nr. 95
april 2000

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Recht en Arbeid - een bijzonder ontslagbesluit (6)

Jokken is niet zonder risico

Voor 96 havenwerknemers is op 22 december 1998 het collectief ontslag aan de Regionaal Directeur Arbeidsvoorziening (RDA) gemeld. Een afschrift hiervan ging naar de betreffende bonden van FNV en CNV die het allemaal prima vonden en hun mond stijf dichthielden. Enige tijd later is op dezelfde gronden voor ieder van de werknemers, die nog geen ander werk had gevonden, ook een individuele ontslagvergunning gevraagd. De vergunningen zijn uiteindelijk verleend en de werkgever heeft daarvan ook gebruik gemaakt. Maar daarmee is de zaak nog niet klaar. Als nu de werknemers kunnen aantonen dat in de ontslagaanvraag genoemde gronden onjuist zijn, wat is daarvan dan het rechtsgevolg?

In een oud arrest van de Hoge Raad (HR, 11 mei 1979) is bepaald dat de werkgever die de RDA onjuist inlicht omtrent de redenen van het ontslag, een zogenaamd kennelijk onredelijk ontslag kan geven. In een recente uitspraak (HR, 3 december 1999) is deze regel preciezer ingevuld. Als het vermoeden gerechtvaardigd is dat de RDA mede de afgifte van de ontslagvergunning heeft verstrekt onder invloed van onjuiste informatie, is dat nog niet automatisch 'kennelijk onredelijk'. Maar de werkgever komt dan wel voor een moeilijke opgave te staan. Hij moet bewijzen dat hij ook wel een vergunning had gekregen, als hij niet 'gejokt' zou hebben. Huiselijk gezegd: kleine jokjes worden niet bestraft, grote jokjes hebben nare gevolgen. In de zaak van de ex-werknemers van de Amsterdamse havenpool heeft de werkgever er behoorlijk op los gelogen. Dat weten we nu zeker, omdat dat ook zo onder ede is verklaard door de aanvraagster van de ontslagvergunning, mevrouw Pront. We zullen Pront, door de RDA zelf als manager gedetacheerd bij de havenpool (toen SPAN), aan het woord laten. Eerst als aanvraagster van de ontslagvergunning, daarna als getuige bij de kantonrechter. Dat gebeurt in zes punten.

Afgeweken van een akkoord

Punt één. Pront begint als volgt: "De melding betreft dus het voornemen om het dienstverband met 96 werknemers op te zeggen (...) Een en ander is volstrekt conform de bestaande akkoorden." In het zogenaamde Hoofdlijnenakkoord dat de bonden afsloten, staat dat op grond van testresultaten door een objectief en ook nog onafhankelijk instituut een selectie zou worden gemaakt voor een A-pool (SPAN) en een B-pool (SPANO). Zo is het echter niet gegaan. Pront zegt bij de kantonrechter dat zij op vrijdag 18 mei 1998 de testresultaten aan de directeur heeft gegeven [noot: vrijdag 18 mei bestaat niet]. Bosschieter, de directeur die de eerste ronde voor zijn rekening nam, zegt daarop dat hij geen plaats had voor al die mensen wier testresultaten hij had gekregen. "Daarom heeft nadere selectie plaatsgevonden aan de hand van andere selectiecriteria."

Die "andere criteria" stonden niet in het Hoofdlijnenakkoord. Ze zijn, zegt het bestuur, op een vergadering van op 11 juni 1998 opgesteld door het bestuur, waarin Arbeidsvoorziening en bonden vertegenwoordigd waren. Of het allemaal zo is gegaan, doet er niet zoveel toe; feit blijft dat de selectie niet conform, laat staan "volstrekt conform", het Hoofdlijnenakkoord heeft plaatsgevonden.

Niet volgens de wet

Punt twee. In de ontslagaanvraag schrijft Pront: "De ondernemingsraad werd reeds geruime tijd geleden van het voornemen op de hoogte gesteld en er werd met betrekking tot het voornemen uitgebreid overleg gevoerd met de ondernemingsraad." Hier moeten twee momenten onderscheiden worden. De splitsing medio juni 1998, die Bosschieter voor zijn rekening nam, en de ontslagaanvraag voor de personeelsleden die in de scholingspool terecht waren gekomen, die door Pront eind 1998 begin 1999 werd verzorgd. De voorzitter van SPAN en SPANO, tevens bondsbestuurder, Ter Wisscha, onder ede: "In juni 1998 is uitvoering geven aan het hoofdlijnenakkoord in die zin dat toen de tweede fase is ingegaan. Daarvoor heeft de ondernemingsraad van SPAN te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan het geven van een advies." Uit de OR-info van 9 juni 1998 blijkt dat de ondernemingsraad juist bezwaar heeft tegen het feit dat geen overleg wordt gevoerd. "Wij houden vast aan ons standpunt adviesrecht te hebben, aangezien er nergens vermeld wordt dat besluiten die genomen worden naar aanleiding van een eerder gesloten akkoord niet onder dit wetsartikel vallen, en zelfs als dat zo is, dan zijn ze zo afwijkend van dit akkoord dat ze door ons als nieuw beschouwd worden."

In twee gevallen heeft hier de voorzitter het mis. Er werd voor wat betreft de wijze van selecteren van personeel, zoals ook de ondernemingsraad correct opmerkt, afgeweken van het Hoofdlijnenakkoord. Verder wilde de ondernemingsraad wel degelijk advies uitbrengen. En met recht, de raad kan zijn opvatting baseren op willekeurig welk onderdeel van artikel 25 van de Wet op de Ondernemingsraden.

Valse informatie

Punt drie. Over de collectieve ontslagaanvraag zou ook overleg zijn gevoerd. En wel uitvoerig met de ondernemingsraad! Pront later in het getuigenbankje: "SPAN had geen eigen OR. Voor mijn aanstelling was al besloten dat de belangen van de SPAN-werknemers mede door de OR van SPANO zouden worden behartigd. In de melding collectief ontslag wordt met 'De ondernemingsraad' gedoeld op de OR van SPANO."

Het ligt toch wel voor de hand dat de RDA heeft gedacht dat met de "OR" ook de ondernemingsraad van SPAN werd bedoeld en niet die van SPANO.

Punt vier. In de ontslagaanvraag schrijft Pront: "Voor de goede orde, de ontslagvergunning geldt voor de werknemers die feitelijk geen werkzaamheden verrichten in de Amsterdamse Haven, doch louter vanwege inkomensgarantie, opleidingsfaciliteiten en mogelijke doorstroming naar SPANO nog in dienst zijn." Onder ede verklaart zij: "Deze stelling is niet geheel juist. Het grootste deel van de groep van 96 werknemers werd niet meer voor werk opgeroepen. Een deel was arbeidsongeschikt, een ander deel was onbereikbaar, en nog weer een deel was wel bereikbaar en werd ook nog wel opgeroepen. Ik licht dit nader toe als volgt. Havenbedrijven die mensen nodig hadden namen eerst contact op met SPANO. De bestekers van SPANO hadden 2 systemen in hun computer. In het eerste systeem zaten mensen van SPANO, in het andere mensen van SPAN. Als uit het eerste systeem te weinig mensen kwamen, werden uit het tweede systeem mensen benaderd. In de praktijk bleek dat uit het tweede systeem steeds een groep van twintig mensen benaderbaar was. Deze twintig personen werden zeer regelmatig opgeroepen, vaker dan volgens hun contract zou hoeven."

Voor de RDA, die uiteindelijk een ontslagvergunning heeft verleend, was dit een belangrijk gegeven: "Het aangevoerde argument dat werknemers van SPAN ook vergelijkbare werkzaamheden zouden verrichten als werknemers van SPANO, blijkt op grond van de mij overgelegde stukken niet te herleiden tot een aanwijsbare structurele situatie." Verder overweegt de RDA in zijn vergunning: "Gelet op de aanstaande beëindiging van de activiteiten van SPAN als zelfstandige eenheid komen de aldaar bestaande arbeidsplaatsen te vervallen; bij gebreke van een passende oplossing is ontslag daardoor onafwendbaar." Dat dacht hij, er waren echter wel passende oplossingen, maar die werden hem niet verteld.

Geritsel

Punt vijf. Pront heeft verklaard: "De mensen van SPANO zouden volgens hun contract drie dagen werken, de mensen van SPAN een dag. De planning van SPANO hield met dat gegeven geen rekening. Als mensen van SPANO langer dan hun drie dagen wilden werken, dan kregen ze die gelegenheid. Als er dan nog mensen tekort waren, dan werd naar mensen in het tweede systeem gezocht. Ik heb als manager van SPAN bij het bestuur van SPAN aangegeven dat het werk eerlijker zou moeten worden verdeeld. (...) Het bestuur was het met mij eens. Het bestuur verzocht Schwarzwälder ['operationeel manager'], die bij de desbetreffende bestuursvergadering aanwezig was, daarop te letten en er voor te zorgen dat rekening zou worden gehouden met het aantal dagen dat werknemers van SPANO cq SPAN volgens hun contracten zouden werken. Dit was een gecombineerde bestuursvergadering van SPAN en SPANO."

Over de groep van twintig SPAN-medewerkers die wel, ondanks de oneerlijke verdeling van het werk zeer regelmatig voor SPANO werkten, verklaart Pront: "Op de vraag of ik kan zeggen waarom de twintig mensen, waarover ik hiervoor heb verklaard niet naar SPANO zijn doorgestroomd, antwoord ik dat het het bestuur van SPANO is dat besliste over de formatie van SPANO en over de eventuele uitbreiding daarvan."

Dat is wel een erg formele redenering en in de regel wordt in het arbeidsrecht daar doorheen gekeken. Er waren met andere woorden wel degelijk andere passende oplossingen, en alles conform het Hoofdlijnenakkoord.

Punt zes. In de ontslagaanvraag schrijft Pront: "Voor wat betreft de verplichtingen aangegaan in het akkoord op hoofdlijnen dient er een beroep op SPANO te worden gedaan." De mededeling dat SPAN geen middelen meer zou hebben, is zonder toelichting onvolledig en daarmee ook misleidend. In het Hoofdlijnenakkoord hadden werkgevers zich verplicht via de stichting B [SPANO] 10.000 diensten af te nemen van de scholingspool [SPAN]. Dat heeft plaatsgevonden. Maar met de inkomsten is toch wel iets vreemds aan de hand. Pront: "In de melding collectief ontslag staat dat SPAN geen enkele inkomsten heeft. Ik licht dit toe als volgt. Als gezegd werden ook mensen van SPAN ingeleend. De havenbedrijven maakten de voor deze SPAN-mensen verschuldigde kosten over aan SPANO. SPANO maakte vervolgens ingevolge een daartoe voor mijn aanstelling als manager genomen bestuursbesluit aan SPAN niet meer over dan het brutoloon dat SPAN aan haar desbetreffende werknemers verschuldigd was. De vereiste inhoudingen werden door SPAN gepleegd en afgedragen."

De reden waarom SPAN geen inkomsten had, was gelegen in het feit dat SPAN haar inkomsten aan SPANO liet.

De RDA concludeerde in ieder geval, blijkens de afgegeven ontslagvergunningen, dat er naar zijn mening geen verwevenheid van de stichtingen bestond. Indien de RDA zou hebben geweten dat met de ondernemingsraad die van SPANO zou zijn bedoeld, dan had hij op het punt van de verwevenheid mogelijk zijn oordeel anders doen luiden. Had hij ook nog geweten dat de besturen van SPAN en SPANO regelmatig gezamenlijk vergaderden, dat het geld dat SPAN verdiende ten goede kwam aan SPANO, SPAN geen eigen kantoororganisatie had en bovendien in ieder geval twintig werknemers van SPAN regelmatig voor SPANO werkten, dan had hij wellicht wel verwevenheid aangenomen. Het is aan SPAN om te bewijzen dat zij, indien zij de RDA wel correct had ingelicht, ook een ontslagvergunning had gekregen. Slaagt SPAN niet in dat bewijs, dan is er sprake van een schadeplichtig ontslag. Gezien het harde bewijs dat de werknemers inmiddels hebben verzameld, lijkt deze conclusie zich op te dringen.

Pim Fischer