nr. 98
sep 2000

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Precaire arbeid - een verkenning van de ontwikkelingen in Nederland

Zonder zekerheid en bescherming

In 1978, toen ik als gesjeesde student een paar maanden als 'losverbander' in de ploegendienst bij de Hoogovens in IJmuiden werkte, stond ik er voor mijn gevoel middenin. Vuil, warm, soms zwaar, dikwijls slaapverwekkend werk op het ritme van de machines en op tijden dat het vlees nog aan je botten hangt van de slaap. Voordat ik een paar namen van mijn collega's kende, was ik al weer overgeplaatst naar een andere werkplek. Dat was bepaald ongunstig voor mijn kansen om in de pauzes voor het klaverjassen te worden gevraagd. Heel zijdelings heb ik zo het subtiele spel van de sociale in- en uitsluiting van arbeiders onderling mogen ervaren.

Als losverbander maakte je deel uit van een interne arbeidspool van het bedrijf. Maar ondanks de vele negatieve kanten aan het werk - mijn positie in het bedrijf en de gebrekkige contacten met collega's - wil ik mijn toenmalige positie zeker niet 'precair' noemen. Immers mijn inkomen was zeker, ondanks het feit dat ik de ochtenddiensten met grote regelmaat verzuimde. Ik was verzekerd en had driemaal zoveel geld op zak als ik als student, zonder studiebeurs, gewend was.

Feministen

Als ik spreek van precaire arbeid, dan ben ik geneigd dat in de tijd af te bakenen en te plaatsen in een omvattend debat. Niet om gemakkelijke zaken moeilijk te maken. Het gaat erom dat dezelfde feiten en omstandigheden door mensen naar plaats en tijd nu eenmaal verschillend worden beleefd. Het debat waar ik op doel, gaat over de samenhang tussen de ontwikkelingen in de kapitalistische productiewijze en de internationale arbeidsdeling aan de ene kant en mijn (onze) subjectieve positie aan de andere kant. Ik ben daarin gericht op het behoud of de uitbreiding van mijn autonomie en de bevrijding van en uit de (loon)arbeid.

Belangrijke inzichten voor het overdenken van deze samenhang zijn voor mij door theoretici van feministische huize ingebracht. En dan denk ik met name aan de analyse van en kritiek op de arbeidsdeling naar seksen van betaalde en onbetaalde arbeid en de discriminatie op de werkplek op het terrein van belangenbehartiging en vakbondsstrijd. De accentuering van deze verschillen tussen arbeiders - ondanks hun objectieve gelijkheid ten opzichte van 'het kapitaal' - heeft met het verlies van hun gedroomde eenheid begrippen opgeleverd die vruchtbaar kunnen zijn om de historische dynamiek van de klassenstrijd beter te kunnen doorgronden. Zo hebben feministen het 'arbeidsreserveleger' hernieuwd onder de aandacht gebracht en opnieuw de uitbreiding van de sfeer van de ruilwaarde in de leefwereld aan de orde gesteld. Ik vind dat winst.

Mobiliseren van arbeidsreserve

In veel studies van het economische en politieke herstructureringsproces, waarvan de breuklijn rond 1980 werd gelegd, is de stelling betrokken dat er een einde was gekomen aan het in de geïndustrialiseerde wereld dominante 'Tayloristische' grondpatroon van de kapitalistische productiewijze. Door innovaties van zowel technologische als sociotechnische aard zijn tal van oude vormen en gedachten op hun kop gezet. Daardoor kan de productie anders worden georganiseerd en zijn nieuwe patronen van internationale arbeidsdeling mogelijk gemaakt.

Een aantal van die veranderingen heb ik in het midden van de jaren tachtig leren beschrijven en analyseren. Dit onder meer door met anderen mijn toenmalige werkloosheid tot een geuzenpositie te verklaren. Zo kwamen we er achter dat onze situatie bepaald geen natuurverschijnsel was, maar het resultaat van besluiten van grote ondernemers en politici.

In dezelfde tijd vonden velen dat de werklozen vooral zelf verantwoordelijk waren voor hun situatie en werkten ondernemers, Haagse politici en de vakbondstop eendrachtig de solidariteit tussen werkenden en werklozen tegen. Wij daarentegen (her)vonden het inzicht dat die polderlandse coalitie uit was op het mobiliseren van alle arbeidsreserve om de loonkosten voor de ondernemers te helpen drukken.

Informele sector

Onderwijl maakten wij, mede via de in de antiracistische strijd gegroeide contacten, kennis met het fenomeen van de informele sector. Via het instrument van de uitbesteding van onderdelen van het productieproces kon het wapen van de concurrentie zozeer worden aangescherpt dat grote delen van het werk alleen maar 'zwart' of 'illegaal' gerealiseerd konden worden.

Heel concreet speelde dit in de confectie in onze eigen woon- en leefomgeving. De Turkse handarbeiders die eind jaren zeventig jaren massaal werkloos raakten (Ford, NDSM enzovoort), begonnen in souterrains en garages voor zichzelf en rekruteerden hun gezin en familie in Nederland en hun geboortestreek voor het werk. Vaker wel dan niet, zo leerden we, kwam deze opwelling van etnisch ondernemerschap voort uit initiatieven van de marketing jongens uit het Amsterdamse Confectiecentrum. Voor die flitsende boys werden de aanvoerlijnen uit Azië en landen als Turkije en Marokko te lang om aan de snel veranderende vraag van de grote en kleinere winkelketens te kunnen voldoen.

De innovaties, zoals we die in de wereld van de confectie hebben leren kennen, vonden en vinden hun navolging in andere sectoren. Namelijk daar waar het mogelijk werd om arbeidsintensieve delen van het productieproces technisch en organisatorisch te scheiden. We moeten ons hierbij wel realiseren dat de confectiearbeid, zoals die in de sweatshops, steeds meer een uithoekje vormt van de hele productieketen bedrijfjes die bij de vervaardiging en verkoop van de confectie zijn betrokken. Zo bedragen de loonkosten die met het stikwerk zijn verbonden en 80 tot 90 procent van de bedrijfskosten in de sweatshops uitmaken, dikwijls al minder dan 10 procent van de totale productiekosten.

Een aspect waardoor de ontwikkelingen in de wereld van de confectie de aandacht trokken, is het ogenschijnlijk tegendraadse karakter ervan. Immers, sinds de jaren zestig werden de arbeidsintensieve onderdelen van het productieproces van kleding en textiel naar Azië en elders verplaatst. De nu informele heropleving van deze arbeidsintensieve productieschakel in de nabijheid van de markt brak met deze trend. Het bracht als het ware de derde wereld om de hoek.

Deze situatie is vervolgens door de Nederlandse overheid net zo lang gedoogd tot grootwinkelbedrijven en hun snelle marketingjongens alternatieve aanvoerlijnen hadden opgebouwd vanuit de nieuw geliberaliseerde delen van Oost Europa. Met de toepassing van de wet op de ketenaansprakelijkheid op de confectie is in 1994 het grootste deel van de productie naar landen als Polen verplaatst. Dat wat bleef is in de sfeer van het thuiswerk gedrukt.

Onregelmatig en laaggeschoold

In deze geschiedenis zien we een specifiek samenspel van technologie, marktinformatie, transportmogelijkheden en begrensde mobiliteit van arbeid. Toch ben ik van mening dat de situatie in de confectie illustratief is voor de ontwikkeling die in tal van andere sectoren speelt.

In dit verband kan ik ook putten uit mijn ervaring die ik in 1992 heb opgedaan tijdens een studiereis door Japan. In gesprekken met tientallen (vakbonds)activisten hebben we het ontstaan en een aantal kenmerken van het Japanse managementmodel dat lange tijd in Europa en de VS school heeft gemaakt, leren begrijpen.

Het model dat ik in Japan tegenkwam, zijn we Toyotisme gaan noemen. Inmiddels zijn velen, ondermeer via de regelmatige publicaties hierover in Solidariteit, vertrouwd geraakt met begrippen als kwaliteitsmanagement, Kanban of Just in Time, lean production, uitbesteding en toelevering, tot en met het fenomeen van de gele bonden.

In die Japanse situatie kon je voor verschillende economische sectoren een duidelijke productie- en arbeidsdeling waarnemen. Aan de ene kant de zogenaamde kernarbeiders, werkzaam bij de multinationaal opererende concerns, en aan de andere kant een groot en vlottend leger van arbeiders, werkzaam in de toeleveringsindustrie. En hoe lager in deze piramidaal gestructureerde productieketen, hoe meer precair de arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden. Ik schat zowel de categorie van kernarbeiders als die van de precaire werkers op eenderde van het totaal. De precaire arbeid is in dit systeem dan ook geen toevallig of tijdelijk fenomeen, zoals de informele confectie in Amsterdam destijds, maar een structuurcomponent van het geheel.

Met hun enthousiaste omarming van het Japanse model ontwikkelden de Nederlandse bedrijven zich steeds meer tot 'slanke' bedrijven. Taken als catering en schoonmaak werden als eerste uitbesteed. Maar alras volgden technisch specialistische activiteiten als onderhoudswerkzaamheden. Hele afdelingen werden en worden verzelfstandigd, gekanteld en zelfs binnen één concern in een concurrentieverhouding geplaatst. Het is dan ook niet voor niets dat het werkgelegenheidswonder, dat door het span Lubbers en Kok in het begin van de jaren negentig werd ontketend, voor 90 procent onregelmatige en laaggeschoolde arbeid betreft.

Gesegmenteerde arbeidsmarkt

Deze structuurwijziging van de economische activiteiten voltrekt zich natuurlijk niet zonder gevolgen voor de arbeidsmarkt. Met de hiervoor geschetste situatie in Japan voor ogen koersen we af op een sterker gesegmenteerde arbeidsmarkt, waarin naast opleiding en arbeidsverleden de verschillen in sekse en etniciteit volledig zullen worden benut. Geleidelijk doemen de contouren op van een meervoudig gesegmenteerde arbeidsmarkt, vol onzichtbare, maar voor de betrokken werkers en werksters doorgaans onneembare hindernissen en blokkades. Segmenten die gemakkelijk hun uitdrukking vinden in moeilijk meetbare, maar voor betrokkenen wel herkenbare verschillen in levensstijl en attitudes. Zo is bij een groeiend aantal bedrijven een middelbare beroepsopleiding een ondergrens voor de selectie van personeel. Nieuwe eisen op gebied van taalvaardigheid, communicatieve mogelijkheden en computergebruik zorgen er voor dat een groot deel van de arbeiders versneld wordt afgeschreven.

(Voor alle duidelijkheid; met mijn aandacht voor precaire arbeid beweer ik niet dat het in de andere uithoeken van de arbeidsmarkt koek en ei is. Wel ben ik van mening dat van de denivellering van inkomens en het opnieuw vóórkomen van precaire arbeidsverhoudingen een disciplinerende werking uitgaat. Er ontstaat een wereld van winners en loosers.)

Volkshuis

Mede ingegeven door de ervaringen in Japan, waarin naast en tegenover de dominante 'gele' bonden kleine en militante lokaal opererende bonden van dagloners en werkers in de toeleveringsindustrie bestaan, ben ik betrokken geweest bij de opzet van een 'Volkshuis' in Amsterdam Oost. Daarin probeerden we, naast het scheppen van voorzieningen voor het eerste levensonderhoud van werkers in de informele sector in de buurt, een start te maken met belangenbehartiging vanuit een lokale basis. Eén van de overwegingen daarbij was dat werkers op de precaire en informele werkplekken - en dat onderscheidt hen van de traditionele basis van de vakbonden - door het vluchtige en tijdelijke karakter ervan, geen stabiele relaties met collega's/lotgenoten en daarom moeilijk een band van onderlinge solidariteit kunnen ontwikkelen. Verder lieten we ons inspireren door de ervaring van de 'civics' in Zuid-Afrika, waarin een gemeenschap via openbare vergaderingen zaken ter hand neemt naast of tegenover het door verkiezingen gelegitimeerde bestuur. De opkomst bij de lokale verkiezingen in Amsterdam Oost lag indertijd beneden de 40 procent van de stemgerechtigden.

Nog vóór dit initiatief tot een Volkshuis, bestonden in Amsterdam en later ook in Den Haag en Leiden ondersteuningscomités. Dat waren verbanden van Nederlandse en etnische 'zaakwaarnemers' die ageerden tegen de uitbuiting van de zwakke rechtspositie van de werkers door de grootwinkelbedrijven en (glas)tuinbouwbedrijven en zich sterk maakten voor de legalisering van de werkers. Een deel van deze comités is nog altijd actief rondom de legalisering van de groep van de zogenaamde Witte Illegalen.

Door tal van interne tegenstellingen in dit interculturele initiatief, door inschattingsfouten en politionele interventies is het Volkshuis helaas mislukt.

Bond op grote afstand

Na het Volkshuis heb ik nieuwe ervaringen opgedaan, deze keer bij de ondersteuning van groepen werkers in de Amsterdamse horeca. Daar liepen we tegen de vakbeweging op. We hadden dat al eerder meegemaakt in de tijd van de informele confectie. Toen stond de toenmalige Industriebond FNV vooraan bij pogingen tot politionele onderdrukking van de informele economische activiteiten. Vandaag de dag staat ook de Horecabond FNV mijlen verwijderd van de dagelijkse terreur die in en rond de keukens heerst. In het beste geval komt de bond tot de voorbereiding van een juridisch gevecht over de naleving van de cao in de restaurants. Maar tegen de tijd dat de zaak voor de rechter komt, is een deel van de betrokken werkers op eigen initiatief vertrokken (naar een ander bedrijf of terug naar Spanje of Bangladesh) en heeft een ander deel een onderhandse deal met de bedrijfsleider gesloten.

Helaas is het tot op heden nog niet mogelijk gebleken een stabiel verband te formeren van werkers uit de horeca en andere sectoren van precaire arbeid om van daaruit een palet van gepaste strijdmiddelen te ontwikkelen. Op dit moment denken we aan activiteiten gericht op het bundelen en toegankelijk maken van de kennis van werkplekken en arbeidsomstandigheden. Waarschijnlijk via e-mail, omdat tal van de precaire werkers tevens stadsnomade zijn. Hun e-mail adres lijkt vooralsnog het meest 'vaste' punt in hun leven. Tot elke prijs dient evenwel voorkomen te worden dat de strijd voor autonomie een virtueel karakter krijgt.

Jan Müter
(werkzaam bij Stichting Searchweb in Amsterdam)