nr. 110
nov 2002

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Verborgen en vergeten geschiedenis - Christelijk Nationaal Vakverbond

"Verwerpt mitsdien den klassenstrijd"

"Een vakbeweging, die geleid en gerepresenteerd wordt door mensen 'van buitenaf' is geen vakbeweging meer. De zelfstandige vakbeweging staat en valt met de zedelijke band tussen leiding en leden. Die leiding zal moeten zijn en blijven een groep mensen, die uit de leden is voortgekomen en door de beweging zelve naar voren is geschoven."

Deze uitspraak deed Marinus Ruppert in 1953 tijdens zijn voorzitterschap van het CNV. Hij liet wel meer van zich horen. Ondanks zijn afkeer van stakingen om tot verbetering van arbeidsvoorwaarden te komen, baarde hij in 1967 enig opzien met zijn stelling dat medezeggenschap desnoods met stakingen moest worden afgedwongen.

Antisocialist

Het is grappig dat de eerste schets in deel 1 van het Biografisch Woordenboek van Socialisme en Arbeidersbeweging juist gaat over een felle antisocialist. Zijn naam is Herman Amelink. Deze in 1881 geboren zoon uit een orthodox-protestant textielarbeidersgezin ging op zijn twaalfde aan de slag als wever. Op 1 mei 1915 werd hij vrijgestelde bij de Nederlandsche Christelijke Textielarbeidersbond Unitas. Het jaar daarop was hij secretaris-penningmeester van het CNV. Samen met voorzitter K. Kruithof en J.S. Ruppert Jr. heeft Amelink tussen de wereldoorlogen het gezicht bepaald van het CNV als een gematigde vakorganisatie.

Amelink timmerde zowel organisatorisch als journalistiek en publicitair aan de weg. Hij was één van de oprichters van het Interconfessioneel Christelijk Vakverbond in 1920 en van de Protestants Christelijke Arbeiders Internationale in 1928. Een principiële man. Vanaf 1931 mocht hij Italië niet meer in, en vanaf 1933 weigerde Amelink nog langer Duitsland te bezoeken. In 1931 deed hij zijn intrede in de Tweede Kamer voor de Anti Revolutionaire Partij (ARP). Een deel van de oorlog zat hij in de kampen Schoorl, Buchenwald, Haren en Sint-Michielsgestel. Hij publiceerde twee gedenkboeken over het CNV, Onder eigen banier en Met ontplooide banieren.

Veel CNV-bestuurders van de eerste generatie hebben een achtergrond als Amelink. Afkomstig uit een hand- of landarbeidersgezin; na de lagere school op jonge leeftijd gaan werken; antisocialist, ook omdat ze de omgangsvormen in een algemene bond kwetsend voor zichzelf of God vonden; overtuigd van het belang van een christelijke en gematigde vakbeweging; gezagsgetrouw, maar niettemin doordrongen van het recht van de arbeider op redelijke arbeidsvoorwaarden. Staking voor betere arbeidsvoorwaarden werd principieel afgewezen, maar toch niet helemaal als allerlaatste middel tot verzet uitgesloten. Autodidact, antirevolutionair en recht in de leer.

Zo iemand was ook J.S. Ruppert Jr. (1877-1934), de vader van de latere voorzitter. Hij groeide op in een éénkamerwoning in de Anjeliersstraat in de Amsterdamse Jordaan. Als timmerman sloot hij zich aan bij Concordia Inter Nos en in 1892 bij de Algemeene Nederlandsche Timmerliedenbond, voorlopers van de huidige FNV Bouw. Als christen ergerde hij zich vooral aan het gevloek van zijn medeleden en de hilariteit als hij daarop kritiek leverde. In 1919 werd hij penningmeester van het CNV.

Mattijs Willem Smit (1866-1916) groeide eveneens in de Jordaan op. Hij was eerst lid van de Algemeene Nederlandsche Typografen Bond. In 1891 richtte hij met enkele geestverwanten Draagt Elkanders Lasten op, een vereniging van christelijke arbeiders in het boekdrukkers- en boekbindersbedrijf, een vakafdeling van Patrimonium. Hiervan werd hij voorzitter, evenals van de Christelijke Typografenbond die in 1902 van start ging. Bij de oprichting van het CNV in 1909 werd hij gekozen tot tweede voorzitter van de vakcentrale. Smit moet het druk hebben gehad, want hij werkte ook nog zes dagen in week, tien uur per dag of langer, als letterzetter. In 1914 kreeg hij een bezoldigde functie.

Rooie Smeenk was de bijnaam van Cees Smeenk. Hij werd op 10 december 1880 geboren te Zevenaar. Op zijn vijftiende ging hij aan de slag als schrijver bij het kantongerecht. Hij richtte wat later de Nederlandsche Vereeniging van Christelijke Kantoor- en Handelsbedienden op en maakte van 1915 tot 1924 deel uit van het CNV-bestuur. Smeenk werkte als journalist voor allerlei bladen, zat voor de ARP, onderbroken door de oorlogsjaren, van 1918 tot 1949 in de Tweede Kamer. Van 1915 tot 1961 was hij lid van de gemeenteraad in Arnhem en wethouder in de periode van 1923 tot 1933. Bovendien was Smeenk lid van de Provinciale Staten van Gelderland.

Werkgeversvoorman

Hendrik Diemer (1879-1966) was de eerste voorzitter van het CNV. Hij verliet het ouderlijk huis op 15-jarige leeftijd om aan de slag te gaan als bakkersknecht. Niet direct een beroepskeuze die je verwacht van iemand wiens vader predikant is.

Het CNV startte als interconfessionele vakorganisatie. Aanvankelijk was er een sterke katholieke inbreng via de textielarbeidersbond Unitas. Rekening houdend met de bisschoppelijke bezwaren om protestantse en rooms-katholieke arbeiders samen in één vakorganisatie te brengen, probeerde Diemer tot een voor beide partijen acceptabele formulering te komen over de grondslag. Artikel 1 uit de statuten: "Het CNV aanvaardt als grondslag de Christelijke beginselen en verwerpt mitsdien den klassenstrijd." Die heldere stellingname tegen de socialisten mocht niet baten. In 1912 verboden de bisschoppen katholieken nog langer lid te zijn van Unitas. De rooms-katholieke fabrieksarbeider Herman Stins die het CNV had helpen oprichten en er de eerste secretaris van werd, moest uit Unitas treden en het secretariaat neerleggen. Hoe zou de geschiedenis van de Nederlandse vakbeweging zijn verlopen zonder deze inperking van de organisatievrijheid? Het zou nog zo'n zestig jaar duren voordat het CNV echt een voor alle godsdiensten toegankelijke interconfessionele vakorganisatie werd.

Diemer combineerde enige tijd een werkgeversfunctie met het voorzitterschap van de vakcentrale. In 1912 werd hij directeur van het christelijke dagblad De Rotterdammer. Dat bleef hij tot 1946. Maar de combinatie in 1916 met het voorzitterschap van de Bond van Christelijke Drukkerspatroons was teveel van het goede. Hij nam afscheid van de vakbeweging. Het voorzitterschap van de werkgeversvereniging beviel hem beter. Pas vele jaren later, in 1959, legde hij dat neer. Diemer was eveneens veertig jaar lang voorzitter van het scheidsgerecht voor de grafische bedrijfstak. Je zou kunnen stellen dat in de persoon van vakbonds- en werkgeversvoorman Diemer het in de confessionele zuil gewenste samenwerkingsverband tussen kapitaal en arbeid wordt gesymboliseerd.

Diemer werd als voorzitter opgevolgd door Klaas Kruithof die op elfjarige leeftijd als 'stripjongen' in een tabaksfabriek te Kampen ging werken. Later werkte hij als sigarenmaker in diverse plaatsen in ons land. Kruithof werd in 1935 opgevolgd door Stapelkamp en trok zich terug uit het openbare leven, maar bleef wel voorzitter van de Bond Tegen Het Vloeken. Stapelkamp begon zijn arbeidsleven in 1898 als hoornbewerker in dienst bij een knopen- en kammenfabriek. Hij bleef dat doen tot hij in 1919 als bezoldigd secretaris in dienst trad van de Ned. Bond van Christelijke Fabrieks- en Transportarbeiders.

Wenselijkheden en mogelijkheden

Wat Wim Kok was voor het NVV was Marinus Ruppert (1911-1992) voor het CNV. Begonnen als tuindersknecht bracht hij het via de vakbeweging tot lid van de Raad van State (1959-1980), waarvan de laatste zeven jaar als vice-president. Hij werd de onderkoning van Nederland genoemd. Net in dienst als bestuurder voor de christelijke Landarbeidersbond leidde de 22-jarige in de zomer van 1932 zijn eerste en enige echte staking van betekenis. De arbeiders verloren dit loonconflict in het door kerkelijke en sociale tegenstellingen verscheurde Zuid-Hollandse Zuidland.

Ruppert heeft een interessant overzichtswerk geschreven over de Nederlandse vakbeweging. Over de band tussen leiding en leden zegt hij:

"Met alle waardering echter voor het kenniselement speelt toch daarnaast en zelfs daarboven het karakter de belangrijkste rol. De vakverenigingsbestuurder heeft een merkwaardig beroep. Hij is vóór alles en moet ook vóór alles blijven vertrouwensman van zijn medeleden. Maar tegelijkertijd moet hij op voet van gelijkheid kunnen spreken met de ondernemers en hun organisaties. Dat eist gaafheid van karakter. Aan Januskoppen heeft het georganiseerd overleg geen behoefte, wèl aan mensen, die de moed bezitten om de waarheid te zeggen aan de werkgevers èn aan de eigen leden. Dat laatste is niet het minst belangrijke. Overleg over lonen en verdere arbeidsvoorwaarden is een zaak van wenselijkheden èn van mogelijkheden. Een goede bestuurder zal daarom altijd bereid moeten zijn, eigen mensen duidelijk te maken, dàt en waarom iets niet kan. De redenering 'die werkgevers willen niet, we moeten nu wel accoord gaan; volgend jaar zullen we ze wel krijgen', is goedkoop, maar straft zichzelf. Op de bestuurders der vakbeweging rust de plicht en de ontzaglijke verantwoordelijkheid het volk der werkers tot beschutting te strekken, ja zeker, maar ook hen tegen te staan, als de hand wil grijpen, wat zij niet grijpen mag!"

Harry Peer

Literatuur
- Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland. Acht delen, Amsterdam. Elk deel kent wel twee of drie portretten van figuren uit de protestants christelijk-sociale beweging; in deel 5 zelfs acht portretten, waaronder die over Abraham Kuyper (1837-1920).
- P. Hazenbosch (red.), Het CNV nader bekeken. Schetsen uit 80 jaar CNV-geschiedenis, Kampen 1989.
- A. Bornebroek, Gids van de christelijke vakbeweging in Nederland, Amsterdam 1998.
- M. Ruppert, De Nederlandse vakbeweging. Deel I en II. Haarlem 1953.
- Cahiers over de geschiedenis van de christelijk-sociale beweging. Vier delen. Bijzonder interessant is het artikel van P. Hazenbosch en P.E. Werkman: Van Diemer tot Terpstra. Enkele biografische vergelijkingen van de CNV-voorzitters 1909-1999, pp. 50-76, in deel 3, 90 jaar CNV: over mensen en uitgangspunten.
- J. de Bruijn en P.E. Werkman, Van tuindersknecht tot onderkoning. Biografie van Marinus Ruppert. Deel 1: de jaren 1911-1947. Hilversum 2001.

De voorzitters van het CNV:

Hendrik Diemer1909 - 1916
Klaas Kruithof1916 - 1935
Antoon Stapelkamp1935 - 1947
Marinus Ruppert1947 - 1959
Cornelis J. van Mastrigt1959 - 1964
Jan van Eibergen1964 - 1969
Jan Lanser1969 - 1978
Harm van der Meulen1978 - 1986
Hendrik Hofstede1986 - 1992
Anton Westerlaken1992 - 1998
Doekle Terpstra1998 - heden