nr. 93
nov 1999

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Strijd om recht en werk in Amsterdamse haven

'Niet weten' en toch moeten zeggen

Het getuigenverhoor van 4 en 5 november 1999 voor de Amsterdamse kantonrechter bood ons een boeiende blik achter de schermen van verborgenheid. Hoewel 'weet ik niet', 'kan me niet meer herinneren' en 'dat moet ik opzoeken' regelmatig te horen was, kwam aardig wat boven tafel. Over het Nederlands rechtssysteem valt veel te zeggen, maar zo'n openbaar getuigenverhoor onder ede is een uniek middel in het achterhalen van de ware werkelijkheid. De getuigen zitten in een stoeltje vlak voor de rechter, met hun rug naar een meer dan volle en duidelijk aanwezige zaal. Van een bondsbestuurder hoorden we dat hij zich als een 'crimineel' voelde. Een onprettig gevoel, waarvan de rechter het waarheidsgehalte maar moet vaststellen.

De advocaat van de 21 hun ontslag aanvechtende arbeiders van de Amsterdamse havenpool, Pim Fischer, was uitstekend voorbereid. Daarvoor had hij stapels stukken gelezen, een akkoord uitgevlooid, statuten bestudeerd, brieven vergeleken, met 'de 21' verschillende plenaire bijeenkomsten gehouden en elk van hen uitgebreid geïnterviewd. Voor elk van de getuigen - het waren er uiteindelijk zes, één was net nog niet terug van vakantie en een ander, de CNV-bestuurder, was in zijn proeftijd bij een nieuwe baas - had Pim een uitvoerige lijst met vragen opgesteld. De rechter die langzaam in de materie thuis raakte, volgde deze lijsten op de voet. Bovendien was er alle gelegenheid aanvullende, mondelinge vragen te stellen, waarbij van een paar getuigen het masker van 'onwetendheid' in gruzelementen viel.

Het waren twee lange dagen, voorafgegaan door een picketline met twee spandoeken, met een uiterst geconcentreerde zaal van direct betrokken poolarbeiders, echtgenoten, kinderen, collega's van onder meer IGMA en Ceres (vroeger CTA) en belangstellenden. Vragen, antwoorden, nieuwe vragen en antwoorden, samenvattingen, proces-verbaal via de computer door de griffier, voorlezen en uiteindelijk ondertekenen. Enerverend, waarbij de sociale druk van de hoorbare aanwezigen de getuigen soms rode vlekken bezorgde.

Niet te beroerd om te werken

Behalve door vergeetachtigheid blonken de meeste getuigen uit in een hooghartige, slechte voorbereiding. De eerste getuige, kortstondig directeur Bosschieter, kende maar één probleem: 'hoe kom ik van zo'n honderd mensen af'. Nota bene allemaal geschikt voor havenwerk, dus koos hij voor mensen "die niet te beroerd waren om te werken". Hij bedoelde daarmee: die kwamen opdraven als er werk was, ook buiten de gebruikelijke arbeidstijden. Dat was een "onmogelijke opgave", zei hij, waarbij hij - onbekend met de haven - zich liet leiden door de voorkeur van de opdrachtgevende klanten en adviseren door de zeer goed ingevoerde 'operationeel manager'. De laatste, Schwarzwälder, was de derde getuige, die beweerde - kennelijk na een afspraak met de directeur - zich noch formeel, noch informeel te hebben uitgelaten over afvallers. Onder ede moet je mensen geloven, maar deze oud-poolarbeider staat bekend als de 'meest ingewijde'. De directeur nam dus alle verantwoordelijkheid en daarvoor was het stichtingsbestuur, de werkgever, weer verantwoordelijk.

Daar tussendoor kwam de hoge functionaris van Arbeidsvoorziening, Elshoff, aan het woord. Hij kon zich aardig verschonen, omdat hij, na hoogstpersoonlijk de 'tweede keus' geopenbaard te hebben, ziek was en niet deelnam aan het bestuur van de pool. Wel wist hij te vertellen dat de afgenomen tests, waarop hij het algemene toezicht had, nooit bedoeld waren geweest om te bepalen wie zou moeten afvallen. Merkwaardig, want dat stond wel in het afgesloten akkoord, waarbij hij nauw betrokken was. Dat de gang van zaken rond de tests in strijd genoemd kan worden met de beroepsethiek van de betreffende functionarissen, was volgens hem niet zo bedoeld.

Onderste steen

De vierde getuige was bestuurder van FNV Bondgenoten, Heilig, die tijdens de tweede dag veel kon vertellen over zijn afstandelijke rol als werkgever en niets over zijn rol als belangenbehartiger. Pijnlijk was het moment waarop een bestuursbrief, mede namens hem geschreven, werd voorgelegd, die stelde dat deelname aan de tests de verplichting inhield dat de resultaten in handen van de werkgever kwamen. Vlak daarvoor had hij dat bestreden, maar 'nu ik dat zo lees, moet het wel waar zijn'. Daarna kwam een volgend bestuurslid, Kamps (inmiddels de baas van de Algemene Bond Uitzendondernemingen); na afloop kreeg hij een hand van Fischer vanwege zijn open en correcte getuigenis. Zonder schroom verklaarde hij dat de twee bondsbestuurders de lijst van afvallers "onder ogen hadden gehad" en nagelopen. Heilig had dat eerder ontkend. Toen de laatste getuige, bestuurder van FNV Bondgenoten Ter Wisscha, hiermee geconfronteerd werd en niets anders kon doen dan zijn bemoeienis bevestigen, viel een doodse stilte. Na twee dagen trekken en sleuren kwam de directe inmenging van Heilig en Ter Wisscha boven water.

Zoals het er nu uitziet, volgt nog een ronde getuigenverhoor. Daarna zullen samen met 'de 21' de volgende stappen worden uitgezet. De algemene stemming is: 'nu zal ook de onderste steen boven komen'.

Hans Boot