welkom
boeken
inhoud

Wil van Kempen was één van de Indonesië-weigeraars die in maart 1949 in dienst kwam. "Als je met honderd Indonesië-weigeraars praat, zou je honderd verschillende verhalen te horen krijgen. We hebben allemaal hetzelfde en toch allemaal iets anders meegemaakt", aldus Wil van Kempen.
Verbonden werden ze wel door de straf die de Krijgsraad oplegde. Voor de één iets minder dan voor de ander, ook daarin willekeur.
Van Kempen kreeg twee jaar en negen maanden. Daarvan zat hij twee jaar cellulair.

Van Schoonhoven naar Nieuwersluis en weer Schoonhoven

"In de zomer van 1952 kwam ik vrij. Samen met Nico de Pater, m'n maat. We hadden samen gevangen gezeten, soms bij elkaar, soms apart. Vaak alleen in de cel. Dan weer hier, dan daar, zowel Nico als ik hebben wel op tien, nee, twaalf verschillende plaatsen gezeten.
M'n laatste dag brachten we weer samen door. In Vught. Maar de avond ervoor werden we overgebracht naar het Huis van Bewaring in Den Bosch. Dat was de laatste pesterij, want m'n moeder was niet gewaarschuwd, die stond de volgende morgen dus voor niks voor de poort van Vught.
Ze was er trouwens niet alleen, er was een uitgebreid welkomstcomité...
Die morgen had ik er twee jaar en zeven maanden opzitten, twee maanden gratie van het huis.

Ik ben in september 1949 voor het huis van m'n moeder gearresteerd en met boeien om naar de marechausseekazerne in de Jennerstraat in Amsterdam gebracht. De cel was klein, ik kon net naast m'n brits staan.
Op mijn tenen kon ik wel een deel van de straat zien. Het was zo'n nazomerse dag, nog lekker warm en alleen in die cel drong 't tot me door dat ik de eerstkomende tijd niet buiten zou komen. Ik vond het een verschrikkelijke gedachte. Aan de andere kant had ik ook het gevoel dat ik alles kon doorstaan.
Ik las wat andere arrestanten op de muur geschreven hadden, telde de letters. Iedere letter is een maand gevangenisstraf, dacht ik nog. Die voorspelling is trouwens aardig uitgekomen...
Begin maart 1949 was ik opgeroepen en na de keuring ingedeeld bij de stoottroepen. Maar in de zomer, toen de onderhandelingen over soevereiniteit van Indonesië begonnen, dacht ik dat ik niets meer te vrezen had van uitzending naar de tropen. Ik had het dus mis. Ze wilden me eigenlijk nog met een laatste boot naar Indonesië sturen. Ik dook onder.
Ik heb een week in die Amsterdamse cel gezeten. Daarna werd ik overgebracht naar Schoonhoven. Na de gebruikelijke formaliteiten kwam ik in een ruimte terecht die vroeger gebruikt was als paardenstal. Toen ik er binnenkwam, zaten er al zeven weigeraars. De volgende dag werden er een paar bijgebracht. Voor de week om was, zaten we met z'n dertienen in die stal waar boven de deur het bordje 'geschikt voor drie personen' hing.
Er stond een soort verhoging die als brits had gediend voor hooi, daar konden officieel drie man slapen. Wij lagen er met vijf man op, eronder nog eens vier en de andere vier moesten op de vloer liggen. Om de dag ruilden we van plaats. Met ons dertienen hadden we de beschikking over vier etensblikjes en vier vorken. Er was een klein raam dat niet veel licht doorliet. Op een gegeven moment werd het ook nog geblindeerd.
De eerste dagen konden we ons niet wassen. Luchten was er ook niet bij. Pas op het eind van die eerste week mochten we strozakken en dekens halen. Onder gewapende geleide, dat wel. Ik wilde naar m'n moeder schrijven, maar dat werd verboden.
De stemming in de cel was niet zo best. Het was een benauwde troep, je stikte haast van het stof van die strozakken, het was er donker en muf, we zaten allemaal in over de straf die boven ons hoofd hing. Ik dacht aan m'n moeder, aan m'n meisje. Ik miste het gewone leven, de warmte ervan... En het eten. Nou zaten we daar, omdat we her-op-ge-voed moesten worden. Zo noemden ze dat en dan hoor je natuurlijk niet te verlangen naar de gebakken aardappeltjes van je moeder, nietwaar?

Iedere dag werden er namen afgeroepen van weigeraars die voor het opperhoofd van het kamp moest verschijnen, luitenant Van Kaam.
Hij had de schone taak ons te overtuigen toch maar op de boot te stappen, naar Indië, zo noemde hij dat nog. De luitenant beschikte over een arsenaal van argumenten, er waren jongens die een gevangenisstraf van vijftien jaar in het vooruitzicht werd gesteld. Toen ik moest opdraven, was meneer blijkbaar in een milde bui, hij vroeg of ik wist dat er op desertie zeven en een half jaar eenzame opsluiting stond. Ik heb hem maar laten lullen, want ik had al een paar keer gezegd dat ik er niet over peinsde om soldaatje te gaan spelen in een ander deel van de wereld.
Het is je plicht om te gaan, de jongens in Indië moeten afgelost worden. Ik antwoordde dat die aflossing voor rekening van de regering was, die had die jongens uitgezonden en die moest maar zorgen dat ze terug kwamen. De luitenant barstte van kwaadheid, maar ik mocht terug naar m'n riante onderkomen, de paardestal.
Een paar dagen na het gesprek met de luitenant kreeg ik bevel om me klaar te maken voor transport. Met twintig andere Indonesië-weigeraars werden we in een vrachtwagen geduwd en bij die gelegenheid zag ik een sergeant-majoor van m'n eigen onderdeel terug. Dries, een fijne vent die in het burgerleven onderwijzer was. Later heb ik gehoord dat hij niet meer voor de klas mocht staan toen hij z'n straf had uitgezeten.
Foto
Zomer 1952 kwamen Wil van Kempen en Nico de Pater vrij
We werden naar Rotterdam gereden. We stopten voor een groot gebouw. Alleen Dries moest eruit. Wij werden bewaakt, Dries verdween onder bewaking door de deur van dat gebouw. Hij kwam er ook weer uit.
Hij stapte weer in en vertelde grijnzend dat hij voor de auditeur-militair had moeten verschijnen en dat diens laatste woorden geweest waren dat hij, 'Dries zus en zo, nummer dit en dat, rang sergeant, een schande was voor het Nederlandse leger.'
Onder de rit heeft hij de strepen van z'n mouw gescheurd.
We werden die dag afgeleverd bij het Rotterdamse Huis van Bewaring. Weer moesten we onze naam, nummer en rang opgeven en na het afnemen van vingerafdrukken werden we naar een zaal gebracht waar, naast deserteurs en dienstweigeraars, ook een enkele crimineel bivakkeerde. Het regime daar was milder dan in Schoonhoven. We werden gelucht op het dak waar een soort kooi gemaakt was. Tijdens het luchten mochten we ook een sigaretje roken ... als je je peuk maar inleverde. Overdag moesten we zakjes plakken, enveloppen maken.
In Rotterdam mochten we ook voor het eerst naar huis schrijven. We kregen weer veel bezoek van geestelijken, die zonder uitzondering pogingen deden ons te bekeren, dat wil zeggen dat ze alles deden om ons te bewegen terug te komen op de dienstweigering. Die gasten strooiden nog royaler met straffen dan de militaire autoriteiten. Als je tevoren nog een geloof had, verloor je het daar op slag.

In Rotterdam hebben we een paar weken gezeten, daarna werden we overgeplaatst naar het strafkamp Nieuwersluis. Het consigne bij de overdracht daar was van hetzelfde laken een pak: streng arrest, zorg dragen dat ontvluchten onmogelijk is. Ik werd gefouilleerd, geregistreerd en naar een met prikkeldraad omgeven barak gebracht. Buiten ons ploegje zaten daar al meer weigeraars en deserteurs.
De meesten zaten of hingen wat rond, het was een mistroostige rotzooi.
Diezelfde avond besloten we een soort kern te vormen, zoals je dat in die tijd ook in bedrijven had. Een soort commissie die ervoor moest zorgen dat onze omstandigheden zouden verbeteren. We stemden erover met handopsteken.
Toen dat zover was, liepen enkele bewakers met hun gummistok spelend rond. Maar die intimidatie maakte al geen indruk meer. De hele ploeg stak de hand op. Zes man werden gekozen, onder wie Nico de Pater, Dries en ikzelf waren. De volgende ochtend bespraken we wat er veranderd zou moeten worden. Tot dan zaten de jongens 24 uur in de barak, van luchten was geen sprake. Op ons verlanglijstje stond dus: luchten, sigaretten, het recht om naar huis te schrijven, lectuur, dam- en schaakspelen.
Het leven in de barak werd daarna dragelijker, want de leiding van Nieuwersluis willigde onze wensen in. We zouden gelucht worden, we mochten roken en naar huis schrijven.
De kern zorgde ook voor orde in de barak, we verdeelden de karweitjes, legden ruzies bij.

Portretfoto
Wil van Kempen, 1995 - foto Yvonne Alkemade
Op een gegeven moment kregen we bezoek van de commandant van het kamp, Van Randwijk. Hij verzocht om stilte, want hij had ons iets te vertellen. De aalmoezenier stond aan de voorzijde van de barak, de bewaking ernaast. De kapitein sprak lang, maar met ieder woord werden wij ongeruster. Het lange verhaal kwam erop neer dat de legerleiding besloten had ons alsnog de kans te geven naar Indonesië te gaan. Alle bezwaren onzerzijds waren onderzocht en we waren 'Indië-bereid' verklaard. In die lange woordenbrij ving ik ook nog op dat we op kwijtschelding van straf konden rekenen als we zonder moeilijkheden op de boot zouden stappen.
Het laatste wat we te horen kregen, was dat we binnen twee dagen naar kamp Schoonhoven teruggebracht zouden worden en dat we daar ook gelegenheid zouden krijgen afscheid te nemen van onze familie voor we met de Zuiderkruis naar Indië zouden varen...
Dat was het zo ongeveer. We zouden bij wijze van gunst, tegen onze wil, alsnog uitgezonden worden.
We waren eerst verbijsterd, daarna verontwaardigd. Er was ook verwarring, we liepen elkaar in de weg, er werd geschreeuwd en gevloekt, één van de jongens gaf over. Een ander kwam huilend raad vragen. Ik zei: 'Als je niet wil, ga je niet.' De kapitein verdween. De geestelijke ook.
De kern besloot een telegram te sturen naar de minister van Oorlog. Dat was toen Schokking. Voor we dat deden, hadden we wel gevraagd wie bereid was alsnog naar Indonesië te gaan.
Wie zou gaan, moest zich links opstellen, en anders rechts. Iedereen ging aan de rechterkant zitten. Dat was een moeilijke beslissing. Ik kan het me nu niet meer voorstellen, maar ze hadden ons beloofd dat we in Schoonhoven bezoek van onze familie zouden krijgen. Ik zelf dacht aan m'n moeder...
Maar alle jongens gingen akkoord. Vanuit de kern werd een delegatie samengesteld die naar de kampcommandant ging met de boodschap dat we het verdomden om naar Schoonhoven te vertrekken.
We kwamen in de barak terug en hebben als kern voorgesteld allemaal onze rangtekens van ons uniform te tornen. Als protest dus tegen de pogingen ons als soldaat naar Indonesië te sturen. Ik had er moeite mee om die dingen van m'n mouwen te krijgen, totdat een bewaker-sergeant me daarbij hielp met zo'n klein zakschaartje. Dat is me altijd bij gebleven.

We kregen papier en potloodjes, want we mochten naar huis schrijven. Ik schreef dat ik niet naar Indonesië zou gaan.
De wachten rond onze barak waren inmiddels al uitgebreid en tegen de nacht werd er een schijnwerper op gezet. Die nacht sliepen we onrustig.
De volgende morgen kregen we bezoek van twee geestelijken. Die moesten waarschijnlijk nog een laatste poging doen ons te overtuigen. Later kwam de kapitein. Die dacht ons te breken door te vertellen dat de weigeraars van kamp Schoonhoven allemaal toegezegd hadden dat ze zouden inschepen. Wij geloofden er niks van.
Na het middageten kwam hij weer terug. Hij gaf order dat de kernleden naar voren moesten komen. Wij gingen nietsvermoedend naar voren. 'Ik beveel jullie die deur uit te gaan.'
We deden of we niks gehoord hadden. Hij herhaalde het bevel nog twee keer, daarna deed hij de deur open en op datzelfde moment stormden een groep onderofficieren met gummistok zwaaiend de barak in. Wij renden naar het achterste gedeelte van onze barak. Een paar jongens stonden totaal verbouwereerd tussen hun bedden. Een jongen, die een kop kleiner was dan ik, ging voor me staan. De dominee en de pastoor, die ook weer van de partij waren, riepen dat we kalm moesten blijven, dat we ons niet moesten verzetten... Een paar jongens kregen een zenuwaanval, er werd gevloekt en geschreeuwd. Aan beide kanten.

De kapitein was op een bank gaan staan en wees de leden van de kern aan. 'Die en die en die...' , we werden gegrepen. Eén van ons hield zich vast aan een spijl van het bed. Hij werd met de gummistok op z'n handen geslagen, zodat hij losliet, ze sleurden hem over de grond naar de deur en daar werd z'n bril van z'n gezicht gemept. Ik geloof dat ik op dat moment nog geroepen heb 'vuile fascisten' of zoiets.
We werden stuk voor stuk gegrepen. Ze draaiden je armen op je rug en dan kreeg je je portie.
Buiten de barak stond Militaire Politie. We werden naar de cellenbarak gebracht, erin gegooid. Het waren cellen van twee bij twee, zonder bed, zonder raam, zonder stoel. Ik ben op de betonnen vloer gaan zitten. Op het moment voelde ik geen pijn. Misschien is dat vreemd, maar ik had eerder het gevoel dat ik het wel zou volhouden. We zaten allemaal apart, maar we hoorden Nico zingen: 'Zij die bukken voor de slagen, en berusten in het gareel, alle smaad en hoon verdragen, blijft de slavernij ten deel.' Een ontroerend moment. Toen heb ik ook effetjes gejankt. Ik had ik er een maand opzitten.
De volgende morgen werden wij, de zes kernleden, door een militaire vrachtauto opgehaald. We mochten niet boven de laadbak uitkijken, moesten op de grond zitten. Van één van de bewakers heb ik onderweg nog een pepermuntje gekregen. We werden afgeleverd in Schoonhoven. Daar zou opnieuw de hel losbreken."