nr. 93
nov 1999

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Fundamenteel bezien - kenniskapitalisme

Van het 'NIK' naar het 'GICK'

In nummer 88 van Solidariteit (januari 1999) heb ik, behoudens de fundamenten van de marxistische politieke economie, ook het kenniskapitalisme aan de orde gesteld. Over dit laatste onderwerp wil ik wat verder filosoferen en in dat verband ook stilstaan bij prangende vragen als: - wat is het huidige gezicht van het kapitalisme? - is de markt de 'Stellvertreter' (plaatsvervanger) van de menselijke rede? - bestaan er nog perspectieven voor een samenleving naar menselijke maat? - heeft het socialisme nog een kans? - hebben de traditionele arbeidersorganisaties nog een perspectief?

Uiteraard zijn alle uitspraken hierover bespiegelingen. Je kunt de toekomst hoogstens enigszins doorgronden door middel van het doortrekken van trends uit het verleden, redeneringen naar analogie, de introductie van nieuwe begrippen en het herleiden van verschijnselen tot erkende sociale en politiek-economische wetten.

Voorts is de omvang van dit artikel natuurlijk te beperkt om zo'n uitgebreid vraagstuk als het kenniskapitalisme in één keer te bespreken. Daartoe zijn meerdere 'Solidariteiten' nodig. Mijn bijdragen aan de komende nummers zullen daarom iets van een 'wordt vervolgd' hebben.

Wellicht is het dan een paar nummers verder ook mogelijk wat uit te weiden over de vraag omtrent de rol van de arbeidersbeweging, het uiteindelijke doel van deze bespiegelingen. Immers, de arbeidersbeweging of een soortgelijke beweging komt voort uit de aard van de arbeidsverhoudingen (in de vorige en deze eeuw 'klassenstrijd' genoemd). En deze komen weer voort uit de aard van de productie-, distributie- en bestedingsverhoudingen. Daarom moet ik bij deze laatste maar beginnen.

Overgangsfase

Allereerst zou ik de volgende stelling willen poneren: de huidige economie (een overall begrip voor de productie-, distributie- en bestedingsverhoudingen) is die van een overgangsfase. Een overgangsfase van een door nationale grenzen afgebakend en daarmee langs nationale demarcatielijnen ingedeeld industrieel kapitalisme enerzijds en een zich globaliserend informatie- en communicatiekapitalisme anderzijds. Zeg maar: een transitie van het "NIK" naar het "GICK". Zo'n transitiefase is mijns inziens moeilijk in analyses te vangen, omdat ze een mengsel herbergt van restanten uit het verleden, voorafschaduwingen van de toekomst en eigentijdse verschijnselen. Deze zijn door elkaar heen geweven.

We moeten dan ook niet in paniek raken, als we de huidige tijd niet begrijpen. Zo halverwege de achttiende eeuw, ten tijde van de overgang - met name in West-Europa - van feodalistische naar kapitalistische productieverhoudingen, beschikte men ook nog niet over een helder beeld van het kapitalisme. Voor de zogenoemde fysiocraten (onder anderen Quesnay en zijn 'tableau économique') - een vroege (ten tijde van die overgang) stroming in de economie - bijvoorbeeld, vormden alleen de boeren de 'classe productive'. Voor hen behoorden de dragers van de industriële arbeid nog tot de 'classe stérile'. De grondleggers van de klassieke (politieke) economie, met name Adam Smith, rekenden logischerwijze - want zij rationaliseerden het industriële kapitalisme - ook de dragers van industriële arbeid tot de productieve klasse. Waarmee ik maar zeggen wil dat de verhoudingen in een overgangsfase niet zo helder zijn.

Blinde kracht

Dit gezegd zijnde, wil ik me toch wagen aan een bespiegeling over de aard van het kenniskapitalisme. Mij lijkt dat het een vorm van KAPITALISME zal blijven, maar wel met een nieuwe jas aan.

Eerst maar stilgestaan bij het element kapitalisme. Als deze opvatting juist is, betekent het dat ook het kenniskapitalisme zal rusten op de driepotige sokkel van privaateigendom van productiemiddelen, vrije wedijver (concurrentie), met als richtsnoer voor efficiënt handelen: maximalisatie van de winst. Het fundamentele streven zal daarmee blijven: "akkumuliert!, akkumuliert!...". Het betekent ook dat de 'kennisproducten' waren (koopwaren) zullen blijven. Dat wil zeggen producten niet in de eerste plaats gemaakt om hun schoonheid of bevrediging van de talenten van de maker, maar voor de in de handel te realiseren winst. Met andere woorden, het zullen commerciële producten zijn. Nemen we deze kenmerken van het kapitalisme bij elkaar, dan zal ook het kenniskapitalisme weer afhankelijk blijken van een blinde kracht die het in de tijd voortstuwt. Tenminste ..., als er niet vanuit andere dimensies en op basis van andere principes wordt ingegrepen. Maar daarover verderop.

Mens als koopwaar

Wat de uitwerking van die blinde kracht kan zijn, begint duidelijk te worden uit het gedoe binnen de gentechnologie. Een paar citaten uit een tekst van Rüdiger Safranski in de Groene Amsterdammer van 21 oktober 1999. "Bij genenbanken zal men gepatenteerde eigenschappen kunnen kopen." "De eugenetica zal een hoogconjunctuur beleven en er zal een nieuwe klassenmaatschappij kunnen ontstaan van mensen, die eugenetisch gemodelleerd zijn en mensen, die nog langs natuurlijke weg en dus minder 'waardevol' ter wereld komen." Het laatste citaat: "Degenen, die het lichaam leveren - vroeger waren dat de ouders, in de toekomst zijn dat zaaddonoren, moeders, draagmoeders, laboratoriumpersoneel en genenbanken - zullen een menselijk product op de wereld zetten, dat zichzelf als levende investering moet zien." De mens als koopwaar.

Het woord 'gepatenteerd' is cursief gedrukt. Dit is gedaan om de aandacht te vestigen op de mijns inziens waarschijnlijk nieuwe vorm van toeëigening. Een onderdeel van de nieuwe jas, maar desondanks: kapitalistisch. Men moet dit in verband zien met het toenemende gedoe rond het zogenaamde intellectuele eigendom. De producten van het kenniskapitalisme zijn de vrucht van intellectuele arbeid. En waar het private eigendom een fundament van het kapitalisme is, passen intellectueel eigendom en kennis'kapitalisme' bij elkaar.

Patentzucht

Hoe het uitpakt, als grote commerciële kapitalistische ondernemingen de door hen gepatenteerde intellectuele arbeid gaan omzetten in klinkende munt, moge blijken uit een tekst van Marcel aan de Brugh in NRC Handelsblad van 29 september 1999. Het voorbeeld betreft de bio-gigant Monsanto (VS). Het ging om via onderzoek verkregen en gepatenteerde zaadsoorten. De macht van de Monsanto-patenten blijkt zo ver te gaan dat zij boeren kunnen beletten uit de opbrengst van de zaden een deel te reserveren voor het volgende seizoen. "Die patentzucht", schrijft Aan de Brugh, "is mede in de hand gewerkt door een in 1994, binnen het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) afgekondigde regeling: TRIPS (Trade-Related Aspects of Intellectual Property Rights)."

Het zal duidelijk zijn dat intellectueel eigendom op talloze terreinen in patenten kan worden vastgelegd: de ontwikkeling van software, uitgewerkte ideeën op het terrein van bestuurlijke systemen, ontdekkingen en uitvindingen in de medische wereld, in de biologie, de genetica, de wereld van de media, op het terrein van onderwijs en onderzoek enzovoort, enzovoort.

Voor commerciële dienstverleners lijkt me die patentzucht vrij logisch (kapitalistisch logisch). Maar naarmate het privatiseringsproces voortschrijdt en (semi)publieke organisaties, instellingen en organen de commerciële weg opgaan, zullen bijvoorbeeld ook universiteiten, klinieken, zorginstellingen, media en de sportwereld zich aan de patentzucht overgeven. Aldus worden ook de vruchten van intellectuele arbeid in bredere zin koopwaar.

Op 1 januari 2000 zijn de landen die met elkaar verbonden zijn in de WTO, verplicht een regeling te hebben voor de bescherming van intellectueel eigendom. Het is dus niet zo maar een kapitalistische hype, maar een voor de - zich globaliserende - economie vastgesteld fundament. Als het in die richting gaat, betekent zulks dat we ons in het verlengde van de industriële koopwaar in de toekomst gaan omringen met geestelijke koopwaar. En dat daarmee het bewustzijn onderworpen zal worden aan de blinde kracht van de vrije wedijver, winstmaximalisatie en de accumulatiedwang.

Als gezegd: bespiegelingen. Wordt vervolgd.

Wim Boerboom