Michel Eggermont
De FNV is in een nieuwe fase gekomen na de uitspraak van de rechter via de geraadpleegde Ondernemingskamer. De tijdelijke toezichthouders, Asscher en Heerts, kregen een verregaand mandaat om de 'FNV crisis' te bezweren. Ze presenteerden het plan Voor de toekomst.
Dat plan komt in het kort hier op neer: een door de Raad van Toezicht aangesteld bestuur zet het Ledenparlement om in een bondsraad met last en ruggespraak vanuit de sectorraden. Daarnaast zijn er drempels opgeworpen die het moeilijker maken een door de leden gekozen bestuur in plaats van een door de Raad van Toezicht aangesteld bestuur te krijgen. Hiermee lijkt de macht naar de sectoren geschoven te zijn, maar feitelijk kent de FNV nu een almachtige Raad van Toezicht.
In de nieuwe structuur is er een belangrijkere rol voor de sectorraden. Het is goed dat de sectoren meer greep krijgen op het beleid van de FNV. Daarmee moeten we ook kritisch naar het functioneren van de sectoren en haar sectorraden kijken. Veel sectorraden zijn ernstig onderbezet, waardoor enkelingen, zonder ruggespraak, de bondsraadsleden last kunnen opleggen.
Waarom zijn veel sectorraden onderbezet? Sectoren zijn binnen de FNV gebaseerd op historische ontwikkelingen die deels los staan van vakbondsvraagstukken. Daarom zitten bankpersoneel en schoonmakers in één sector, evenals hoveniers en werkers in de industrie. Maar het personeel van het Amsterdamse GVB en Keolis (bus- en treinvervoer) maken deel uit van verschillende sectoren. Daarbij zitten die van het GVB in één sector met ambtenaren op ministeries en die van Keolis samen met de werkers in de luchtvaart.
Dit betekent dat de meeste 'sectoren' willekeurig zijn samengevoegd. Daarnaast zijn ze feitelijk 'boven sectoraal', omdat ze niet voor dezelfde vraagstukken staan. In plaats van één boven sectoraal orgaan, zoals het ledenparlement, zijn er nu meerdere onderbezette, boven sectorale structuren gecreëerd.
Willen we de FNV opbouwen, dan kan dat alleen door de vorming van kaderorganisaties op de werkvloer. De vraag is wel: welke plaats hebben deze kadergroepen binnen de organisatie en hoe zorgen we ervoor dat hùn vraagstukken aangepakt worden?
Het afgelopen jaar was voor veel kaderleden, vanwege de opschorting van de bestuursverkiezingen en de uitspraken van de Ondernemingskamer, demotiverend. In de strijd tegen de wijzigingen van de structuur zijn meerdere kaderleden bijeengekomen, met leden uit het ledenparlement, mensen uit de werkorganisatie en anderen die zich niet konden vinden in de voorgestelde structuurwijzigingen. We hebben geld verzameld om onafhankelijk advies te krijgen over juridische procedures en een netwerk opgebouwd, waarmee we bespreken hoe we verder gaan.
Dit netwerk is ook verbonden aan de kaderleden die binnen de vakbond solidariteit organiseren, bijvoorbeeld rond Pawel Rudzki (Albert Heijn) en andere Poolse uitzendkrachten. Vanuit dit netwerk hebben we geprobeerd om amendementen bij de verschillende sectoren in te brengen voor het FNV-congres. Zo ook rond vraagstukken over oorlog of klimaat en over bestuursverkiezingen. Het netwerk kent nog geen duidelijke structuur en functioneert dan ook nog niet democratisch..
Conclusie: Twee stappen achteruit met een aangesteld bestuur en obstakels om een gekozen bestuur voor elkaar te krijgen. Drie stappen vooruit met de opbouw van een kaderorganisatie op de werkvloer, een pleidooi voor een interne organisatie via een sectorindeling op grond van vakbondsvraagstukken en voor een democratische verkiezing van het bestuur.