Over de pensioenen
Kritiek Wetsvoorstel Toekomst Pensioenen
Emiel Stolp (1)
Deze notitie geeft aan dat het beleggingsbeleid dat is gebaseerd is op de huidige waardering van pensioenverplichtingen, heeft geleid tot grote verliezen op de vastrentende beleggingen en de rente derivaten die de Nederlandse pensioenfondsen hebben afgesloten. Deze verliezen vloeien voort uit een beleggingsbeleid dat de afgelopen jaren steeds meer is bepaald door het beheersen van de volatiliteit van de waardering van de pensioenverplichtingen. Op zichzelf is dit begrijpelijk, maar de kosten die hiermee gepaard gaan, zijn zeer aanzienlijk. Als de rente stijgt, zullen deze verliezen verder oplopen en de pensioenfondsen gezamenlijk gedwongen worden verder aandelen te verkopen om aan hun kasverplichtingen inzake die derivaten te voldoen.
De aanpak van dit probleem is des te urgenter, omdat de nadruk op vastrentende beleggingen die uit dit beleid voortvloeit, geen dekking biedt tegen de zeer snel oplopende inflatie. Vastrentende waarden geven alleen maar een nominale zekerheid en geen reële zekerheid. De komende tijd zal dan ook alle aandacht moeten gaan naar de grootste vijand van ieder kapitaal gedekt pensioenstelsel en dat is en blijft inflatie. Een inflatiegevaar dat momenteel door het IMF veel hoger wordt ingeschat dan door Nederlands autoriteiten.
Vertrouwen onder druk
In het nieuwe wetsvoorstel blijft de rentegevoeligheid, via het daarin geďntroduceerde beschermingsrendement, onverminderd groot. Deze rentegevoeligheid ondermijnt de doelstelling van de nieuwe wet, namelijk een koopkrachtig pensioen. Een te grote belegging in vastrentende waarden betekent dat pensioenspaarders de op termijn hogere rendementen van andere beleggingscategorieën (waaronder aandelen) mislopen. Daarnaast bieden deze beleggingscategorieën ook een betere bescherming tegen periodes van hoge inflatie.
De rente onzekerheden hebben ook grote invloed op de individuele uitkomsten van het zogenaamde invaren. De transitieperiode naar het nieuwe pensioenstelsel loopt tussen 2023 en 2027. Het is hoogst onzeker hoe in deze periode het verloop van de rente en de inflatie zal zijn. Ook een Commissie Parameters, hoe deskundig ook, zal daarop moeilijk een antwoord kunnen geven. Welke methode ook wordt gekozen voor het 'invaren', de deelnemers zullen de veelal complexe uitkomsten van deze transitie al snel ervaren als oneerlijk. Daarmee komt het vertrouwen van de deelnemers in ons pensioenstelsel sterk onder druk te staan en uiteindelijk ook de grondslag onder de huidige verplichtstelling.
Aanbevelingen
Deze beknopte analyse leidt tot een tweetal aanbevelingen. De eerste is om onder deze economische omstandigheden af te zien van het doorvoeren van de Wet Toekomst Pensioenen in de voorgestelde vorm. Dit omdat:
- De complexiteit van de nieuwe pensioenwet te groot is.
- De uitvoeringsproblemen onderschat worden. De pensioenfondsen zijn optimistisch, omdat ze zich gebonden voelen aan het Pensioenakkoord dat door de sociale partners is ondertekend.
- De overgang in één klap van een collectief naar een individueel pensioenstelsel onder de huidige economische en financiële omstandigheden voor veel deelnemers leidt tot pensioenuitkomsten die zeer ongewis zijn. Dat is een ongewenste situatie.
- De rentegevoeligheid van het nieuwe stelsel zeer groot blijft en de individuele toerekening van rendementen per leeftijd verschilt. Dit zal tot veel onbegrip leiden bij de deelnemers.
De tweede aanbeveling is de huidige rekenrentesystematiek aan te passen en te kiezen voor een meer stabiele rekenrente. Zodat pensioenfondsbesturen niet gedwongen zijn om rentebeschermingsmaatregelen te treffen, hetgeen de facto neerkomt op het speculeren op een rentedaling. Een dergelijke aanpak zal ook de impact van de inflatie kunnen mitigeren. Het echte grote probleem van onze pensioenfondsen.
De strekking van deze aanbevelingen is – 1 november 2022 – onderschreven door een groep van veertig ondertekenaars.(2)
Brandbrief met bezwaren
Deze ondertekenaars, ervaren bestuurders en pensioendeskundigen, hebben een brandbrief naar de Tweede Kamer gestuurd over de Wet Toekomst Pensioenen WTP. Hun belangrijkste bezwaren zijn:
- De wet is geschreven in een tijd van dalende rente en lage inflatie. Nu de rente stijgt en de inflatie torenhoog is, blijkt de wet van geen kant te voldoen.
- Zowel de huidige wet als de WTP zijn gericht op het zeker stellen van een nominaal pensioen. Dit dwingt pensioenfondsen om een groot deel van het pensioenvermogen te beleggen in lang lopende staatsleningen en rente derivaten. Dit maakt inflatiebescherming vrijwel onmogelijk. Dit door de De Nederlandsche Bank afgedwongen beleggingsbeleid heeft het afgelopen jaar geleid tot een verlies op de beleggingen van 400 miljard euro.
De extreme rentegevoeligheid van het Nederlandse pensioenstelsel wordt met de WTP niet opgelost. Die rentegevoeligheid is geen economische natuurwet, maar een gevolg van een aantal ondoordachte wetswijzigingen van na het jaar 2000. - De wet en de daarbij behorende rekenregels zijn veel te ingewikkeld. De uitkomst van de verdeelregels onder verschillende economische scenario’s is ook voor de deskundigen vaak een onaangename verrassing.
- Buffers zijn nodig om de pensioenuitkeringen te stabiliseren in een wereld van wisselende beleggingsresultaten. In de WTP worden die buffers juist grotendeels afgeschaft waardoor het pensioen van jaar op jaar sterk kan variëren.
- De wet zit nog vol technische fouten en wetsartikelen die in strijd zijn met wat de minister bij de behandeling in de Tweede Kamer heeft gezegd. Daardoor is er een groot risico dat het bij de invoering door de pensioenfondsen mis gaat en eindigt met eindeloze juridische procedures, omdat deelnemers niet het pensioen kregen waar ze recht op hebben.
De minister had maar één dag nodig om te antwoorden op een brief met 9 bladzijden fundamentele kritiek. Uit het antwoord blijkt ook nog eens dat ze de brief eigenlijk niet eens goed gelezen heeft. Het coalitie belang om deze wet snel door te drukken heeft voorrang boven de belangen van al die deelnemers en gepensioneerden die van hun pensioen afhankelijk zijn.
(1) Emiel Stolp is lid van het Ledenparlement van de FNV en een kritisch pensioendeskundige binnen de vakbond. Hij is mede ondertekenaar.
(2) Drs. Sonja Barendregt-Roojers, Anton de Bekker AAG, Jos Berkemeijer AAG, prof. dr. Dirk Bezemer, prof. dr. Roel Beetsma, prof. dr. Eduard Bomhoff, prof. dr. Wim Boonstra, mr. Jeroen van Breda Vriesman, dr. Gerrit Jan van den Brink RA, mr. drs. Elco Brinkman, drs. Rob de Brouwer, prof. dr Frank den Butter, drs. Maarten Dijkshoorn AG, prof. dr. Sylvester Eiffinger, drs. Arno Eijgenraam AAG, mr. drs. Gerben Everts RA, prof. Hans Gortemaker RA, prof. dr. Joop Hartog, mr. Gerard Heeres, drs. Han de Jong, dr. Angelien Kemna, mr. Flip Klopper, prof. dr. Kees Koedijk, dr. Jeroen Kremers, mr. Joop van Lunteren, Maarten Maas AAG, prof. dr. Robert van der meer, drs. Jelle Mensonides, drs. George Möller, mr. Frans de Néree tot Babberich, dr. Anton van Nunen. drs. Jan Pierik, Em. prof. dr. Bernard van Praag, drs. Peter de Ridder, drs. D.M. Sluimers, mr. Willem Stevens, drs. Emiel Stolp, drs. Kees Storm, dr. Jan Tamerus, prof. mr. dr. Cees Veerman, prof. dr. Casper de Vries, drs. Alex de Waal AAG, drs. Jos Werner, dr. Herman Wijffels.