nr. 98
sep 2000

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Fundamenteel bezien - verzwakkende staat

De staat in het kenniskapitalisme

Eerder in deze reeks van artikelen werd aandacht besteed aan de gebruiks- en de ruilwaardekant in het kenniskapitalisme en werden twee 'oudere' opvattingen over globalisering belicht. Deze keer gaat het over de rol van de staat in het kenniskapitalisme. Maar eerst nog even in herinnering gebracht dat de overgang van het industrieel naar het kenniskapitalisme net zo fundamenteel is als die van het feodalisme naar het industrieel kapitalisme. En voorts opnieuw benadrukt dat het kenniskapitalisme een, de hele wereld omspannend kapitalisme zal zijn.

Dat laatste brengt ons meteen bij de vraagstelling van dit artikel (en dat in het volgende nummer): heeft de staat, die per definitie een nationale staat is, in die nieuwe vorm van kapitalisme een plaats? En zo neen, zal er een nieuwe institutie moeten komen om functies die nu door de staat worden uitgeoefend, te vervullen? En hoe zal die institutie er dan uit moeten zien? Om hierover iets meer kunnen zeggen, wordt eerst kort stilgestaan bij de nationale staat en het erosieproces waaraan die onderhevig is. Zal de bestaande staat ten onder gaan in het globaliserend informatie- en communicatiekapitalisme?

Machtsverlies

Vele verschijnselen wijzen in de richting van machtsverlies van de staat. In vorige nummers van Solidariteit, met name bij bespreking van de rol van de Wereld Handelsorganisatie, is hiervoor aandacht gevraagd. De verzwakking werd daarbij gekoppeld aan de transnationalisatie van kapitaal.

Maar ook de technologieontwikkeling, die ten grondslag ligt aan het kenniskapitalisme, heeft elementen in zich die direct bijdragen aan het machtsverlies van de staat. Neem internet. Dat onttrekt zich aan regulering door de staat, omdat het ongrijpbaar is. Als 'hackers' kans zien in de geheimen van het Pentagon in te breken en als individuen, door het inplanten van virussen, delen van de communicatie binnen en tussen overheden kunnen ontregelen, is er inderdaad sprake van machtsverlies. Op deze terreinen is de overheid haar machtsmonopolie kwijt. Met de nucleaire technologie was dat al het geval. Hier hebben de machtigste staten nog getracht met non-proliferatieverdragen de verspreiding van kennis en toepassing van nucleaire technologie in te dammen, om aldus een gedeeld monopolie over te houden.

Burgerlijke maatschappij

Door de transnationalisatie van kapitaal met haar eigen logica en door het karakter van de technologieontwikkeling, verliest de staat het machtsmonopolie. Dat heeft gevolgen voor de zogenaamde civil society. Ik gebruik dit begrip, omdat ik het in de literatuur regelmatig tegenkom. De civil society (burgerlijke maatschappij) is het netwerk van allerlei maatschappelijke relaties die zich buiten het domein van de overheid in brede zin (als drager van de publieke zaak), ontwikkeld hebben. Het is de hele maatschappelijke structuur, bestaande uit kerken - vakbonden - coöperaties - allerlei verenigingen op het terrein van de sport, amateurtoneel, 'goede doelen' - natuur- en milieuorganisaties - EHBO-organisaties -dierenbescherming enzovoort. Om de vele voorbeelden te vinden, raad ik aan de inhoudsopgaven van stadsgidsen maar eens na te lopen.

Een wezenlijk onderdeel van de civil society is het (kapitalistische) bedrijfsleven, met name voor zover het georiënteerd is op het nationale territoir. En dus maken ook de klassenverhoudingen er deel van uit.

Nu bestaat er tussen staat en civil society een wisselwerking. De civil society is de kweekvijver, de inspiratiebron, de stimulator en wat dies meer zij van de staat. De staat van zijn kant ordent voor een belangrijk deel de civil society. Hij garandeert de rechtsvorm, neemt de verantwoordelijkheid voor de geldcirculatie en voor de interne (politie en justitie) en externe (leger) veiligheid, bemoeit zich met de mededinging, reguleert de tegenstelling tussen loonarbeid en kapitaal, houdt zich bezig met het onderwijs enzovoort.

In tijden van stabiele verhoudingen tussen staat en civil society geschiedt de ordening niet door dwang, maar op een zodanige wijze dat die 'society' de ordening accepteert, rechtvaardigt en zich eigen maakt. Instrumenten daarbij zijn meerderheidsbesluiten door gekozen organen (wetten), verleiding (subsidies), opvoeding (onderwijs en bevordering van cultuuruitingen) en dergelijke. In stabiele periodes speelt de heersende ideologie een belangrijke rol. Gedurende instabiele periodes (in Nederland ten tijde van de kraakbeweging bijvoorbeeld) wordt het geweldsapparaat van stal gehaald. In normale tijden grijpen de processen van wederkerige beïnvloeding evenwichtig in elkaar, in tijden van grote verandering kunnen die processen van wederkerige beïnvloeding uit het lood geraken.

Verlies van legitimatie

Welnu, terugkerend naar het huidige machtsverlies van de nationale staat dringt zich de voor de hand liggende conclusie op dat dit gevolgen heeft voor de civil society. De staat, de civil society en de verhouding tussen beide zijn dan ook aan erosie onderhevig. Om de Nederlandse staat als voorbeeld te nemen; onder slogans als 'privatisering' en 'geen betutteling' werd de ordening op een lage pit gezet. Het bracht de staat enerzijds geld op en anderzijds werden daardoor bekwame staatsdienaren in het bedrijfsleven ingelijfd en onder het regime van de kapitalistische logica geplaatst. Daarnaast bekommerde de overheid zich nauwelijks om de sociaal-economische positie van haar dienaren (bezuinigingen, salarisvermindering). Met als gevolg dat hun inkomenspositie steeds verder achterraakte op die van werknemers in het bedrijfsleven. Hierdoor kwam een keten van negatieve impulsen in gang die zich voortzette in een uittocht van bekwame ambtenaren en resulteerde in een kwalitatieve verzwakking van het staatsapparaat. (Zie: Tom-Jan Meeus, De eenzame ambtenaar, NRC Handelsblad, 12 augustus 2000.)

De staat verliest macht en gezag, hetgeen in de afkeer van 'de politiek' bij het grote publiek manifest wordt. Het is te beschouwen als een verlies van legitimatie. Het is terug te vinden in de bekende verandering van waarden en normen, zeg maar: verandering van de ideologie in de civil society. Gold in de jaren zeventig voor grote groepen mensen 'solidariteit' nog als een handvat voor onderling verkeer, inmiddels heet dit handvat 'individualisering' met alle eigentijdse verschijnselen van dien. Zoals het graaien naar het grote geld door de leiders van het bedrijfsleven.Verwaarlozing, met als bijverschijnsel privatisering van de zorg en het onderwijs en als extreme uitschieters een toenemende agressie ten opzichte van elkaar (om te beginnen rond de sport en in het verkeer) en een afkeer van vreemdelingen, zijnde de zondebok van de erosie.

Tegen deze achtergrond dringt de vraag voor het volgende nummer zich op. Zal er in het kenniskapitalisme iets groeien dat de restanten van de nationale staat in zich op kan nemen en voorts, in de nieuwe verhoudingen, de functies kan vervullen die verwijzen naar de functies van de eroderende nationale staat? En zal in samenhang hiermee zich een nieuwe civil society kunnen ontwikkelen?

Wim Boerboom