|
nr. 93 nov 1999 |
Solidariteit
Economie - een andere beoordeling van de officiële cijfersLoonmatiging helpt het kapitaal, niet de arbeid"Nederland gaat met een sterke economie het nieuwe millennium in", zo schreef minister Jorritsma in haar Voorwoord bij de laatst verschenen Macro-economische Verkenning (MEV) van het CPB. De opvatting dat onze economie er al dan niet goed voor staat, is afhankelijk van welke cijfers worden benadrukt. De arbeidslonen in Nederland blijven al jaren ver achter bij de groei van het gehele nationaal inkomen. En de koopkracht van de minimuminkomens is nog meer achteropgeraakt. Maar de werkloosheid is toch flink gedaald? Ook dat blijkt een kwestie van welk cijfer men naar voren schuift.Onderdeel van de beoordeling van een economie op middellange termijn is de conjuncturele toestand. Die is af te meten aan de bedrijfsinvesteringen. In zijn laatste MEV verwacht het CPB dat de groei daarvan zal afnemen: van bijna negen procent in 1998 tot nog maar één procent in 2000. Ook de conjunctuur-indicator van het CPB wijst op een nog wel aantrekkende, maar al 'aarzelende' economische groei. Kijken we daarbij naar de ontwikkeling van de kapitaalinkomensquote, samen met die van de conjunctuurgevoelige investeringen, dan is te concluderen dat we in de laatste fase van de hoogconjunctuur zitten. Dat wil zeggen: de fase vóór omslag in recessie. Kapitaalinkomen en investeringenOngetwijfeld zal een omslag in de conjunctuur - verder afzwakkend of doorslaand naar een recessie - door regering en werkgevers weer aangegrepen worden om de vakbonden op te roepen toch vooral de looneisen te blijven matigen. Daar zou wellicht wat voor te zeggen zijn als daartegenover dan ook evenredig hogere investeringen met evenredig méér werk zou staan. Op dat punt laten de Nederlandse ondernemers het echter steeds weer afweten. Vergelijken we de ontwikkeling tussen de beide hoogconjunctuurjaren 1978 (vier jaar vóór het Akkoord van Wassenaar) en 1998, dan zien we dat de lonen jaar op jaar achtergebleven zijn bij de groei van het totale Nederlandse inkomen. De lonen stegen gemiddeld ieder jaar met minder dan 0,5 procent, terwijl het nationale inkomen met meer dan 2 procent groeide. In twintig jaar loopt dat verschil aardig op. De contractlonen bij bedrijven (dat wil zeggen de bruto lonen minus de incidentele betalingen) bleven gemiddeld net onder de nul steken. De minimumuitkeringen zagen in dezelfde periode hun koopkracht zelfs dalen met grofweg zeven procent (zie Tabel 1). Tabel 1: Groei inkomens 1978-1998
Bronnen: European Economy: regels 1 en 2; CPB, MEV: regels 2a-2c De bij het totale inkomen achterblijvende loonontwikkeling zien we vertaald in de toename van het kapitaalinkomen (de bedrijfswinsten, inclusief het dividend en de rente die bedrijven betalen aan de kapitaalverschaffers, daarnaast ook nog de rente die de overheid uitbetaalt). Het aandeel van het kapitaalinkomen in het totale Nederlandse inkomen (de kapitaalinkomensquote) nam toe van 26 procent in 1978 tot 36 in 1998 (zie Tabel 2).
Tabel 2: Kapitaalinkomen en investeringen 1978-1998
Bron: European Economy Alleen al voor het jaar 1998 bedraagt die toename 58 miljard gulden. Hoeveel dat is? Als de kapitaalinkomensquote op het oude niveau was gebleven, zou ieder van de ruim 7 miljoen mensen met een baan of een werkloosheidsuitkering 670 gulden per maand méér hebben. Nou ja, kunnen we dan misschien denken, hoger kapitaalinkomen betekent hogere investeringen en die zijn goed voor de werkgelegenheid. Dat is ook de redenering achter het loonmatigingsbeleid van de vakbonden. Maar hier komen de werkne(e)m(st)ers bedrogen uit. De investeringsquote, het aandeel van de investeringen in het nationale inkomen, lag in 1978 (vóór de loonmatiging) op bijna 22 procent, maar in 1998 op 20 procent. Relatief gezien heeft het aanzienlijk gestegen kapitaalinkomen juist minder investeringen geleverd. Sterke economie ... Loonmatiging en werkMaar ook al zijn de investeringen achtergebleven bij het kapitaalinkomen, is het dan niet zo dat we er qua werkgelegenheid nu beter voorstaan dan vóór de loonmatiging? Wijzen de krantenberichten niet steeds weer op een historisch lage werkloosheid? Ook hier speelt de kwestie van het benadrukken van het ene of het andere cijfer. In de eerste plaats moeten we òf hoogconjunctuurjaren met elkaar vergelijken òf laagconjunctuurjaren. Hierover lopen de meningen niet uiteen. Belangrijker is of je de werkgelegenheid meet in mensen die een baan hebben (voltijd dan wel deeltijd) òf dat je meet in voltijdbanen (drie banen van 12 uur opgeteld tot één baan van 36 uur per week). Het Nederlandse werkgelegenheidswonder blijkt in de deeltijdbanen te schuilen: iemand met een baan van 12 uur per week telt niet langer als werkloos. Dit levert het werkloosheidspercentage uit regel 5 van Tabel 3: Tabel 3: Werkgelegenheid en werkloosheid 1978-1998
Toelichting tabel
(a) Vanaf 1995 heeft het CBS een statistische revisie doorgevoerd; daar onder staan de cijfers van 1995 vòòr en na revisie. Bron: CPB, MEV 2000, Bijlage A7 (de gegevens van vòòr 1986 uit dezelfde internetpagina van het CPB http://www.cpb.nl/nl/download/mev2000/). in 1998 gedaald tot 4,8 procent. Dat is mooi, vergeleken bij de 9,7 procent van 1984. Maar vergeleken met het overeenkomstige conjunctuurjaar 1978, is het helemaal niet mooi. Toen stond dit percentage op 3,4 procent. Ondanks de enorme loonmatiging zijn we kennelijk niet erg opgeschoten. Voor het opsplitsen van voltijdbanen in deeltijdbanen was loonmatiging helemaal niet nodig. Deeltijdbanen zijn voor werkgevers sowieso aantrekkelijk, omdat ze zo de piekuren kunnen bemensen. Loonmatiging zou voor meer investeringen met méér werk moeten zorgen. Ronduit bedroevend staan de zaken er voor als we de werkgelegenheid meten in voltijdbanen. We komen dan op het werkloosheidspercentage uit regel 7 van Tabel 3. Voor 1998 komt dat uit op 15 procent, één puntje onder 1984, maar ruim anderhalf maal zo hoog als in 1978. Het officiële Nederlandse werkloosheidscijfer ziet er ten opzichte van de rest van de EU aardig uit en zo wordt de loonmatiging van het Poldermodel verkocht. Ook het CPB ziet dat de zaken er onderhuids minder florissant voor staan. In zijn laatste MEV merkt het op dat het werkloosheidscijfer van 4,8 procent wel erg wringt met het aantal mensen met een werkloosheidsuitkering. Ten opzichte van de beroepsbevolking levert dat voor 1998 een werkloosheidspercentage van 8,4 procent (Tabel 3, regel 6). Dat steekt minder mooi af bij de rest van de Europese Unie (gemiddeld 10 procent). Het CPB merkt ook op dat met onze deeltijdbanen de voltijdswerkgelegenheid is gecamoufleerd: "In voltijdsequivalenten scoort Nederland echter nog steeds beneden het gemiddelde in de Europese Unie, vanwege het relatief grote aandeel van deeltijdbanen in de werkgelegenheid." Conclusie: Wie de Nederlandse economie 'sterk' noemt, kijkt naar de cijfers van het kapitaalinkomen. De gunstig beoordeelde werkloosheidscijfers zijn sterk gecamoufleerd. Ondanks de jaarlijkse arbeidproductiviteitsstijging hebben werknemers de afgelopen twintig jaar hun inkomen nauwelijks vooruit zien gaan. De achteruitgang van de minimumuitkeringen is barbaars. Geert Reuten (hoofddocent Algemene Economie, Universiteit van Amsterdam) | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||