945, 10 oktober 2024 - Gewerkschaftsforum
Uwe Gertz is een schrijvend vakbondslid, afgevaardigde geweest van IG-Chemie, IG-Metall en OTV/Verdi. Vertaling/bewerking: Roland Siebe.
(2) Gewerkschaftslinke
(3) Literatuur