bijlage dossier pensioenen

De problemen met de WTP

Emiel Stolp

De WTP brengt een groot aantal problemen met zich mee. Nu is het pensioen vooral een sociale inkomensvoorziening Met de WTP wordt het pensioen een individueel beleggingsproduct.

De belangrijkste problemen met de WTP zijn:

1. De extreme mate van individualisering

De WTP gaat uit van individuele vermogens tot in de uitkeringsfase. Dit is in de pensioenwereld zeer ongebruikelijk omdat pensioen juist bedoeld is om een levenslange uitkering te geven. Om toch een levenslange uitkering te kunnen geven moet daarom in de WTP het overgebleven vermogen van de overleden deelnemers op een ingewikkelde manier herverdeeld worden over de deelnemers die nog leven.
Zekerheid in pensioenen krijg je door de risico's met zoveel mogelijk deelnemers te delen en door te spreiden in de tijd. Dat kan door de jaarlijkse variaties in het beleggingsrendement te verrekenen met een buffer. In de WTP wordt het omgekeerde gedaan, door de individualiseren wordt het risicodraagvlak juist verkleind. En de buffers worden afgeschaft. Daardoor kan er minder beleggingsrisico genomen worden met als gevolg een lager rendement en dus een lager pensioen.
Deze sterke afwijking van de collectieve uitkeringsfases die in de pensioensector gebruikelijk zijn wordt nergens in de WTP gemotiveerd.

2. De focus op een nominaal pensioen

Het beschermingsrendement in de WTP is gedefinieerd als het rendement dat nodig is voor een nominaal constant pensioen. Het inflatierisico wordt in de WTP volledig genegeerd. Over de lange termijn van een pensioenregeling is het inflatierisico veel belangrijker dan het beleggingsrisico. De gemiddelde inflatie vanaf 1980 tot en met 2022 bedroeg 2,5 procent per jaar. Bij een gemiddelde pensioenduur van 20 jaar is er bij 2,5 procent inflatie 40procent koopkracht verlies. Een nominaal constant pensioen is dus een slecht pensioen.

3. De variabele rekenrente

In 2007 is de vaste rekenrente voor pensioenen vervangen door de variabele rekenrente gebaseerd op de rente op staatsleningen. Hierdoor is er een renterisico ontstaan dat er voor 2007 niet was. Om dit nieuwe risico te beheersen werden de pensioenfondsen gedwongen om in lang lopende obligaties en rente-afdekking via derivaten te beleggen. Deze rente derivaten hebben het nadeel dat er bij stijgende rente borg in cash betaald moet worden aan de tegenpartij waardoor de fondsen een liquiditeitsprobleem kunnen krijgen.
In 2022 heeft deze beleggingsstrategie voor de totale pensioensector een vermogensverlies van ongeveer 300 miljard euro opgeleverd. (zie Pensioen Pro 26 - 1 - 2023) Met de rekenregels en de daarbij passende beleggingsstrategie van voor 2007 zou het verlies veel minder groot geweest zijn.
Het systeem van de variabele rekenrente blijft in de WTP de basis voor de waardering van de pensioenverplichtingen. Hiermee blijft de focus in het beleggingsbeleid liggen op de korte termijn rente afdekking in plaats van op het lange termijn rendement. Staatsobligaties worden aangeprezen als een veilige belegging maar de werkelijkheid is dat langlopende obligaties een groter koers risico en een veel lager rendement hebben dan aandelen. En ook bieden ze geen enkele bescherming tegen het inflatie risico.

4. De rentegevoeligheid

Doordat de pensioenverplichting berekend worden op basis van de variabele rente op staatsleningen wordt alles zeer gevoelig voor de van dag tot dag wisselende rentestand. Op pensioendatum betekent 1 procent rente verandering ongeveer 10 procent meer of minder pensioen. Dit dwingt pensioenfondsen ertoe om al lang voor pensioendatum het beleggingsrisico terug te draaien met als gevolg een lager rendement en een lager pensioen. Voor een 35-jarige heeft het tot gevolg dat het verwachte pensioen, zoals op de UPO vermeld, van jaar op jaar 40 procent kan variëren. Het is te verwachten dat dit tot een ernstig verlies aan vertrouwen leidt.

5. De ongelijke toedeling van het rendement

Volgens de regels van de WTP wordt het beleggingsrendement ongelijk over de deelnemers verdeeld. Over die verdeling wordt beslist door het pensioenfondsbestuur zonder dat de individuele deelnemer daar iets over te zeggen heeft. Het is te verwachten dat het tot grote onvrede zal leiden als de ene deelnemer een hoog rendement krijgt en de andere deelnemer juist een laag of negatief rendement.
De ongelijke toedeling van het rendement zet de verschillende leeftijdscohorten tegen elkaar op. Het rendement voor de ene groep gaat immers altijd ten koste van het rendement van andere groepen.
Door de manier waarop het solidaire contract is ingericht, heeft een wijziging van de risico houding van de ene leeftijdsgroep ook invloed op het rendement dat andere leeftijdsgroepen krijgen. Dit zal leiden tot een permanente belangenstrijd tussen generaties.

6. De ongelijke indexaties

De indeling in leeftijdscohorten met per cohort een ander beleggingsbeleid en een ander rendement heeft ook tot gevolg dat voor de lopende pensioenen de indexatie per leeftijdsgroep anders uitvalt. Dank zij een amendement van het CDA mag het pensioenfonds ook kiezen voor het jaarlijks herverdelen van de individuele potjes om tot een gelijke indexatie komen. Het fonds is echter niet verplicht dit te doen. Deze herverdeling past ook niet in de strekking van de wet die juist is geschreven om herverdeling tussen de deelnemers te verhinderen. Volgens de MvT is de indexatie een gevolg van het behaalde rendement. Maar als het fonds kiest voor herverdeling om tot gelijke indexaties te komen is het behaalde rendement een gevolg van de verleende indexatie geworden.

7. Geen relatie tussen de indexatie en de inflatie

Deelnemers willen en verwachten een koopkrachtig pensioen dat de prijzen volgt. In de WTP is het pensioen echter vooral een beleggingsproduct. De indexaties en mogelijke verlagingen van het pensioen zijn daardoor volledig ontkoppeld van de inflatie en de prijsontwikkeling. Dit kan tot gevolg hebben dat in jaren van hoge inflatie de pensioenen niet verhoogd worden, of zelfs verlaagd, maar dat ze in jaren met lage inflatie juist sterk verhoogd worden.

8. De ongelijke verdeling van het vermogen bij het invaren

Pensioenfondsen met een hoge dekkingsgraad mogen hun reserves uitdelen. Maar volgens de rekenregels van de WTP krijgen oudere deelnemers dan minder indexatie dan jongere deelnemers. De buffers zijn in belangrijke mate opgebouwd met het beleggingsrendement op het vermogen van de oudere deelnemers. En die krijgen vervolgens het minste mee als de buffers worden uitgedeeld.

9. Onzekerheid bij het invaren

Bij het invaren moeten de deelnemers minstens 95 procent van de technische voorziening volgens de huidige rekenregels als individueel kapitaal meekrijgen. De technische voorziening is gebaseerd op de huidige volatiele rekenrente. Voor een 35-jarige deelnemer heeft dit tot gevolg dat bij 1procent rente verandering zijn persoonlijke pensioenpot 40 procent hoger of lagere uit kan komen.

10. Herverdeling tussen generaties bij renteverandering

Door de manier waarop het beschermings- en het over-rendement zijn gedefinieerd in het solidaire contract, heeft iedere renteverandering tot gevolg dat er grootschalig vermogen heen en weer geschoven wordt tussen de verschillende leeftijdscohorten. Dit terwijl de wet volgens de MvT juist bedoeld was om herverdeling tussen generaties te voorkomen.

11. Overbodig onderscheid tussen de twee contracten

De wet kent het solidaire en het flexibele contract. In beide contracten zijn er individuele potjes maar wordt er collectief belegd. In het flexibele contract krijgt iedere deelnemer het rendement dat hoort bij het eigen beleggingsprofiel. In het solidaire contract krijgt men het rendement dat door het pensioenfonds bestuur aan ieder leeftijdscohort wordt toegekend. Echter iedere rendementstoedeling uit het solidaire contract kan ook bereikt worden met een geschikt gekozen beleggingsmix in het flexibele contract. In het flexibele contract is duidelijk welke beleggingsmix de deelnemer heeft en kan de deelnemer ook zelf kiezen voor een bepaalde mix. In het solidaire contract wordt dit verborgen onder ondoorzichtige verdelingsregels en kan de deelnemer niet zelf kiezen.

12. Het nabestaanden pensioen (NP)

In de WTP wordt gesuggereerd dat het nabestaanden pensioen bij overlijden voor pensioendatum 50 procent van het inkomen van de overleden partner zal zijn. De manier waarop het NP is ingericht heeft echter tot gevolg dat het NP aanzienlijk duurder is dan in het huidige systeem. Als een pensioenfonds kostenneutraal over wil gaan zal het NP bij overlijden voor pensioendatum in de orde van 15 procent liggen. Bij het 50 procent NP blijkt dat ongeveer 15 procent tot 25 procent van de premie nodig is voor de dekking van alleen het risico op overlijden voor pensioendatum. Een dergelijk premiebeslag is niet eerlijk ten opzicht van alleenstaanden die hier wel aan mee moeten betalen maar er geen compensatie voor krijgen.
Verder is er in de WTP een ongemotiveerd groot verschil in NP bij overlijden vlak voor, of vlak na pensioendatum. Doordat in de WTP de bestaande, opgebouwde NP rechten in stand blijven, ontvangt men gedurende een overgangsperiode van 40 jaar bij overlijden voor pensioendatum twee nabestaande pensioenen, één uit het nieuwe stelsel en één uit het oude stelsel. Omdat zeker de eerste jaren de nabestaanden pensioenen uit het oude stelsel nog vrij hoog zijn, zullen de pensioenfondsen het nieuwe NP zo laag mogelijk vast stellen. Het nieuwe NP is een risico verzekering zonder opbouw. Dit heeft tot gevolg dat de dekking vervalt als men niet meer werkt. En als iemand korter gaat werken, wordt ook meteen de NP dekking verlaagd. Dit kan ertoe leiden dat zelfs al heeft iemand een pensioentegoed van een paar ton, er toch geen cent voor de nabestaanden beschikbaar is.

13. Concurrentie met verzekeraars

Volgens de WTP mogen ZZP-er tot 3 jaar na vertrek uit een fonds op vrijwillige basis terugkeren en 15 jaar lang in het fonds blijven deelnemen. De pensioenfondsen komen hiermee in een rechtstreekse concurrentiepositie met de verzekeraars. Dit is echter geen eerlijke concurrentie:Verzekeraars mogen de Europese rekenrente gebruiken in plaats van de doorgaans lagere DNB rekenrente. Commerciële verzekeraars kunnen daarom bij dezelfde premie een hoger pensioen beloven.
Ook kunnen de verzekeraars een NP bieden op basis van kapitaal opbouw. Dit is vooral voor oudere ZZP-ers veel goedkoper dan de kostendekkende premie van het risico pensioen uit de WTP.
Als pensioenfondsen de vrijwillige voortzetting voor ZZP-ers tegen een doorsnee premie aanbieden is het WTP-NP weer goedkoper maar dit wordt bereikt met een forse subsidie aan de ouderen door de jongeren. Het pensioenfonds loopt hierdoor het risico alleen de slechte risico's (oudere gehuwden) binnen te halen terwijl de goede risico's ( jongeren en alleenstaanden) naar de verzekeraars vertrekken.

14. Uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid

De rendementstoedeling in de WTP is bij rente sprongen zeer ingewikkeld en niet uit te leggen. Het is in het WTP-systeem normaal dat bij renteveranderingen het ene leeftijdscohort er forse bedragen bij krijgt terwijl een ander leeftijdscohort grote verliezen heeft. Met geen andere verklaring dan : "dit is wat er uit de computer komt" In de flexibele regeling met beleggingsvrijheid moet het pensioenfonds de deelnemer de gelegenheid geven om zelf de verantwoordelijkheid voor de beleggingen over te nemen. Als dit betekent dat de deelnemer zelf van dag tot dag met zijn pensioentegoed op de beurs moet kunnen handelen, is dit niet uitvoerbaar voor de pensioenfondsen.

15. Compensatie afschaffing van het doorsnee systeem

De afschaffing van het systeem van doorsnee premie en doorsnee opbouw leidt er toe dat er voor de groep 45-plus minder pensioenopbouw lijkt te zijn dan in het huidige systeem. Voor de afschaffing van de doorsneepremie wordt compensatie gezocht bij het pensioenvermogen. De afschaffing is een politieke wens, maar de rekening wordt neergelegd bij de deelnemers van pensioenfondsen.

Dit is juridisch aanvechtbaar:

Bij een normaal pensioenfonds is ongeveer 40 procent van het totale vermogen nodig voor de gepensioneerden, 50 procent voor de pensioenrechten van de groep 45 tot 67 jaar, en 10 procent voor de groep 20 tot 45 jaar. Wanneer de compensatie voor het afschaffen van het doorsnee systeem uit het pensioenfonds wordt gehaald, betaalt de groep 45 tot 67 jaar de compensatie dus voor de helft zelf. De andere helft wordt dan grotendeels betaald door de gepensioneerden die, doordat ze de hele cyclus van jong naar oud hebben doorlopen, zelf geen voordeel hebben gehad van het doorsnee systeem.