Sjarrel Massop
In de brochure van het wetenschappelijk bureau van de FNV met de titel Positie en Strategie van de vakbeweging (2018), stuurden twee schrijvers, David Hollanders en Merijn Oudenampsen, aan op een kritische aanzet op de situatie waarin de vakbeweging was terechtgekomen door toedoen van het neoliberalisme.
Hendrik Noten van het nieuwe FNV bestuur, en ik Sjarrel Massop, lid van de sectorraad senioren van de FNV, vonden dat de discussie zo belangrijk en interessant was dat we bijeen gekomen zijn, om het debat over de toekomst van de FNV in gang te zetten.
Als eerste punt vinden we het belangrijk dat de gehele vakbeweging in de discussie over positie en perspectief meedoet. Ons debat is een eerste aanzet. Voor een grote ingrijpende verandering, die van fundamentele betekenis kan zijn voor de vakbeweging, is het betrekken van de leden heel erg belangrijk. Zij zijn de vereniging.
David Hollanders opende acht jaar geleden het debat over de financialisering van de (Nederlandse) economie. Het neoliberalisme heeft de verhouding tussen kapitaal en arbeid volledig op zijn kop gezet. De arbeid wordt meer en meer gemarginaliseerd in de samenleving.
Merijn Oudenampsen toont in zijn hele studie aan dat de consequentie voor overheid en vakbeweging desastreus zijn, omdat zij een obstakel vormen voor de marktwerking.
De overheid heeft een andere positie gekregen. De marktwerking betekent dat de traditionele rol van de overheid, de publieke taak, moest verdwijnen.
De tweede conclusie van Merijn was dat de arbeid, en dan vooral de organisatie van de arbeid die bij de vakbeweging ligt, volgens de neoliberalen opgedoekt moet worden.
De conclusie van Merijn acht jaar geleden was dat de vakbond het voortouw moest nemen voor verandering, op basis van een nieuwe positiebepaling van de vakbeweging. Hieruit kon een nieuw perspectief ontstaan, voor een nieuwe strategie is het nog te vroeg.
Wij, Hendrik en Sjarrel zijn bij elkaar gaan zitten voor een oriënterend gesprek om een aanzet te geven aan een breed debat over de positie en het daaruit volgende nieuwe perspectief voor de vakbeweging.
Sjarrel:
Merijn Oudenampsen spreekt de uitholling van de publieke functie van de overheid. Hij bedoelt daarmee dat de overheid door uitbesteding aan de markt, door doorgeslagen privatiseringen en door het loslaten van haar publieke taken, de grip op de publieke functie verloren heeft.
Hoe kunnen we die publieke functie herstellen, al of niet met de overheid, en hoe kunnen we mensen betrekken aan het vormgeven van hun eigen samenlevingen?
Hendrik:
De holle staat valt niet los te zien van het marktdenken dat de wereld sinds de jaren ’80 volledig overnam. De overheid zou nauwelijks ergens toe in staat zijn en kon maar beter alles uitbesteden. Decennia later betalen we met elkaar de prijs: zo veel kennis en kunde verdween uit de publieke sector dat de afhankelijkheid van 'consultants' schrikbarend is.
Om het eerste deel van de vraag te beantwoorden: we krijgen die staat alleen maar opnieuw gevuld wanneer we laten zien dat publieke waarden uit zo veel meer bestaan dan alleen de simpele rekensom op een excel-sheet. Zaken als veiligheid, goed onderwijs, bereikbaar openbaar vervoer (juist ook in dunner bevolkte gebieden) of de warmte van zorg voor elkaar zijn niet altijd in een prijskaartje te vangen. Maar we wéten dat ze ertoe doen toch? Daar mogen we – nee – daar móeten we voor staan. Juist als vakbond.
Dat wil overigens niet zeggen dat het omgekeerde ook waar is: dat publieke waarden alleen via de overheid beschermd kunnen worden. Ook zelf kunnen we onze samenleving vormgeven door ons juist weer te bemoeien met instituties. Neem de sociale zekerheid: zullen we de werknemersverzekeringen niet gewoon eens teruggrijpen als bond? Daar is geen overheid voor nodig. Die laat in ieder geval zien weinig belang te hechten aan de waarde van deze verzekeringen. Misschien heb je ook andere suggesties?
Sjarrel:
Je opmerking: Daar is geen overheid voor nodig!, spreekt me erg aan. Dat loslaten is wel heel erg moeilijk. Velen van ons zijn grootgebracht in de verzorgingsstaat. In het reëel bestaande socialisme was de staat ook dominant. Dat maakt voor velen het denken in oplossingen buiten de overheid om erg moeilijk. Het probleem is dat de markt die rol overgenomen heeft. Winst maken wordt belangrijker dan het leven en welzijn van mensen.
Met de sector senioren zijn we bezig geweest met een project Armoedebestrijding en tegen Bestaansonzekerheid. De landelijke overheid heeft dit uitbesteed aan lokale overheden, zonder daar voldoende middelen voor beschikbaar te stellen. Die lokale overheden geven de indruk meer bezig te zijn met controle op de misbruik van de beperkt beschikbare middelen, dan aan daadwerkelijke sociale hulpverlening. Dat geldt voor het hele rijtje taken dat je opsomde. Veel mensen in precaire situaties kampen met onzekerheid dat omslaat in schaamte en uitsluiting.
Het traditionele speelveld van de vakbond zijn de arbeidsvoorwaarden en een beetje de arbeidsomstandigheden. De arbeidsverhoudingen en vooral de arbeidsinhoud zijn helemaal naar de achtergrond verdwenen. Er werken meer mensen in Nederland zonder CAO dan met een goed arbeidsvoorwaardenpakket. De positie van de vakbeweging zou verbreed moeten worden, de samenleving is ook een samenspel van belangen die voor veel mensen ook niet standaard zijn.
Hendrik:
Wie oude foto's van onze beweging bekijkt, ziet zelden een onderhandelingstafel. Er staan fanfares op, wandelverenigingen, een omroep die het hele gezin bereikte, bibliotheken, vakantiekampen aan zee. De vakbond was niet alleen een instrument om hogere lonen af te dwingen, maar een plek waar mensen zichzelf en elkaar vonden én vormden. Wie lid werd, kreeg er een wereld bij.
Tijden veranderen, dat is geen geheim. Die wereld is grotendeels verdwenen. Wat overbleef is sterk en belangrijk: een vakbond die voor haar leden opkomt, van cao's tot rechtshulp. Samen maken we een groot verschil. Toch blijft het gevoel knagen: verworden we niet steeds meer tot een dienstverlener in plaats van een vereniging vol verenigingsleven? Dienstverlening kweekt klanten, geen leden. Ondertussen wordt het culturele leven van mensen elders georganiseerd: door platforms die van eenzaamheid een verdienmodel maken.
Misschien is nostalgie hier de verkeerde raadgever; de fanfare komt niet terug.
Misschien zit helemaal niemand meer te wachten op een aan de vakbond gelieerde omroep. Maar de vraag blijft: hoe ziet een hedendaagse variant eruit? Waar zou de vakbeweging vandaag in het leven van mensen moeten zitten, buiten het werk om? Welk perspectief is er?
Sjarrel:
We zijn aanbeland bij de vraag voor een nieuw perspectief. Dat is niet verwonderlijk met de vragen die we ons stellen.
Mijn vakbondservaring is begonnen met de Engelse Mijnwerkersstaking in 1984/85.
Ultieme kenmerk was de onderlinge verbondenheid van mensen in de strijd.
Sindsdien is mijn perspectief altijd een strijdperspectief gebleven. Dat is in de loop van de tijd in de praktijk sterk naar de achtergrond verdwenen. De gemeenschapszin moet terug, het is een specifieke vorm van solidariteit. Centraal staat de in de gemeenschapszin de verbondenheid. Die hunkering naar saamhorigheid, anders samenleven is vooral in Engeland heel sterk, Guy Standing spreekt over Plunder of the commons, het plunderen van de gemeenschappen. De vakbond kan bijdragen aan het herstel van de gemeenschappen, vakbondswerk aan de basis?, activerend vakbondswerk?
Er is een ander belangrijk aspect, dat is het verbinden van andere economische, politieke, ecologische en sociale strijd. Elke club is op het eigen veld aan het spelen, milieudefensie, vredesbeweging, woonbond, al die krachten zouden gebundeld kunnen worden.
Hoe kijk jij aan tegen het bundelen van de strijd onder leiding van de vakbond Hendrik?
Hendrik:
Strijd als vorm én instrument van solidariteit spreekt mij aan. In strijd zien we dat er iets op het spel staat. Dat we iets te verliezen én te winnen hebben. De grote uitdaging blijft om die strijd ook op de juiste belangen te richten. Het kapitalisme drijft deels op het vermogen om ons uit elkaar te spelen. Het vermogen om onze kleine verschillen uit te vergroten zodat we onze grote verbondenheid uit het oog verliezen.
Solidariteit is met andere woorden hard werken. Dat geldt ook voor de bredere ‘sociale beweging’. De vele organisaties die je noemt trekken uiteindelijk aan dezelfde kant van het touw. De vakbeweging heeft daar een belangrijke rol in te spelen omdat wij altijd proberen belangen te verbinden. Tegelijkertijd ligt er bij hen ook een verantwoordelijkheid: begrijpen dat wij voor de belangen van onze leden opkomen en dat ook zíj zich daarin moeten proberen te verplaatsen. Dat gaat vaak goed, maar het kan ook beter.
Het eerlijke verhaal is dat er geen toverformule voor is. Elke dag moeten we ons bewust zijn van de krachten die ons proberen te verdelen. Want ze zijn sterk.
Sjarrel:
De positie van de vakbeweging is verzwakt, de kloof tussen leden en hun eigen vereniging is groot, ze moet worden gedicht.
De vakbeweging heeft nog voldoende perspectief over om daar aan te gaan werken.
De tijd begint te dringen omdat de situatie voor veel mensen echt precair wordt.
Mijn persoonlijke perspectief blijft een strijdperspectief waarbij de vakbondsdemocratie uitermate belangrijk is. Werk aan de winkel!
Hendrik:
Er is reden tot hoop. Veel hoop zelfs. De hunkering naar saamhorigheid waar je over schrijft overstijgt de waan van de dag. Het zit diep besloten in wie we als mensen zijn. Maar dan zal de vakbeweging wel weer de verhalen van verbinding moeten kunnen vertellen. Laten zien en voelen dat we veel meer met elkaar gemeen hebben dan de machtigen ons graag doen denken. Daar moeten we mee aan de slag. Maar volgens mij laten de vele mensen die nu in actie komen voor de sociale zekerheid zien: dat kunnen we. Opkomen voor een groter verhaal van solidariteit.