Het doel heiligt kennelijk alle middelen
Edelgermanen tussen dienstplichtigen
Van de dienstplichtigen die in Indonesië geweest
waren, is het grootste deel na 1950 afgezwaaid en thuis. Daaronder ook
SS-ers die in 'Indië' gevochten hadden tegen de Republiek. Zoals onder
meer blijkt uit memoires van de ex-inlichtingenofficier Brijnen van Houten,
waarin hij opmerkt dat de Legerleiding honderden (hij noemt 548 man) ongezuiverde
SS-ers aan het leger overzee "tussen dienstplichtigen kon mengen, met alle
gevolgen van dien. De publiciteit rond wijlen - onbestraft gebleven - kapitein
Raymond Westerling dekte het optreden van deze racistisch geschoolde edelgermanen,
die reeds intern door Nederlandse bisschoppen waren aanbevolen, keurig."
1
Dat de regering SS-ers als militair naar Indonesië heeft gestuurd,
is al eerder openbaar gemaakt door C. van Esterik in een artikel dat in
1984 in NRC Handelsblad verschijnt. Van Esterik schrijft daarin: "Een extra
macaber trekje wan de geschiedenis is dat het Nederlandse leger in Indonesië
soldaten bevatte, die nog maar even tevoren hun leven op het spel hadden
gezet ter verdediging van het rijk van Adolf Hitler." Een ex-officier van
het KNIL bevestigt in het artikel dat SS-ers deel uitmaakten van het leger
dat 'orde en rust' in Indonesië moest brengen.
"Tijdens de eerste politionele actie was ik als KNIL-militair gedetacheerd
bij de 1ste Infanteriebrigadegroep van kolonel Thomson, een onderdeel van
de 7-december divisie. Dat waren verse troepen uit Nederland, die nog nooit
in Indië hadden gevochten. KNIL-militairen zoals ik, met veel kennis
van land en volk, waren aan de troepen toegevoegd om ze wegwijs te maken
in Nederlands-Indië.
Tijdens die actie, met als einddoel Sukabumi, kwam ik in de buurt van
Tjibadak in contact met een compagnie van het onderdeel Grenadiers en Jagers
onder commando van baron Taets van Amerongen.
Op een dag zag ik de soldaten van de compagnie bezig met ochtendgymnastiek.
Ze stonden daar alleen met hun sportbroekje aan, het bovenlichaam bloot.
Toen zag ik bij een aantal van hen een opvallend litteken onder hun oksel.
Het viel op, omdat het een uitgesproken lelijk litteken was van een wond
die door een ondeskundig iemand met naald en draad min of meer dichtgenaaid
was.
Ik vroeg aan één van die jongens wat er toch onder die
oksel had gezeten. Hij vertelde dat het het teken van zijn bloedgroep was
geweest, dat hij met een scheermes verwijderd had. Ik zei: 'Waarom heb
je dat weggehaald? Laat toch zitten, dat is makkelijk, dan weet iedereen
het.' Maar hij ging er verder niet op in. Daarna vroeg ik het aan een vaandrig
van de compagnie. Hij zei: 'Weet je dat niet? Die soldaten zijn vroeger
bij de Waffen-SS geweest.'
En alle leden van de Waffen-SS hadden het teken van hun bloedgroep
onder hun oksel getatoeëerd. Hij wist niet hoe ze bij de compagnie
terechtgekomen waren. 'Ze zijn bij ons ingedeeld, maar ze zitten ook op
andere plaatsen, niet alleen bij ons. Ze werden in Nederland voor de keus
gesteld om geïnterneerd te worden of om als soldaat in Indië
te vechten.'
Ik was geschokt. Als joodse Nederlander had ik al mijn familieleden
in de Duitse concentratiekampen verloren en nu moest ik samen met soldaten
die voor Hitler gevochten hadden tegen de Indonesiërs vechten! Ik
ging naar overste Taets van Amerongen.
Toen ik hem vertelde wat ik had gehoord, maakte hij zich enorm boos.
Daar had ik niets mee te maken, volgens hem, en hij zette me vervolgens
de deur uit. Toen ben ik naar een wachtmeester van de marechaussee gegaan.
Hij was ook verbaasd en zei het verhaal te zullen doorgeven aan de staf
in Buitenzorg. Ongeveer twee weken later kwam er een kapitein van de marechaussee
bij me.
Hij had het verhaal onderzocht en bevestigde dat het klopte. 'Maar
wij kunnen daar niets aan doen', zei hij 'Want het is in opdracht van Den
Haag. Daar is dat zo geregeld'." 2
Van Esterik haalt verder een anoniem Memorandum aan.
"De opstellers van het stuk maken zich bekend als mensen die 'voor en
na de capitulatie in aanraking kwamen met tientallen van dezer Waffen-SS
menschen en dit geeft hen bij de beoordeling van dit probleem een bepaalde
kennis van hun mentaliteit.' (...) Zij achten zich uitsluitend geleid door
overwegingen van christelijke rechtvaardigheid en door een diepe liefde
voor het zich zo langzaam herstellende Nederland. (...) Aan deze SS-soldaten,
die met de wapenen zondigden tegen hun volk, zou de gelegenheid gegeven
moeten worden, thans met de wapenen dat volk te dienen, en zo zichzelf
te rehabiliteren. Deze gelegenheid ligt voor hen in Nederlandsch Oost-Indië.
De deelname zou op basis van vrijwilligheid moeten geschieden en gezien
hun soldateske eigenschappen zouden zij gebruikt kunnen worden als stoottroepen.
(...) Hier zijn 15.000 misschien 30.000 goed geoefende en ervaren soldaten.
Na een training van enkele weken in het hanteren van geallieerde wapenen
kunnen zij tot actie overgaan."
De toon van het memorandum duidt op een zekere verwantschap met een
'herderlijk schrijven'. Is hier, zoals door de ex-inlichtingenofficier Brijnen
van Houten later werd opgemerkt, de top van de Rooms-Katholieke kerk aan
het woord? We zullen het nooit weten, de opstellers van het memorandum
wensten anoniem te blijven.
Van Esterik besluit het artikel met de vaststelling dat een onbekend
aantal oud-SS-ers in Indonesië hebben meegevochten tegen de Republiek.
 |
Vier inwoners van Amsterdam-Noord schilderden in oktober 1949 de leus "Geen oorlog maar vrede" op de overkapping van Centraal Station in Amsterdam - foto Dolf Kruger |
"De in de archieven opgespoorde documenten maken niet aannemelijk dat
ze allemaal op slinkse wijze zelf door de mazen van het net zijn heen geglipt.
Het lijkt aannemelijker dat er ergens op politiek of militair niveau een
beslissing genomen moet zijn, die dit soort rehabilitatie voor deze politieke
delinquenten mogelijk maakte. Op welk niveau dit gebeurde, door wie en
wanneer, dat is vooralsnog onbekend."
Tot op de dag van vandaag hangt over deze, wel zeer zwarte, bladzijde
van Neerlands koloniale geschiedenis een zware deken.
Noten
|
1 |
P. Brijnen van Houten, Een kwart eeuw geheime diensten, Houten 1988.
(terug)
|
|
2 |
Chr. van Esterik, NRC Handelsblad, 24 november 1984.
(terug)
|
|