nr. 95
april 2000

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Fundamenteel bezien - kenniskapitalisme (3)

Kennis als kapitalistische koopwaar

Als er sprake zal zijn van een kenniskapitalisme, zal het voorwerp van productie, distributie en besteding ook 'koopwaar' zijn. En dat houdt in dat aan de voortbrengselen twee kanten zitten, die van de gebruikswaarde en die van de ruilwaarde. Over de eerste, die samenhangt met de maatschappelijke behoeften en het maatschappelijk nut, is in het vorige nummer van Solidariteit geschreven. Nu de ruilwaardekant. Daarbij zij nogmaals gewezen op het hypothetische karakter van de hierna volgende uitspraken. Alles moet nog bevestigd dan wel gelogenstraft worden. Ze komen voort uit redeneringen naar analogie, logische redeneringen, verwachtingen op grond van trends en dergelijke.

Zoals in nummer 94 gesteld, zal de kenniskoopwaar zaken omvatten die nu nog veelal van collectieve aard zijn, voortgebracht door (semi)publieke organisaties en instituten. Voortbrenging van ruilwaarden*), dat wil zeggen: van op de markt verhandelbare producten, stelt eisen aan het private karakter van de producenten. Voortbrengers van kennisproducten moeten als volwaardige marktpartij private (rechts)personen zijn, die soeverein kunnen handelen en beslissen. De kennisproducten moeten voorwerp van private eigendom kunnen zijn, hetgeen inhoudt dat ze als een zaak geïdentificeerd (omschreven) kunnen worden en dat een eigendomsverhouding (in de zin van 'het volledige genot hebben van' en 'de volledige beschikkingsmacht hebben over') tussen deze zaak en een private (rechts)persoon kan worden vastgesteld. De koopwaren moeten ruilbaar zijn tegen andere koopwaren. Ze moeten, wat Marx noemt, de dodensprong, de salto-mortale, hebben gemaakt; het bewijs hebben geleverd dat ze commercieel zijn. Dit blijkt als er effectieve vraag, uitgedrukt in geld, naar bestaat.

Wel, de huidige realiteit blijkt steeds meer aan te sluiten bij deze karakteristieken van koopwaar.

Patent op intellectueel eigendom

Het publieke karakter van universiteiten en andere instituten in het hoger onderwijs, van researchcentra, laboratoria en wetenschappelijke instituten transformeert zich gaandeweg in dat van een private rechtspersoon met de trekken van een onderneming (ondernemende universiteit). Het gaat hier om bewuste privatisering, maar ook om een sluipende, door commerciële contracten tussen bedrijfsleven en de hier bedoelde instellingen (sponsoring van onderzoek bijvoorbeeld) en de overname van normen, regels, opvattingen en praktijken van het private bedrijfsleven (bijvoorbeeld winstdoelstelling van contractonderzoek). De transformatie is nu nog niet exact aanwijsbaar, maar er bestaat een trend in die richting.

De identificatie van kennisproducten en de vaststelling van een eigendomsverhouding met een private (rechts)persoon zijn herkenbaar in de praktijk van de vastlegging van het 'intellectuele eigendom' in patenten, auteursrechten, licenties en dergelijke. Ook in dit opzicht is een trend weer onmiskenbaar aan te wijzen. In Solidariteit nummer 93 is deze kwestie, onder verwijzing naar de praktijken van Monsanto, multinational in onder andere zaden, aangeroerd. Recentelijk trok een ander voorbeeld de aandacht. Namelijk de aangekondigde verplichting van sportscholen - die een op de vechtsport gebaseerde aerobicscursus, genaamd Tae Bo, willen geven - om een bedrag van vijf gulden per cursist over te maken op de rekening van de bedenker Billy Blanks (NRC Handelsblad, 22 februari 2000). Maar ook ideeën die ontspruiten aan het brein van Endemol, en in kaart gebrachte DNA-structuren worden voorwerpen van handel en, à la Marx gezegd, van Plusmacherei. Met behulp van patenten, licenties, auteursrechten en wellicht ingebouwde software zullen voortbrengselen van de hersenen (wetenschap en onderzoek), bestemd voor de binnenkant van het individu, als zaken van privaat eigendom worden geïdentificeerd en met het oogmerk van winstmaximalisatie verhandeld op de geglobaliseerde markt waar vrije concurrentie heerst. Bijvoorbeeld voor de bevrediging van de behoefte aan inzicht in het kosmisch gebeuren en de plaats van de mens daarin, aan inzicht in de natuur als duurzaam milieu voor menselijk en dierlijk leven, aan de gang van samenlevingen door de tijd. In het algemeen voortbrengselen die de behoefte aan bevrijding van angsten, stress, opgejaagdheid bevredigen Althans, dat zou als een hypothese gesteld mogen worden, meer niet tot nu toe.

Reproductie van arbeidskracht

Om na te gaan welke producten dit zal opleveren, moeten we vaststellen wat de kosten van het reproductiepakket van de voortbrengers zullen zijn. Want dat wilde de ellips uit Solidariteit nummer 94 duidelijk maken. In elke vorm van kapitalisme is het (niet-bewuste, maar wetmatige) oogmerk van een productie onder een regime van winstmaximalisatie in principe: reproductie van arbeidskracht. Dat was ook het geval in het industriële kapitalisme. Wat nou, kan men tegenwerpen: in het industriële kapitalisme zijn toch ook goederen voortgebracht voor kinderen, huisvrouwen, ouderen, zieken, geestelijk gehandicapten en niet alleen voor de arbeidskracht die betrokken is in het (re)productieproces?

Tja ..., maar om inzicht te krijgen in deze kwestie moeten we toch eens nagaan in hoeverre individuen die op het eerste gezicht buiten het kapitalistische reproductieproces staan, bij nader inzien toch een functie hebben in het kapitalistisch economisch gebeuren. Kinderen: toekomstige arbeidskracht; huisvrouwen: onbetaalde diensten (opvoeding toekomstige arbeidskracht, dagelijkse verzorging van functionerende arbeidskracht); werklozen: consumenten. Door de wetten van het systeem, die zich volgens Marx "achter de ruggen van de mensen voltrekken", kregen in het industriële kapitalisme ook anderen dan degenen die direct en volledig als arbeidskracht in het reproductieproces betrokken waren, een deel van 'de koek'. Wie dan nog overbleef, verviel tot armoede, tenzij de Staat, op basis van andere dan kapitalistische normen, via wetgeving wat afroomde en aan deze overblijvers toeschoof (ziekenfonds, AOW, bijstand). Welnu, deze praktijk uit het industriële kapitalisme zouden we met betrekking tot het kenniskapitalisme door redenering naar analogie weer op het spoor moeten zien te komen.

Maar hierover een volgende keer. Wel zij nu al gewezen op het belang van inzicht in deze kwestie. Want hieraan zullen we inzicht moeten ontlenen inzake de zogenaamde tweedeling binnen de samenleving, waarover nu al vaak gesproken wordt. En daarin ligt ook het aangrijpingspunt voor eisen, te stellen aan de Staat, en de organisatie van de weerstand tegen de maatschappelijk onaanvaardbare effecten van de nieuwe vorm van kapitalisme. Wordt vervolgd.

Wim Boerboom

*)Dit is één van de meest omstreden onderdelen uit de marxistische politieke economie. Omstreden althans voor de beoefenaren van de gangbare economie. Zij hebben de ruilwaarde, zijnde de arbeidswaarde, afgewezen en daarvoor in de plaats een waardebegrip gesteld, ontleend aan de schaarste. Want - en dit was hùn centrale probleem - het waardebegrip, ontleend aan de schaarste, zou een betere verklaring voor de marktprijzen geven dan de arbeidswaarde. Zij vergaten daarbij dat onder de dagelijkse schommelingen van de marktprijzen een trendmatige basis 'prijs' schuil gaat. Eveneens vergaten ze dat Marx, maar ook diens voorgangers als Adam Smith en David Ricardo, het begrip arbeidswaarde gebruikt hadden als een kwalitatieve dimensie, waarin zij hun economische analyse uitdrukbaar konden maken. Tenslotte hebben ze te weinig aandacht geschonken aan de substantie van de arbeidswaarde bij Marx, te weten: een soort energiefonds bestaande uit het in elkaar grijpen van spierkracht, hersenen, zenuwen enzovoort. Dit was voor Marx de substantie van abstracte arbeid, waaraan hij het arbeidswaardebegrip ontleende. En waar de hoogte van de arbeidswaarde in het geding was, het kwantitatieve aspect dus, hebben ze zich over het algemeen niet gerealiseerd dat Marx daarvoor het begrip 'gemiddeld maatschappelijk noodzakelijke arbeid' hanteerde.

Om in die zin het begrip 'ruilwaarde' in het kenniskapitalisme te willen opsporen, moet met al deze elementen rekening gehouden worden. Daarvoor is het niet nodig een nieuw begrip 'waarde' in te voeren. Alleen de zwaartepunten binnen de substantie abstracte arbeid zullen verschuiven. Lag in het industriële kapitalisme het zwaartepunt binnen het zogenaamde energiefonds meer bij de spierkracht, in het kenniskapitalisme zal het wellicht meer bij de inspanning door de hersenen en misschien ook bij de zenuwen komen te liggen.

tekening Francisco Gonzalez