nr. 96
mei 2000

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Solidariteit op scholingspad - Eenheidsvakcentrale, 1944-1964

Hoe een radicale vakbond werd gemangeld en verscheurd

In 1949 waren de beste jaren van de Eenheidsvakcentrale (EVC) al voorbij. Het ledental was teruggelopen tot zo'n 100.000, terwijl dat er in 1945 nog 180.000 waren geweest. Andere vakcentrales, zoals het NVV, maar ook de katholieke en protestantse, waren de EVC voorbijgestreefd. Er werd naar schuldigen gezocht. En die werden gevonden! In een resolutie stelde het EVC-hoofdbestuur voor om de trotskisten maar uit de bond te gooien. Want: "De Trotskisten van de RCP, de Vlamgroep, e.d. zijn principiële tegenstanders van elke vakorganisatie. Zij zijn tot de EVC alleen toegetreden om er te wroeten en ondermijningswerk te verrichten, dat de reactie ten goede komt." De 'trotskist' Herman Drenth, nog maar net afgezet als tweede voorzitter van de EVC in Den Haag, antwoordde woedend: "... dat het zittende Hoofdbestuur van de EVC volledig verantwoordelijk moet worden gesteld voor de catastrofale ontwikkeling van de organisatie. Dit Hoofdbestuur heeft zich geheel laten leiden door de politiek van de CPN en heeft trouw alle koerszwenkingen van het stalinisme in de EVC nagebootst, tot groot nadeel van de arbeidersklasse." Is de EVC alleen of vooral ten onder gegaan aan innerlijke verscheurdheid?

Al tijdens de Duitse bezetting, in 1943, werd gewerkt aan de oprichting van een nieuwe en strijdbare vakbond. De ondergrondse Communistische Partij van Nederland (CPN) had daarbij het voortouw. Er moest een einde komen aan de vooroorlogse verzuiling en verdeeldheid. Er moest een Eenheidsvakbeweging komen, die alle arbeiders kon verenigen. Gezamenlijk zou de strijd voor een beter bestaan met meer succes kunnen worden gevoerd.

Een vliegende start

Na de bevrijding van het zuiden van Nederland, in 1944, bleek de eenheidsvakbeweging ook daadwerkelijk aan te slaan. Ondergronds, maar nu letterlijk! Uit een massale staking in de Limburgse mijnen verrees de Algemene Bond van Werkers in het Mijnbedrijf (ABWM). Tienduizend mijnwerkers, die daarvoor lid waren geweest van het NVV en katholieke bonden, sloten zich aan.

Direct na de bevrijding van de rest van Nederland, in 1945, schoten soortgelijke eenheidsvakbonden als paddestoelen uit de grond. Ze sloten zich aaneen in de Eenheidsvakcentrale, die aan het eind van dat bevrijdingsjaar op een totaal van 180.000 leden kon bogen. Vooral in de Amsterdamse metaalindustrie, de Rotterdamse haven, de Twentse textielindustrie en onder bouwvakkers kreeg de EVC grote aanhang. Er was een vliegende start gemaakt. Alles moest anders! De uitbuiting en onderdrukking van voor en tijdens de oorlog moesten afgelopen zijn. In tal van stakingen vochten arbeiders voor hogere lonen en betere werkomstandigheden. De EVC sprak zich zelfs uit voor de overgang naar een socialistische maatschappij. Niemand wilde terug naar vroeger. Niemand?

Steeds sterkere tegenkrachten

De oude machthebbers, van wie sommigen ook tijdens de bezetting goed geboerd hadden, dachten er niet over hun macht en bezit prijs te geven. Ondernemers en officieren, politici en prelaten wilden maar één ding: hun posities aan de top van de maatschappij weer innemen. Wie anders moesten de wederopbouw van het door de oorlog geschade land ter hand nemen? Nou ja, de wederopbouw ter hand nemen: dit door de arbeiders onder hun kundige leiding laten doen, natuurlijk. Inderdaad slaagde de oude elite er in alras op het hen vertrouwde pluche zitting te nemen. Overigens begreep ze wel dat niet àlles bij het oude kon blijven. De economische en sociale onrust van voor de oorlog mocht niet terugkomen. Er werd een grotere rol voor de overheid ingeruimd. Die moest bijvoorbeeld de industrialisatie stimuleren. Daarbij hoorden een financieel regime en een strak geleide loonpolitiek. Die laatste kreeg gestalte door de afkondiging van het Centraal Besluit Bijzondere Arbeidsverhoudingen en de instelling van een College van Rijksbemiddelaars. De overheid zou ook op sociaal gebied een grotere rol moeten spelen. Om aan de ergste noden van 'de onderkant van de samenleving' tegemoet te komen, werd er gesleuteld aan voorzieningen bij ziekte, werkloosheid en ouderdom.

Voor deze wederopbouw, die een wederopbouw van het kapitalisme in een nieuw jasje moest worden, was nog iets nodig: de actieve medewerking van een belangrijk deel van de arbeidende bevolking. Die medewerking werd verkregen. De sociaal-democraten van de SDAP, die werd omgedoopt in de Partij van de Arbeid, waren bereid regeringsverantwoordelijkheid te dragen. De PvdA-leider Drees schopte het zelfs tot minister-president. En de sociaal-democratische vakbeweging, het Nationaal Verbond van Vakverenigingen, was al evenzeer bereid tot medewerking. Samen met de protestantse en katholieke zusters werd al tijdens de oorlog een coalitie gevormd in de Raad van Vakcentralen. En samen met de ondernemers werd overlegd over de meest wenselijke sociaal-economische politiek in de Stichting van de Arbeid.

Bij dit 'ge-poldermodel avant la lettre' paste een radicale vakorganisatie als de EVC niet echt. Die werd dan ook op alle mogelijke manieren tegengewerkt.

Isolatie

Al in 1945 verbood het Limburgse episcopaat de katholieken lid te worden van de EVC. Verder werd de EVC van elk centraal overleg buitengesloten. Bij onderhandelingen over cao's mocht de EVC niet meedoen. Na het uitbreken van de Koude Oorlog in 1947 werd de EVC steevast als een verlengstuk van Moskou verdacht gemaakt. Binnen de bedrijven hadden de EVC'ers het ook niet makkelijk. Bij de verkiezing van bedrijfskernen, later ondernemingsraden, moesten de EVC-bonden eerst handtekeningen ophalen, terwijl de 'erkende' bonden hun kandidatenlijsten zó konden indienen. Tegelijkertijd werden strijdbare arbeiders geïntimideerd of ontslagen. Soms werd geprobeerd hen met een promotie om te kopen. In 1951 kondigde de regering zelfs een EVC-verbod voor ambtenaren af. Zo werd deze nieuwe loot aan de stam van de vakbeweging steeds meer in een isolement gedrongen. Eigenlijk is het opmerkelijk dat de EVC onder die omstandigheden nog zo lang een rol van betekenis kon spelen aan het sociale front. Wat maakte haar voor tienduizenden arbeiders toch nog aantrekkelijk?

Eenheid en strijd van onderop!

Het eenheidsstreven was een sterk punt, immers: "Eenheid Maakt Macht!". Dit streven ging aanvankelijk zo ver dat bij stakingen niet alleen de EVC-leden, maar ook de ongeorganiseerden en zelfs de leden van andere bonden een uitkering uit de EVC-kas ontvingen. Ook de strijdbare opstelling vond veel weerklank. Met de lonen en arbeidsomstandigheden was het droevig gesteld, dus door strijd viel er veel te winnen. Daar komt bij dat nogal wat linkse arbeiders zich van het NVV hadden afgewend, omdat grote delen daarvan wel erg soepel met de Duitse bezetters hadden samengewerkt. De EVC had wat dat betreft een onbesmet blazoen. Een ander belangrijk aantrekkingspunt was de opbouw van de organisatie van onderop. De EVC was een bundeling van bedrijfsorganisaties. Terwijl de andere bonden een strakke centralistische leiding hadden en vooral gericht waren op landelijk overleg, hield de EVC zich veel meer bezig met wat binnen de bedrijven speelde. Bij problemen in een onderneming waren de kaderleden van de EVC de 'natuurlijke' aanspreekpunten. Zo wist de EVC tegen de keer in toch de nodige aanhang te verwerven. En speelde ze een hoofdrol in de voor Nederlandse begrippen grote stakingsgolven in 1945 en 1946. Ze slaagde er de eerste naoorlogse jaren in soms meer dan helft van de arbeiders in de havens van Amsterdam en Rotterdam en in metaalbedrijven als Hoogovens, Verblifa, Werkspoor en NDSM achter zich te krijgen.

Eenheid en strijd van onderop?

In zekere zin was de EVC een allegaartje van gezindten. Er zaten katholieken, protestanten, sociaal-democraten, syndicalisten, trotskisten, radencommunisten en stalinisten in. Dat ging niet goed. Het was al een veeg teken dat de 'oerbond' ABWM, die van de Limburgse mijnwerkers, zich uiteindelijk niet bij de EVC aansloot. De druk van de katholieke kerk was te groot. Binnen de wel aangesloten bonden domineerden de communisten van de CPN. En de CPN, onder leiding van Paul de Groot, wilde zichzelf allesbehalve isoleren. Sterker, ze was bereid tot regeringsdeelname. Om daarvoor acceptabel te zijn, oefende ze een matigende invloed uit op de arbeidersstrijd. De wederopbouw werd omarmd, de solidariteitsbeweging met de vrijheidsstrijd in Nederlandsch Indië op een laag pitje gezet en stakingen werden niet meer van harte ondersteund. Hoewel de Stichting van de Arbeid in het openbaar nog werd afgedaan als een 'orgaan van klassensamenwerking', werd in het geheim deelname daaraan niet uitgesloten. Onderdeel van de vakbondspolitiek van de CPN was te komen tot een fusie van EVC en NVV, zeker toen bleek dat de EVC niet blijvend het NVV was voorbijgestreefd. Voor die fusie werd een campagne op touw gezet die juli 1946 uitmondde in het 'Ja of Nee Congres'. Van de vertegenwoordigde EVC-leden op dat congres spraken 76.000 stemmen vóór en 45.000 stemmen tégen een fusie met het NVV. De onverwacht grote hoeveelheid tegenstemmers was voor de CPN aanleiding de EVC te 'disciplineren'. Met harde hand, soms letterlijk, werden EVC-afdelingen samengevoegd of ontbonden. Opposanten werden belasterd en er uitgeknikkerd. De secretaris van de Haagse afdeling van de bij de EVC aangesloten Bond van Nederlands Overheids Personeel (BNOP), nota bene de zoon van de door de Duitsers gefusilleerde Willem Dolleman, werd bijvoorbeeld uitgemaakt voor 'spion van Amerika' en geroyeerd. Van een vrije en democratische 'bond van onderop' bleef op die manier niet veel over. Ironisch genoeg waren deze 'stalinistische praktijken' voor het NVV, inmiddels met 300.000 leden tweemaal zo groot als de EVC, mede reden om definitief van een fusie af te zien.

Bergafwaarts

Na het 'Ja of Nee Congres' kwam de EVC in een neerwaartse spiraal. De bond van wegenbouwers, Het Zwarte Corps, stapte er uit. Trotskisten, radencommunisten en andere opposanten werden er uitgegooid. Nog veel meer 'gewone' leden waren het gekijf en gekuip zat en zegden hun lidmaatschap op. In 1948 kwam het tot een echte scheuring. Vrijwel de gehele Rotterdamse afdeling trad uit en ging verder als het Onafhankelijk Verbond van Bedrijfsorganisaties (OVB). In 1958 splitste de gedecimeerde organisatie zich. De CPN-getrouwe EVC-58 zou zich in 1960 opheffen. En het restant van de EVC hield het in 1964 voor goed voor gezien.

Toch is het te gemakkelijk te stellen dat de EVC louter aan interne verdeeldheid ten onder is gegaan. Er was meer.

In de eerste plaats zaten de tegenstanders van de EVC niet stil. Overheid en ondernemers, staat en kapitaal, werkten de EVC op alle mogelijke manieren tegen. De uitsluiting van de EVC bij cao-onderhandelingen bijvoorbeeld maakte het haar onmogelijk te 'oogsten' wat ze in de bedrijvenstrijd had gezaaid. De Koude Oorlog hielp mee om het klimaat voor alles wat progressief was verder te vergiftigen.

In de tweede plaats was de wederopbouw een succes. De toestand in het land werd in enkele jaren genormaliseerd. De treinen gingen weer rijden, de bruggen gingen weer open en dicht, de industrialisatie leidde tot vrijwel volledige werkgelegenheid en kansen op betere banen. En er kwamen betere regelingen op het gebied van pensioenen, werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid. De voedingsbodem voor een radicaal antikapitalistische strijd, waarin de EVC had kunnen gedijen, viel grotendeels weg.

Onder die omstandigheden keerden vele arbeiders terug naar de hun vertrouwde traditionele organisaties. De vooroorlogse verzuiling, met de katholieke, protestantse en sociaal-democratische 'leefgemeenschappen', kreeg de maatschappij en de vakbeweging weer in haar greep. De keerzijde daarvan was dat de nieuw op het toneel verschenen EVC een chronisch gebrek had aan kaders. Zelfs van hen die sympathie opbrachten voor de inzet van de EVC, werden weinigen actief.

Tegen de achtergrond van deze ontwikkelingen kreeg de stalinistische stroming in de EVC de overhand, werd de innerlijke verscheurdheid in de hand gewerkt, op de spits gedreven en ging een hoopgevend initiatief in de vakbondswereld ten onder.

Rob Lubbersen
(AbvaKabo)