welkom
boeken
inhoud
Boek "Er waren er die NIET gingen"

Van suikerfabriek naar suikerfabriek

Operatie Product

"Er komt een punt dat lankmoedigheid ophoudt een deugd te zijn." Met deze woorden maakte minister-president Beel op 20 juli 1947 voor de radio bekend dat besloten was tot de eerste 'politionele actie'.
Drie maanden na ondertekening van het akkoord van Linggadjati kreeg de Republik Indonesia een telegram dat binnen 24 uur gewapend zou worden opgetreden.

Het akkoord werd opgezegd. Tevoren had de Republiek nog geprobeerd geschilpunten bij te leggen door arbitrage. "Men moet daarom wel tot de conclusie komen dat de bereidwilligheid om te onderhandelen aan Nederlandse zijde niet langer bestond", concludeerde historicus Smit in 1975 voor een gehoor van geschiedenisleraren. 1
Als alibi voor het besluit verklaarde Den Haag dat de Republikeinse leiders zich niet aan de afspraken hadden gehouden. Dat was geen wonder, want in feite betekende het akkoord van Linggadjati voor de Republiek dat ze de in 1945 uitgeroepen onafhankelijkheid wel kon vergeten. Buitenlandse betrekkingen bijvoorbeeld werden niet toegestaan. Ondanks het verbod had de Republiek haar diplomatieke betrekkingen wel al, en met succes, uitgebreid en was Indonesië in feite erkend door de VS, Engeland, Australië, China en de Arabische landen. De Republiek wilde voorts niets weten van een door Nederland voorgestelde gemeenschappelijke gendarmerie. Handhaving van rust en orde op Republikeins gebied werd gezien als taak van de Republiek en van haar alleen.
De militaire top, generaal Spoor, vice-admiraal Pinke - de eerste had al met ontslag gedreigd als niet overgegaan werd tot militair optreden - werd door Den Haag op haar wenken bediend. Overigens had het Nederlandse leger ver voor die eerste politionele actie al een try-out gegeven. Op 6 januari 1947 begon de commandant van het eerste eskadron pantserwagens in Medan (Sumatra) zuiveringsacties, nota bene binnen de door generaal Spoor 'himself' vastgestelde demarcatielijn. 'Uiteraard' werden door het groots opgezette offensief niet alleen drie nieuwe posten bezet, maar werd meteen de bestaande demarcatielijn uitgebreid.
In Palembang op Java was hetzelfde gebeurd. Daar eiste de Nederlandse commandant dat de Republikeinen niet alleen de stad, maar tevens een gebied binnen een straal van twintig kilometer moesten ontruimen. "De Republikeinen, geïntimideerd door het eerdere optreden, gaven hieraan gevolg. De Nederlandse troepen trokken vervolgens binnen." 2
Ook in Buitenzorg was het Nederlandse leger actief geweest. De commandant daar - kolonel Thomson - had geprobeerd zijn positie binnen en buiten het demarcatiegebied te versterken. "Op zee liet Pinke zich intussen evenmin onbetuigd. Begin januari 1947 boorde een Nederlands marineschip bij Cheribon een Republikeins schip de grond in. Het leek erop of Van Mook de militairen carte blance had gegeven." 3

De door de regering Beel uitgeroepen 'politionele actie' van juli 1947 kreeg een toepasselijke naam mee, Operatie Product. Minister-president Beel deelde het sein tot de aanval aan de Tweede Kamer mee: "De actie is aangevangen: te middernacht van 20 op 21 juli, Javatijd."
De marsroute van het leger was gericht op het terugwinnen van de gebieden die economisch belangrijk waren. De militaire opmars had dan ook veel weg van een tocht van suikerfabriek naar suikerfabriek...
Militair gezien was Operatie Product een succes.
In een week waren "belangrijke gebieden die voedsel en exportgewassen produceerden" weer onder Nederlandse controle. Meer dan duizend ondernemingen lagen binnen de door de Nederlandse troepen bezette gebieden. "Het duurde wel even voordat de plantagegebieden tot productie kwamen en de opbrengst een redelijk peil bereikte. Men loste dit echter op door de goudvoorraad van de Javasche Bank te verkopen." 4
W. Drees, die in het kabinet Beel de post van Sociale Zaken beheerde, schreef in zijn memoires het een "begrijpelijke maar een onjuiste gedachte" te vinden dat het in de eerste politionele actie de bedoeling zou zijn om het kolonialisme te handhaven, het ging er slechts om de voedselvoorziening te waarborgen en om betere mogelijkheden te scheppen voor een economisch herstel. 5

Maar het succes van de operatie leverde tevens de grootste moeilijkheden op. "Te veel kilometers, te weinig soldaten. Dus moeten de Nederlandse militairen onophoudelijk en rusteloos patrouilleren. In zwaar terrein, door vreemde dorpen, over bruggen en paden, of juist niet, als er misschien mijnen liggen op de ver sperde wegen. Terwijl ze zelf altijd de kans lopen in een hinderlaag te vallen, moeten ze bij de boeren in de desa's en kampongs de indruk wekken dat het Nederlands gezag bescherming en veiligheid biedt." 6
De Nederlandse soldaten, die de marsroute van het Nederlandse leger naar de gebieden waar de ondernemingen gevestigd waren, meemaakten, omschreven de mars later niet zonder cynisme 'als een nogal lange wandeling'.
In Nederland kreeg de radioluisteraar enthousiaste verslagen. "Als teken dat de vrede in zijn kampong is teruggekeerd hangt de desaman een kooitje met een tortelduif op. Mieters, hè, zo'n duifje?! Kom, we gaan maar weer verder."

Foto zaal
Op 24 juli 1947 protesteerden meer dan 20.000 mensen tijdens een door de CPN georganiseerde meeting in de Amsterdamse Rai tegen de koloniale oorlog - foto Ben van Meerendonk AHF/St. IISG
 

Het plan om 'door te stoten naar de pesthaard Yogyakarta', waarop zowel door Van Mook als generaal Spoor aangedrongen was, ging niet door. "De ministers, die tot de Partij van de Arbeid behoorden, achtten het niet mogelijk daarvoor medeverantwoordelijkheid te dragen", aldus Drees.
Bezetting van het regeringscentrum van de Republik Indonesia zou namelijk nooit goedgekeurd worden door socialistische zusterpartijen en vooral niet door die partijen die regeringsverantwoordelijkheid droegen, zoals de Britse Labour Party.
Ook het NVV werd ingeschakeld en kreeg opdracht buitenlandse vakbonden te bewerken, zodat zij boycotacties van Nederlandse schepen door havenarbeiders zouden verbieden.
Het eerste Nederlandse schip dat door de Australische vakbond van transportarbeiders al geboycot was, heette de Van Heutsz, die in 1945 de leden van de Nefis (Netherlands Forces Intelligence Service) van Brisbane naar Indonesië moest brengen. De inlichtingenofficieren, onder wie het hoofd van deze dienst, generaal Spoor, moesten zodoende hun bagage zelf aan boord sjouwen.
De boycot - in Australische termen Black Armada - was gericht op Nederlandse schepen die bestemd waren om na de Japanse nederlaag troepen en wapens uit Australië naar Indonesië te brengen. De schepen werden besmet verklaard, toen men merkte dat de wapens gebruikt zouden worden tegen de jonge Republik Indonesia. Aan deze Black Armada hebben in Australië verblijvende Indonesische ballingen deel gehad.
"In 1942 hadden de Nederlanders een vijfhonderd ballingen, die in Boven Digul waren geïnterneerd - velen van hen sinds de opstand van 1926-1927! - naar Australië overgebracht. In Australië aangekomen sloten de Nederlanders de Indonesiërs meteen op in kampen, onder het voorwendsel dat zij evenals Japanse krijgsgevangenen vijanden waren van de Geallieerden. Maar twee van de gevangenen slaagden erin tijdens het transport briefjes in het Engels in handen van Australische arbeiders te spelen. De Australische pers en vakbeweging werden actief en de Nederlanders werden gedwongen de ballingen vrij te laten. De Indonesiërs, waaronder vele leden van de PKI (de communistische partij van Indonesië) waren al voor de Japanse nederlaag overtuigd, dat hun land na het einde van de oorlog onafhankelijk zou worden. 7
Een aantal van hen werd na de bevrijding weer opgesloten door de Nederlanders, gelijk met Indonesische schepelingen die geweigerd hadden met Nederlandse schepen uit te varen. Met hulp van de Australische pers en vakbonden kregen zij tenslotte toestemming om naar de Republik Indonesia te gaan. "Wat daarbij opvalt is hoe een groep van onvrijwillige 'emigranten' in staat is gebleken de ontwikkelingen in hun land op effectieve wijze te beïnvloeden. Dit konden zij bereiken door een grote onderlinge eensgezindheid, en door de moed om represailles van Nederlandse zijde, en, bij tijden, ernstige tegenwerking van officiële Australische instanties, te trotseren." 8

Op het moment van de Black Armada bevond de Nederlandse cineast J. Ivens zich in Australië. Hij had begin 1945 van de Nederlandse regering de opdracht gekregen een documentaire te maken in Indonesië. Nadat duidelijk was geworden dat de omstandigheden radicaal veranderd waren, heeft Ivens de opdracht teruggegeven. In plaats daarvan nam hij de acties van de Australische dokwerkers op. Ivens schreef daarover later: "Ofschoon de Nederlandse regering pogingen deed mij uit Australië te laten deporteren, kreeg ik de toezegging van de Australische minister van Informatie dat ik net zo lang in Australië mocht blijven als ik wilde. Vanuit het raam van mijn kamer kon ik het begin van een indrukwekkende stakingsactie in de haven van Sydney zien. Nederland had een groot aantal schepen in de Australische havens liggen met wapens en ammunitie om in Indonesië te interveniëren. Deze schepen waren bemand met Indonesische zeelieden. Deze gingen in staking en weigerden de Nederlandse schepen naar Java te varen. Veertien Australische vakverenigingen van dokwerkers weigerden op die besmette schepen oorlogsmateriaal te laden. Daarna sloten zich de Chinese, Australische, Maleise en Indiase zeelui bij de staking aan. Een daad van internationale solidariteit met de onafhankelijkheidsstrijd van het Indonesische volk.
De gefilmde acties vormden de eerste anti-koloniale film van na de oorlog: Indonesia Calling. De film werd uit het niets geschapen." 9
Nadat de film van Ivens was uitgebracht, trok de Nederlandse regering zijn paspoort in. Hij werd als persona non grata beschouwd. Dertig jaar later werd Ivens in zijn woonplaats Parijs gehuldigd door de toenmalige minister Brinkman. Hij overhandigde Ivens de grote culturele prijs het "Gouden Kalf" en stelde een ton beschikbaar om diens archief te ordenen. Daarbij sprak Brinkman de opmerkelijke woorden: "Ik constateer dat de geschiedenis U meer gelijk heeft gegeven dan uw toenmalige opponenten."
In de geboortestad van Ivens, Nijmegen, werd enkele jaren geleden een plein herdoopt in Joris Ivensplein.

Naar aanleiding van deze rehabilitatie van de wereldberoemde cineast merkte de historicus G. Harmsen tijdens een in 1988 gehouden reünie van Indonesië-weigeraars in Dronten op: "Maar hoe staat het nu met de vele politieke geestverwanten van Ivens uit de jaren 1945-1949 die in zijn schaduw staan? Zij waren met hem van mening dat elk volk recht op zijn vrijheid heeft."


Noten

1 C. Smit, De dekolonisatie van Indonesië, Groningen 1976. (terug)
2 J.J.P. De Jong, Diplomatie of strijd, Meppel 1988. (terug)
3 Idem. (terug)
4 Idem. (terug)
5 W. Drees, Zestig jaar levenservaring, Amsterdam 1962. (terug)
6 C. v. Heekeren, bewerking NOS-documentaire, Den Haag-Franeker 1985. (terug)
7 W.F. Wertheim, Informatiebulletin voor Zuid-Oost Azië, januari 1983. (terug)
8 Idem. (terug)
9 J. Ivens, Autobiografie van een filmer, Amsterdam 1970. (terug)