welkom
extra
Solidariteit

Serie "Alles over de oudedagsvoorziening" - deel 1

De Algemene Ouderdomswet 1

Sjarrel Massop

De situatie rond de oudedagsvoorziening is er na drie jaar actie en discussie niet eenvoudiger op geworden. De terminologie met de technische begrippen doet veel mensen de strijd en het debat de rug toekeren. Het is een ver van mijn bed show geworden. Het is tijd de boel eens op een rijtje te zetten. De redactie van Solidariteit heeft daarom tot een reeks bijdragen besloten, hier de eerste.

Te merken is dat de afstand tot deze sociale voorzieningen versterkt wordt door het feit dat het voor het merendeel van de mensen nog vele jaren duurt voor het zo ver is. Toch is die stilte niet goed. Iedereen betaalt nu al mee of het nu de premie voor de AOW is of voor het aanvullende pensioen. Daarbij zijn de belangen erg groot. Het opbouwen van pensioenrechten door het betalen van premies vergt vele jaren. Het gaat om heel veel geld.
Is de discussie met het zogenoemde pensioenakkoord gesloten? Nee! Het is eerder de vraag of het in Nederland allemaal wel zo goed geregeld is. Ondanks de recente euforie, zijn er vele open einden. Ook is het onduidelijk wat er allemaal precies afgesproken is en wanneer de uitvoering rond is. Stap voor stap uitzoeken, is het minste wat we kunnen doen. Te beginnen bij de AOW.

Foto
Applaus in 1956 voor minister Drees.

Staatspensioen

De Algemene Ouderdomswet is het Nederlandse staatspensioen. Deze AOW is in 1956 ingevoerd. Daarvoor was er wel een (tijdelijke) noodwet. Komende jaar is de wet dus even oud als waar die oorspronkelijk voor bedoeld was. Namelijk om met 65 jaar te kunnen stoppen met werken en toch niet zonder inkomen te zitten.
De AOW is een algemene wet die voor elke Nederlander van toepassing is. Dat geldt zowel voor de verplichtingen als voor de uitkeringen. Elke Nederlander die woonachtig is in Nederland heeft met 65 jaar, wanneer hij of zij stopt met werken, recht op een AOW uitkering. Wie lang in het buitenland werkt, loopt een AOW breuk op van 2 procent per jaar. Mensen uit Suriname hebben daar last van. Tot de onafhankelijkheid waren ze 'gewoon' Nederlanders, daarna niet meer. Mensen die toch naar Nederland kwamen, worden dus vanaf de onafhankelijkheid tot hun komst hier gekort op hun AOW. Ook grenswerkers en expats kunnen met dat probleem te maken hebben.

Vanaf het moment dat iemand een inkomen of een eigen huis heeft en daar inkomen aan onttrekt, betaalt de betrokkene AOW premie. Dat is zon 18 procent van het bruto maandsalaris. De uitgaven voor de AOW zijn in de loop van de tijd gestegen. Op drie momenten is dat gebeurd. In 1965, toen er een forse verhoging van de uitkering doorgevoerd is. Daarna in de jaren tachtig met de stijging van de deelname aan de betaalde arbeid door vrouwen en daarmee haar recht op de AOW. Wel gold sindsdien een lagere uitkering bij 'partners'. De derde grote verhoging betrof de naoorlogse geboorte golf die rond 2010 begon en een generatie lang zal duren, tot uiterlijk 2040.

Rijkaards hoger belasten

De AOW lasten worden meestal in verband gebracht met het Bruto Binnenlands Product (BBP), dat is wat we gezamenlijk jaarlijks verdienen. In de beginjaren was dat naar verhouding laag, vanaf 1965 volgde een verhoging tot zon 4,5 procent die inmiddels vandaag is blijven hangen op een 6,5 procent. Ondanks de vergrijzing is onder invloed van een groeiend BBP een langzame daling van de totale AOW kosten te verwachten. Belangrijkste oorzaak: de stijging van de arbeidsproductiviteit. Er is voor economische groei minder arbeid nodig. Wanneer de hoeveelheid arbeid in een samenleving toch gelijk blijft gaat dus het BBP groeien. We produceren per persoon veel meer, waardoor we verhoudingsgewijs meer verdienen. Met als gevolg, wanneer iedereen trouw zijn of haar AOW premie betaalt, er meer geld binnenkomt dan er uitgekeerd moet worden. Dus maakt het de stijging van de gemiddelde leeftijd de AOW niet onbetaalbaar.
De arbeidsproductiviteitsstijging zorgt voor meer inkomen (BBP) en daarom ook meer AOW premie. Bij gelijkblijvende hoeveelheid arbeid stijgt de te innen premie. Hier speelt een politiek probleem. Vanaf 2002 stegen de bijdragen van de overheid stevig, omdat er meer uitgaven waren dan binnenkomende premies. Verontrustend is dat niet. De uitgaven aan AOW zijn de laatste jaren zon 36 miljard euro. Het verschil tussen premies en uitkeringen was in 2017 ongeveer 13 miljard euro. Een aannemelijke verklaring is dat we veel minder zijn gaan verdienen en dus minder premie betalen. De lonen zijn immers al geruime tijd niet gestegen.
Een nog betere verklaring is de arbeidsparticipatie. Het Centraal Planbureau was afgelopen week verrast dat ondanks de corona en economische crisis de werkloosheid niet opgelopen was. De schijn bedriegt. Zelf kwam het CPB ook tot die ontdekking. Heel veel jongeren hebben zich niet of kunnen zich niet als werkloos inschrijven. Dat is, omdat ze jonger zijn dan 27 jaar en of flexwerker waren. Veel jongeren betalen pas veel later of helemaal geen AOW premie, omdat ze informeel werken, dat wil zeggen geen arbeidscontract hebben.

Twee ballonnen in de vormen 6 en 5 Hiermee is het verschil tussen premie inkomsten en uitgaven van de AOW verklaard. Er is dus geen demografische reden, althans dat effect is relatief klein. Het probleem zit in een slechte arbeidsmarkt en als gevolg daarvan een lage arbeidsparticipatie. Dat gaat voor de overheid al snel leiden tot hogere kosten, omdat de AOW volgens het omslagstelsel werkt. Dat wil zeggen dat er niet gespaard wordt voor de oude dag. De premiebetalers van nu betalen de AOW van nu. Per maand ontvangt elke alleenstaande vanaf 1 januari 2021 een AOW van 1.218 euro. Samenwonenden krijgen elk 832 euro. Dat is voor iedere Nederlander gelijk, niemand uitgezonderd. Het is geen vetpot, maar er is van te leven. Er is echter wel degelijk sprake van sociale onrechtvaardigheid en dat probleem moet uiteraard aangepakt worden. Iedereen die meer dan 500.000 euro verdient, zou uitgesloten moeten worden van de AOW, zij hebben het niet nodig. Hun die AOW afpakken is wel symbolisch, het is veel beter deze mensen hoger te belasten - dat zou het gat van de 13 miljard euro snel dichten.

Volstrekt betaalbaar

Over het algemeen geldt dat de oudedagsvoorziening vanuit de staat de AOW, als eerste pijler van het stelsel een redelijk stabiel beeld vertoont. Vooral de verhouding tussen wat we in Nederland gezamenlijk verdienen en de kosten van de AOW geeft een beeld dat geen grote schokken vertoont. Het geklaag over een onbetaalbare AOW, vanwege de vergrijzing, is een ware mythe. Er gaat veel geld om in de AOW, maar het betreft slechts 6 procent van wat we gezamenlijk verdienen. Die verhouding gaat de komende jaren niet opzienbarend veranderen en zeker niet verslechteren.

Om die reden is er geen enkele aanleiding de AOW-leeftijd te verhogen. De voorstanders daarvan leveren spookverhalen. Zeker wanneer we kijken naar de arbeidsdeelname van ouderen en de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Zwaar werk is in veel situaties niet meer het zware fysieke werk onder onmenselijke arbeidsomstandigheden. Zwaar werk is psychisch zwaar geworden, in combinatie met onregelmatige, te lange fysieke belasting. Tegelijkertijd zien we door de flexibilisering dat het voor jongeren alsmaar moeilijker wordt zinvol werk te vinden.
Kortom, er zijn geen redenen voor een hogere AOW leeftijd, noch gezien de verhoudingen op de arbeidsmarkt, noch gegeven de belastbaarheid en helemaal niet vanwege de betaalbaarheid.


1 Zie voor aanvullende informatie over de AOW:
* David Hollanders en Harrie Verbon, De kosten van verlaging van de AOW-leeftijd naar 65 jaar of 67 jaar, Universiteit van Tilburg, 11 februari 2017. Pdf (180 Kb).
* Centraal Planbureau, Zorgen om morgen, CPB Visuele samenvatting vergrijzingsstudie december 2019. Pdf (220 Kb).
* Sociale Verzekeringsbank, De ontwikkeling van de AOW-uitgaven van 1957 t/m 2050, Augustus 2016. Pdf (370 Kb).
(terug)
S symbool