welkom
commentaren
Solidariteit

Solidariteit - Commentaar 418 - 11 oktober 2020

De sluipende afbraak van de wapenexportcontrole

Wendela de Vries

Terwijl de economische gevolgen van de corona-crisis zich nog ten volle moeten aandienen en de pot toch al minder vol zit door de Brexit, staat op de begroting van de Europese Unie een Europees Defensie Fonds van 7 miljard euro voor de periode 2021-2027. Dit geld staat ter beschikking aan de wapenindustrie voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten voor nieuwe wapens en militaire technologie.

Van een ethische toets bij de selectie van projecten is nauwelijks sprake. Dat kan problematisch zijn, omdat er bijvoorbeeld onderzoeken naar Kunstmatige Intelligentie voor militaire toepassingen op zoek zijn naar geld. Daar zitten veel onopgeloste ethische vraagstukken omheen, zoals in hoeverre 'big data learning' mag worden ingezet bij de bepaling van militaire doelen. Maar daarmee zullen de militaire onderzoeksinstituten niet lastig worden gevallen. Ook niet door het Europees Parlement, want dat heeft zich bij controle op de projecten buiten spel laten zetten: het mag alleen het totaalbudget en het algemeen beleid beoordelen.

Europees militarisme

Er moet nog een beslissing worden genomen over de toegang van derde landen tot de projectenpot, dat wil zeggen wapenbedrijven uit niet-EU-landen zoals de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Israël. Een aantal landen, waaronder Nederland, is van mening dat deze ook uit de subsidiepot moeten kunnen graaien, indien ze samenwerken met een Europees wapenbedrijf. Denk bijvoorbeeld aan samenwerking tussen het Nederlandse Stork/Fokker en het Amerikaanse megabedrijf Lockheed Martin. Vanuit de VS wordt de lobby hiervoor keihard gevoerd.

Er is jaren hard gewerkt aan het afbreken van het taboe op militaire financiering vanuit Europa. Wapenbedrijven en rechts georiënteerde politici moesten het politieke midden en de sociaaldemocratie overtuigen van nut en noodzaak van meer Europees militarisme. Voor het defensiefonds heeft de Europese Commissie rapporten laten opstellen over werkgelegenheidsgroei en grote technologische kansen die wapenproductie zou opleveren. De gegevens hiervoor werden aangeleverd door de grote wapenbedrijven die daarbij behoorlijk naar zichzelf toe rekenden. Ten behoeve van het Europees parlement zijn die rapporten omgezet in kleurrijke en simplistische 'info graphics', waarbij de gegevensbronnen al helemaal niet meer terug te vinden waren.

Vakbeweging

De vakbonden stellen zich weinig kritisch op tegenover dure militaire projecten. De wereldwijde vakbondsfederatie IndustriAll, waarbij de FNV en het CNV zijn aangesloten, wijdt op haar website enkele mooie woorden aan vrede, democratie en mensenrechten. Vervolgens gaat ze over op de werkgelegenheid die de militaire sector biedt, de interne en externe bedreigingen waaraan Europa bloot zou staan en de militaire investeringsplannen van de EU.

In Nederland zijn FNV noch CNV actief betrokken bij de promotie van het Europees Defensie Fonds door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, verschillende ministeries en de defensielobbygroep NIDV (Nederlandse Industrie voor Defensie en Veiligheid). Maar beide bonden hebben zich wel verenigd met werkgever Damen Shipbuilding in een convenant voor nieuwe Nederlandse onderzeeboten, waarmee ze de lobby voor dit geldverslindende megaproject een opkontje geven.

Nationale belangen

Voor wie niet overtuigd is van het belang van subsidie voor de wapenindustrie, is een mooi verhaal ontwikkeld over de inefficiëntie van de huidige Europese wapenproductie die de belastingbetalers in de lidstaten veel geld zou kosten. Er is in de wapenindustrie immers nog altijd veel versnippering. Het oer-kapitalistische proces van internationale schaalvergroting en accumulatie wordt in deze sector verstoord door nationale belangen. De wapenindustrie bestaat niet alleen om winst te maken voor eigenaren en aandeelhouders, maar ook om nationale krijgsmachten van wapens te voorzien en onafhankelijk te zijn van leveranciers uit het buitenland. Die krijgsmachten moeten de aanvoer van grondstoffen en brandstoffen voor de nationale economie kunnen beveiligen en desnoods afdwingen.

Vanuit de Europese Commissie wordt geprobeerd deze nationale oriëntatie te vervangen door een Europese. Het moet niet gaan om Franse, Zweedse of Nederlandse, maar om Europese wapenproductie waarmee Europese belangen kunnen worden verdedigd en de concurrentie met de rest van de wereld kan worden aangegaan. Dat zal goedkopere wapens en lagere defensiebudgetten geven, is het verhaal. Maar nu nog even niet, er moet eerst subsidie naar toe.

Wapenexport

Om investeringen in de wapenproductie terug te verdienen, moet geëxporteerd worden. Anders dan voor de VS is de thuismarkt voor Europese landen eigenlijk altijd te klein om de hoge kosten van wapenproductie winstgevend te kunnen maken. Daarbij staan de Europese Wapenexportregels de vrije markt in de weg. In het Europees Gemeenschappelijke Standpunt voor de export van militaire goederen en technologie is vastgelegd dat voor wapenexporten een vergunning moet worden aangevraagd bij de nationale overheid die vervolgens toetst of het land van bestemming netjes omgaat met mensenrechten en veiligheid. Verschillende Europese landen voeren die toets verschillend uit. Duitsland en Nederland, landen met actieve anti-wapenhandel bewegingen, nemen de wapenexporttoets serieus. Frankrijk lapt het hele systeem aan zijn laars. Dat is natuurlijk lastig bij een gezamenlijke wapenproductie als bij het Eurofighter gevechtsvliegtuig dat in samenwerking wordt gebouwd door bedrijven in verschillende landen.

In 2019 ontstond onenigheid over een order voor gevechtsvliegtuigen voor de beruchte schender van mensenrechten Saoedi-Arabië. Frankrijk wilde wel en Duitsland wilde niet exporteren. Het Duitse standpunt werd op hoog niveau aangevallen. De Franse minister van Defensie en Duitse directeuren van militaire bedrijven (waaronder Airbus) oefenden zware druk uit op de regering van Merkel. Na enkele maanden bakkeleiden, werd het conflict beslecht in het voordeel van de export. In het Frans/Duitse Verdrag van Aken, een soort vriendschapsverdrag vol wederzijdse goede intenties, is een clausule opgenomen waarin staat dat beide landen elkaars wapenexport niet zullen hinderen als het andere land minder dan 20 procent aandeel in het product heeft.

Hinderlijke mensenrechten

Ook Nederlandse wapenbedrijven ondervinden hinder van de - toch zeer magere - mensenrechtenbeperkingen die minister Kaag aan de wapenexport heeft opgelegd. In een recent rapport van de evaluatiedienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken De kloof gedicht? over de Nederlandse positie in het veiligheids- en defensiebeleid van de Europese Unie, wordt geadviseerd het idee van het Aken-verdrag over te nemen. Het Internationale Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) schrijft:
Nederland past de Gemeenschappelijk Standpunt-criteria strikter toe dan veel andere lidstaten. De Nederlandse defensie-industrie en het ministerie van EZK [Europese Zaken en Klimaat] zien dit als een potentieel risico voor deelname aan Europese consortia [samenwerkingsverbanden]. De gedachte is dat Europese partners geen samenwerking met Nederlandse bedrijven willen aangaan als daardoor het risico bestaat dat Nederland geen exportvergunning verleent voor het te ontwikkelen product.

Wapenexportbeleid is maar lastig. Overwegingen van mensenrechten en veiligheid hinderen de vrije markt. Deelname aan Europese samenwerking van defensiebedrijven is volgens de evaluatie-ambtenaren blijkbaar van groter belang dan voorkomen dat Nederlandse wapens gebruikt worden om mensenrechten te schenden of (regionale) instabiliteit te vergroten.
Het is niet te hopen dat de regering het IOB-advies overneemt. Nederland maakt vooral militaire componenten die in een ander land tot een compleet wapensysteem worden geassembleerd. Vaak maken de Nederlandse onderdelen minder dan 20 procent van de exportwaarde uit. Als Nederland het Verdrag van Aken navolgt, zal ons wapenexportbeleid voortaan bepaald worden door andere, meestal grotere Europese landen.

S symbool
Klik hier