|
nr. 93 nov 1999 |
Solidariteit
Verborgen of vergeten geschiedenis - een eeuw geledenBehangers-, Stoffeerders- en BeddenmakersbondBij de inrichting en aankleding van woningen en bedrijven ontmoetten behangers, stoffeerders en beddenmakers de met hun vak verwante meubelmakers. De meubelmakers organiseerden zich als één der eerste categorieën arbeiders op landelijke schaal, en wel in het jaar 1871. Bij de behangers en stoffeerders zou die organisatie in nationaal verband nog lang op zich laten wachten. In de jaren zestig, zeventig en tachtig richtten behangers - soms samen met andere ambachtslieden - plaatselijk verenigingen op, maar veel minder in aantal dan de meubelmakers. Bovendien ontbreekt het vakbondskarakter, de strijd voor hogere lonen staat nog niet voorop.Vermoedelijk is de in 1864 opgerichte Behangers- en Stoffeerdersvereeniging Aurora uit Den Haag de oudste vereniging voor onderlinge steunverlening van deze twee beroepsgroepen. Haar doel was ruim omschreven: alle zaken te bevorderen die het algemeen belang van de leden dienstig zijn. In de praktijk kwam dat neer op het verstrekken van uitkeringen bij ziekte en invaliditeit. De kameraadschap strekte zich uit tot het laatste eerbetoon aan een lid van de bond. Bij overlijden werd het lijk door een bestuurslid en drie leden van Aurora in een rijtuig gevolgd. Aan weduwen of kinderen werd 30 gulden uitgekeerd; voor ongehuwden ging dat bedrag naar ouders, broers of zusters. Daar bovenop kregen weduwe en wezen 2 cent per week van ieder lid gedurende een half jaar. Uit Arnhem kennen we de Behangersvereeniging Helpt u zelven uit 1869. De activiteiten van deze bond zijn hetzelfde als de Haagse. Als specifieke doelstelling wordt nog het aankweken van hartelijke broederschap onder de leden genoemd. Iedere behanger tussen achttien en vijftig jaar kon toetreden; inleg een kwartje. De contributie bedroeg 15 cent per week, waarvan 11 cent voor het zieken- en begrafenisfonds was bestemd. Het resterende bedrag ging naar een potje voor het jaarfeest. Als derde noemen we de Leidse Schilders- en behangersvereniging Steun zij ons doel uit 1874. Die steun bestond uit een uitkering van 1 gulden per werkdag bij ziekte van april tot september en 65 cent van oktober tot maart. Bij overlijden werd je tot je graf vergezeld en kreeg de weduwe 25 gulden uit het toelagefonds uitgekeerd. 1895, een roerig jaarDe Nederlandse Behangers- en Stoffeerdersbond werd ongeveer een kwart eeuw later opgericht dan de Meubelmakersbond, om precies te zijn op 21 juli 1895. De oprichting vond plaats in een buitengewoon roerige tijd. De meubelmakers in Amsterdam hadden net een verloren staking van elf weken achter de rug.1895 Is ook het jaar van de uitsluiting van de sigarenmakers in Amsterdam, Utrecht en Leiden. Een Amsterdamse patroon had één van zijn arbeiders ontslagen, omdat hij niet gediend was van diens activiteiten voor de Sigarenmakersbond. Dat werd gevolgd door een uitsluiting, die maar liefst veertien weken duurde en 700 man omvatte. Hetzelfde doet zich voor bij de steenhouwers in Amsterdam. Ze pikken het ontslag van hun voorzitter niet;159 man leggen het werk neer. In Leiden staken 400 katoenwevers, omdat één hunner onschuldig was gestraft. We kunnen dit stakingsrelaas van vooral socialistisch arbeidersprotest in het westen van ons land voortzetten: de timmerlieden in Haarlem, de oppermannen in Amsterdam. We weten wat Christiaan Cornelissen - voorman van de Sociaal Democratische Bond, later de Socialistenbond - heeft geschreven over de stakingsjaren 1894-1896, het zijn "ontegenzeggelijk vruchtbare jaren geweest, die de werkers sterkten en hun moed gaven in den strijd". Henri Polak en Jan Oudegeest dachten daar anders over. Het verwijt van deze moderne vakbondsmannen was dat door de onbesuisde aanpak van het NAS veel stakingen verloren zijn gegaan en onnodig leed werd veroorzaakt in arbeidersgezinnen. Vooral Gerrit van Erkel, de secretaris van het NAS, moest het bij hen ontgelden. Plaatselijke zelfstandigheidTerug naar de behangers en stoffeerders. Het werk van deze arbeiders richt de aandacht op de erbarmelijke huisvestingssituatie in ons land. Zo toonde de volkstelling van 1899 aan dat 23 procent van de bevolking gehuisvest was in een éénkamerwoning en 31 procent in een tweekamerwoning. Vooral in de noordelijke provincies en de grote steden heersten beroerde woontoestanden met alle bijkomende ellende van gebrek aan hygiëne en ziektes. Behangers en stoffeerders zullen hun werk vooral hebben verricht voor de gegoede burgerij. Een groep van deze vaklieden uit Den Haag had, voortgestuwd door een gewonnen loonactie in oktober 1894, de Haagse Behangersvereniging opgericht. Zij ging van start met 94 leden. Deze behangers en stoffeerders legden contacten met elders al bestaande vakverenigingen. Dat leidde korte tijd later al tot de oprichtingsvergadering van een nationale bond in de hoofdstad. De afdeling 's-Gravenhage had zich hiervoor het sterkst ingezet. De eerste zetel van de nieuwe vakorganisatie kwam dan ook in de residentie. Vijf bestuursleden van de voorheen plaatselijke vakvereniging vormden vervolgens het hoofdbestuur van de landelijke bond. Naar het gebruik van die tijd rouleerde de leiding. Om de zoveel jaren werd het hoofdbestuur van een vakbond gevormd door het bestuur van een andere afdeling. Om tot het bestuur van de Behangers- en Stoffeerdersbond te kunnen toetreden, moest je minstens een jaar lid zijn van de bond. Je werd gekozen voor één jaar en kon je meteen herkiesbaar stellen. De hoofdbestuursleden werden niet betaald voor hun werk, maar hadden voor hun activiteiten wel recht op een vergoeding voor reis- en verblijfskosten of werkverzuim. In 1899 werd de dagelijkse leiding van de bond overgedragen aan de Arnhemse afdeling. Deze wisseling van de wacht paste bij het zelfstandige karakter van de plaatselijke afdelingen van bonden, eigen aan zowel het Algemeen Nederlands Werklieden Verbond (ANWV, 1871) als het Nationaal Arbeids Secretariaat (NAS, 1893). Vanuit democratisch oogpunt en gelet op vakbondswerk, dat allemaal in de spaarzame vrije tijd verricht moest worden, had het zo zijn voordelen. De taken werden enigszins verdeeld. Het ligt echter voor de hand dat het gezicht, de kracht en de continuïteit van het landelijke vakbondswerk leden onder deze decentrale opzet. Zelfs zo dat het als een boemerang terugsloeg op de afzonderlijke afdelingen. Acties en zeker wat langer durende stakingen, die de kracht van een plaatselijke beroepsgroep te boven gingen, hadden een komen en gaan van vooral kleine en zwakke afdelingen tot gevolg. Interne organisatieWaren er tien leden in een gemeente, dan kon daar een afdeling van de Behangers- en Stoffeerdersbond worden gevormd. Hoe meer leden, hoe meer stemmen je kon uitbrengen op het jaarlijks te houden congres. Hoe groter de afdeling des te meer centen moesten er per lid aan het hoofdbestuur worden afgedragen. Die stortingen werden verdeeld tussen de weerstandskas en de propagandakas. Er was grote aandacht voor de werklozen in de bond. Ieder lid, iedere arbeider kon er door getroffen worden. Elke afdeling was verplicht via een werkbureau het aantal werkloze leden aan het hoofdbestuur op te geven. Een jaar na de oprichting worden de statuten van de bond goedgekeurd. De doelstellingen zijn neutraal geformuleerd. De Behangers- en Stoffeerdersbond stelt zich ten doel: allen die in Nederland deze vakken uitoefenen, te verenigen in één lichaam en de economische belangen van de vakgenoten te bevorderen teneinde in de toekomst meer en betere rechten te verkrijgen. Ieder die werkzaam is in het vak en de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt kan lid worden. De beddenmakers vormen eveneens een doelgroep waar de bond zich op richt. Enkele jaren later leidt dat tot een verbreding van de bondsnaam. Hoeveel vrouwen deel uitmaken van de bond is niet bekend; wel worden behangersnaaisters vermeld als werkneemsters die zich kunnen aansluiten. De middelen om de vakbondsdoelen te realiseren, klinken vertrouwd in de oren. Het houden van vergaderingen en besprekingen en het uitgeven en verspreiden van geschriften. De uitgave van een vakblad wordt apart vermeld. In 1896 komt de Behanger en Stoffeerder uit. Eerst als maandblad, later verschijnt het iedere veertien dagen. Het vormt een interessante bron van informatie over het reilen en zeilen van de vereniging en over arbeidsomstandigheden en -voorwaarden in de bedrijfstak. Twee andere belangrijke wegen om de doelen te bereiken, zijn de bestrijding van overmatige arbeidsduur en het streven naar het verkrijgen van hogere lonen en betere arbeidsvoorwaarden. In het drukke seizoen, van april tot en met juli, moesten arbeiders vaak werkdagen maken van zestien tot achttien uur. Het bleek gemakkelijker hogere lonen af te dwingen dan die extreem lange arbeidsduur omlaag te brengen. Het besef was overigens terdege aanwezig dat die lange arbeidsdagen niet alleen slopend waren voor de arbeider, maar eveneens de werkloosheid vergrootte en het loonpeil drukte. Door de samenwerking in een landelijke organisatie kreeg men oog voor de verschillen in arbeidsvoorwaarden bij bedrijven door het land heen. Opmerkelijk waren bijvoorbeeld de loonverschillen tussen behangersgezellen in de diverse steden. Men keek over steden- en landsgrenzen heen. Als laatste doel staat in de statuten geformuleerd dat pogingen in het werk gesteld moeten worden om tot een internationale vakbond te komen. Er was veel aandacht voor wat onder vakgenoten in omringende landen leefde. De gewenste, internationale binding kwam er niet en de bestaande op het nationale vlak werd afgebroken. De Behangers- en Stoffeerdersbond trad in 1899 uit het NAS, formeel omdat hij de financiële overdrachten aan de vakcentrale niet meer kon betalen. Jong in jaren en klein wat het aantal leden betreft, maar wel zelfstandig, stapte de bond de twintigste eeuw in. Harry Peer Literatuur: |