|
nr. 109 sep 2002 |
Solidariteit
Illegale tewerkstelling - een beschouwingVoortdurende behoefte aan flexibel arbeidsreservoirDe geforceerde consensus van het veelbezongen Poldermodel heeft ertoe bijgedragen dat verschillende sociaal-economische kwesties nimmer de politieke agenda haalden. Eén van die klaarblijkelijk te brisante vraagstukken was de groei van de informele economie in het hart van de ontwikkelde, en volgens sommigen overgereguleerde, markteconomie. De polderlandse consensus lijkt haar langste tijd te hebben gehad. Maar de heilige verontwaardiging onder werkgevers en paarse politici was er niet minder om, toen de voorzitter van de FNV, Lodewijk de Waal - nota bene op 1 mei - de gelederen van de bond openstelde voor illegale arbeiders.Natuurlijk vertoonde de polderlandse retoriek al de nodige haarscheurtjes. Enerzijds werden bij tuinders honderden illegale arbeiders aangetroffen. Anderzijds verhief een netwerk van personen, verbonden met vluchtelingengroepen, zwart werk zelfs tot een geuzennaam door de publieke oprichting van Bureau Zwart?Werk. In Den Haag trad het Islamitisch Platform naar buiten met de vorming van een Vakbond voor illegalen. En drie jaar achtereen bonkten gevestigde kerkelijke instellingen hun handen stuk op de Haagse poorten, zonder gehoor te vinden voor ratificatie van de VN Conventie van de migratie. Nog afgezien van het antwoord op de vraag wat De Waal de illegale arbeiders nu werkelijk te bieden heeft, kan de symbolische betekenis van zijn daad moeilijk worden onderschat. De discussie is geopend, en ook al is het politieke bestel er bepaald niet uitnodigender op geworden, het is een goed moment om wat piketpaaltjes te slaan. Horeca en tuinbouwAls we komen te spreken over illegale arbeid, informele economie, zwart werk, illegale tewerkstelling, of precaire arbeid, waar hebben we het dan over? Hadden 'we' deze termen niet gereserveerd voor de zogeheten Derde Wereld met zijn 'achterlijke' en onontwikkelde economieën? In die delen van de wereld is metterdaad het grootste deel van de economie informeel. We zien zelfs op vrij grote schaal de verwijdering van - tot voor kort - industriële arbeid uit de formele sector en 'een weg naar een slechter bestaan' (vrij naar Jan Breman) voor de betrokken arbeiders. Dat proces is echter geen lokaal verschijnsel, maar een integraal bestanddeel van de economische globalisering en de structuurvorm van ongelijke economische ontwikkeling binnen het kapitalisme, en gaat niet aan Nederland voorbij. Laten we eens zien hoe de situatie in Nederland er voor staat. Over weinig zaken wordt zo druk gespeculeerd als over de omvang van de illegale tewerkstelling in Nederland. De ramingen variëren van enkele tienduizenden tot honderdduizenden. Uit de aard van de problematiek is dat aantal uiterst moeilijk vast te stellen. Juist het verboden karakter van de tewerkstelling maakt bovendien dat de betrokkenen het over alles oneens kunnen zijn maar hun 'verbond' (en arbeidsovereenkomst) voor de overheid geheim zullen houden. Een enquête onder hen ligt daarom niet voor de hand. Vanwege haar taak toe te zien op de naleving van de Wet Arbeid Vreemdelingen vormt de Arbeidsinspectie voor veel beroepscijferaars een belangrijke informatiebron. Hoewel deze inspectie toeziet op de naleving van wel 28 wetten, zet zij bijna 30 procent van haar ambtelijke capaciteit op de controle van illegale tewerkstelling. In 2001 schreef de dienst 739 proces verbalen uit van illegale tewerkstelling. Daarbij werd een indicatie gegeven van de spreiding van de overtredingen over de sectoren. Zo bleek de horeca goed te zijn voor 32 procent van de geregistreerde overtredingen; de land- en tuinbouw: 27 procent en de uitzendbureaus en loonbedrijven: 11 procent. De Arbeidsinspectie is verder niet zo informatief over haar werkwijze, wat voor de bepaling van de mogelijke omvang en de genoemde spreiding heel vervelend is. Het jaarverslag meldt verder een verscherpte controle op recidivisten en deelname aan recherchewerk van zogeheten interventieteams voor het Westland, de bouw en de horeca. Op basis van deze cijfers komt het Nederlands Economisch Instituut in 2000 uit op een schatting van 45.000 mensjaren werk, waarin de horeca en de tuinbouw elk goed zijn voor een derde deel. Amsterdamse horecaBegin dit jaar verscheen het geruchtmakende rapport van het Regionaal Interdisciplinair Fraudeteam Amsterdam met cijfers over onder meer illegale tewerkstelling in een deel van de Amsterdamse horeca. Het team bezocht en onderzocht 37 restaurants vanaf najaar 2000 tot juli 2001. De bevindingen logen er niet om. Driekwart van de gecontroleerde bedrijven had de administratie niet op orde en 57 procent had illegale werkers in dienst. Eén op de drie medewerkers bleek vergunningplichtig, en in meer dan de helft (54 procent) van de gevallen bleek die vergunning niet voorhanden. Indien deze gegevens representatief zijn - en die indruk maken ze beslist - voor de ongeveer duizend restaurants die de hoofdstad telt, wordt een zesde deel van het personeel illegaal tewerkgesteld. Het rapport bevat nog een tweetal markante opmerkingen. Ten eerste leek het de rapporteurs in de regel praktisch onmogelijk om met de opgegeven bezetting het restaurant te kunnen runnen. Ten tweede bleek ongeveer 45 procent van het aangetroffen personeel korter dan één week in dienst te zijn. Gegeven het feit dat ondernemers een maand de tijd hebben om nieuw personeel bij de belastingdienst aan te melden, kan een controle als die van het Fraudeteam helpen om dat ook te doen. Maak ik een schatting voor de horeca in geheel Nederland, kom ik op een aantal van 45.000 tot 75.000 illegaal tewerkgestelden, ofwel een zesde tot een vierde van het aantal medewerkers. Alleen via de besparingen op de loonkosten, van 5.000 tot 7.500 euro per werknemer/per jaar, steken de ondernemers jaarlijks een bedrag van minimaal 225 en maximaal 562,5 miljoen euro in de zak. Bepaald geen kleinigheid als je bedenkt dat de jaarlijkse omzet van alle horeca in Nederland ongeveer 6 miljard euro bedraagt. En dan hebben we het nog niet over de omzet en het inkomen dat zonder die inzet van illegalen niet gerealiseerd had kunnen worden. In de land- en tuinbouw is het belang van de illegale tewerkstelling vergelijkbaar en zijn de verdiensten van dezelfde orde. Beide sectoren, elk goed voor miljardenomzetten voor de export en/of de toeristenindustrie, drijven dus structureel op de arbeid van illegalen. Frauderende kroegbazenZwart werk en horeca zijn haast spreekwoordelijk met elkaar verbonden. Ook naar de aard en omvang van dat fenomeen is, en wordt veel, gegist en opvallend weinig concreet onderzoek gedaan. Voor cijfers moeten we terug naar begin jaren tachtig van de vorige eeuw, toen door de belastingdienst onder de welsprekende naam Schuimkraag een poging werd ondernomen de omvang van de problematiek in kaart te brengen en terug te dringen. Via boekenonderzoek van cafés en restaurants en van hun leveranciers kwam naar voren dat vrijwel alle bedrijven tot een derde van hun omzet buiten de boeken houdt. Die vondst leverde de belastingdienst honderden miljoenen guldens aan navorderingen op, maar structurele maatregelen bleven uit. Indertijd had het jachtseizoen voor uitkeringsfraude een hogere politieke prioriteit; van de 16.000 (!) frauderende kroegbazen werden er slechts twaalf (!) voor het gerecht gedaagd. Jegens frauderende ondernemers en andere witte boordencriminaliteit legt de Nederlandse overheid altijd een aan onmacht grenzende behoedzaamheid aan de dag. Dat de inzet van zwart werk en van illegale werkers in de land- en tuinbouw en in de horeca zo'n vlucht heeft genomen, houdt zeker verband met het (arbeidsintensieve) product dat men vervaardigt. Het is aan een tomaat of een bosje radijs en aan een bord eten moeilijk af te lezen hoeveel arbeid daar nu precies in besloten ligt. Als daarbij bovendien op creatieve wijze de grondstoffen en drank worden ingekocht, dan kunnen de kosten, de omzet en winst naar willekeur worden gepresenteerd (en is dus een grote variatie van werkwijzen naast elkaar mogelijk). Een andere parallel is die van de (seizoensgebonden) pieken van bedrijvigheid. Beide sectoren zijn aangewezen op een grote schare van flexibel inzetbaar personeel. Een belangrijk reservoir daarvoor werd traditioneel gevormd door familie en verwanten van de eigenaar en het (vaste) personeel. Het lag niet voor de hand om over hun loon, als zij dat al ontvingen, ook nog eens belastingpremies af te dragen. Met de structuurverandering van de economie in Nederland (van landbouw en industrie naar diensten), de vergrote participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt en de toegenomen scholingsgraad van de jongeren is in de afgelopen decennia een belangrijk deel van het flexibele arbeidsreservoir verdwenen en 'gebonden'. Een ander deel van de beroepsbevolking - met name arbeidsmigranten - werd als gevolg van diezelfde herstructurering 'vrij' gemaakt. Een deel van hen vond al dan niet op flexibele basis emplooi in zowel de land- en tuinbouw als de horeca. Etnisch ondernemerschapWaar in de land- en tuinbouw deze migranten, door de hoge economische en sociale drempels, moeilijk doordringen tot de vaste kern van eigenaar en personeel, laat de horeca een ander beeld zien. Als uitdrukking van de toegenomen koopkracht - in het bijzonder onder jonge, autochtone, hoogopgeleide, tweeverdienende huishoudens - en vanwege de daarmee samenhangende (vakantie)mobiliteit, suburbane leefstijl (yuppen in voorsteden) en bezoek aan (exotische) restaurants, kwam een aantal migranten in de gelegenheid een restaurant te openen. In vergelijking met de landbouw is daarvoor relatief weinig kapitaal nodig; zijn de vereiste vaardigheden door oefening eigen te maken of in te huren; kan discriminatie worden gemeden door met een naar afkomst etnisch homogene groep medewerkers te werken. Uit gewoon winstbejag, vanwege eenzijdige en dure pacht en huurovereenkomsten*), en soms ook vanwege personeelsgebrek zijn deze etnische ondernemers niet minder creatief in het vinden van oplossingen dan hun autochtone collega's, en worden veel illegalen tewerkgesteld. Deze emancipatie of vlucht van migranten naar het ondernemerschap is aan de grotere restaurants, fast food ketens en hotels voorbijgegaan. In dat deel van de sector, waar de honderd grootste concerns en ketens goed zijn voor de helft van de omzet van ongeveer 45.000 ondernemingen, domineren migranten in de laagste en uitvoerende functies. Die functies zien zij nu bedreigd door het mechanisme van uitbesteding, dat vooral bij de grootste ondernemingen sterk aan kracht wint, waarin de illegale tewerkstelling geen uitzondering is. DereguleringInformaliteit is niet wezenlijk voor specifieke activiteiten en heeft in beginsel ook niets van doen met de rechtspositie van de betrokken migranten. Een illegaal kan een reguliere arbeidsplek bezetten (bijvoorbeeld op het Sofi-nummer van een ander) en legaal ingezetenen kunnen informeel economisch actief zijn, in de huishouding, als oppas of als 'beunhaas'. Evenmin is de kwaal met de arbeidsmigranten uit de Derde Wereld geïmporteerd. De schoen wringt juist daar waar werknemers de bescherming van overheidsregulering en regulering op basis van collectieve actie en vakbondswerk wordt ontnomen. Bijvoorbeeld waar een arbeidsinspectie geen prioriteit legt bij de naleving van de cao en de veiligheid en waar het uitzendwezen zozeer wordt gedereguleerd dat koppelbazen vrij spel krijgen. De schoen wringt verder daar waar aan migranten door een rigide immigratiepolitiek de burgerrechten wordt ontnomen en paradoxaal genoeg juist door de gesloten grenzen een 'illegalenproblematiek' ontstaat. Zo de naoorlogse periode valt te karakteriseren door de inlijving van arbeiders in formeel gereguleerde arbeidsbetrekkingen (met massaproductie en -vakbonden), zo koerst het huidige bestel naar een grotere inkomensongelijkheid en een 'precarisering' van omvangrijke delen van de werkende bevolking. ('Precarisering': een proces van doorgaande flexibilisering en deregulering, met als gevolg dat de positie van de werknemer onzeker, hachelijk, riskant, kortom precair wordt.) De Waal heeft dus een complexe discussie aangezwengeld die zelfs de kern van het functioneren van de vakorganisaties raakt. Zeker is al dat deze discussie ter gelegenheid van het Europees Sociaal Forum in Florence (6 tot 10 november 2002) door het Europese netwerk van de Euromarsen aan de orde wordt gesteld. Jan Müter *) Vooral in metropolen als Amsterdam, een administratieve thuisbasis van enkele multinationaal opererende concerns, heerst een ongelijke concurrentie om de schaarse ruimte. Lokale bewoners en ondernemers kunnen hierdoor met grote huurverhogingen worden geconfronteerd. Rond restaurants zijn bovendien complexe eigendoms- en beheersconstructies eerder regel dan uitzondering. Recente schattingen laten zien dat de Amsterdamse ondernemers in de horeca door besparingen op de loonkosten jaarlijks een kwart tot een half miljard euro in hun zak steken. Wegvallen van de bescherming van werknemers door wetgeving, vakbonden en collectieve actie en de verbreiding van een rigide immigratiepolitiek creëren een 'illegalenproblematiek'. |