nr. 91
juli 1999

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Uit het leven - gesprek met Fernanda van Hamersveld

"Je moet toch blijven bouwen, elke dag opnieuw"

Een vriendelijk, rustig buurtje in Utrecht. Bij het Majellapark moet je uitstappen, had ze gezegd. Een behulpzame passant, naar de straat gevraagd, fietst me vooruit en wijst welke voordeur ik moet hebben. Als ik binnenstap, komt ze me in haar rolstoel tegemoet. "Ik ben wat korter geworden." Ruim een jaar geleden zijn haar beide benen, via zes operaties, geamputeerd. Fernanda van Hamersveld, 74 jaar. Over haar leven gaat het.

Mijn jas heb ik nog niet uit of ze vertelt al openhartig over de aanpassingen in haar benedenhuis, die merendeels door een dierbare buurman zijn aangebracht. Over de ziekenhuisperiode en ervaringen in het revalidatiecentrum. Lovend, relativerend, humor. Eenmaal aan de gezellige tafel voor het raam, met heerlijke koffie en een lopende bandrecorder wordt het ernst. Terug naar het begin.

Boekhandel

"Mijn vader was tijdens de eerste wereldoorlog dienstweigeraar. Ze hebben hem elf maanden opgesloten in de gevangenis in Amersfoort. Omdat hij longontsteking had en ze bang waren dat hij dood zou gaan, is hij daar uitgekomen. Mijn moeder, die verpleegster was, heeft hem opgevangen en weer op de been geholpen. Ze kenden elkaar al, ik heb nog brieven van mijn moeder aan mijn vader met een gevangenisstempel erop. l Mei 1919 zijn ze getrouwd. Niet voor de wet, maar wel ingezegend door dominee-socialist Bart de Ligt. Dat was nog net voordat ze lid werden van de communistische partij. In zo'n gezin, met een oudere zuster en een jongere broer, ben ik grootgebracht. We hebben een leuke jeugd gehad. Mijn ouders hadden een boekhandel en er was natuurlijk te weinig geld. Als kinderen trek je je daar niets van aan, maar mijn ouders heeft het meer gekost. Alleen al omdat we alle drie naar de middelbare school zijn geweest. En we hebben rond 1934 uitgeweken communistische Duitsers in huis gehad. Die mensen hadden heel wat meegemaakt, konden veel vertellen. En zingen. Nu nog ken ik socialistische liederen beter in het Duits dan in het Nederlands. Het was ook onze eerste ervaring met onderduiken, voorzichtig zijn. Guno bijvoorbeeld, die in de Spaanse burgeroorlog gewond was geraakt en later in Mexico is terechtgekomen, kon nooit mee gaan zwemmen. Hij had een hele zwartgeslagen rug, waardoor hij zich zou kunnen verraden. Zo waren er meer."

Koerierswerk

Hoe diep de sporen zijn die de tweede wereldoorlog in Fernanda's leven trekt, zal ze pas veel later ondervinden. Het lyceum doorloopt ze in ieder geval zonder noemenswaardige problemen.

Ondanks het overlijden van haar vader, waardoor ze één keer blijft zitten. "Hij stierf twee dagen voor de Februari-staking. Dat is voor mij heel verwarrend geweest. Ik ga ook nooit naar een stakingsherdenking, daar kan ik gewoon niet tegen."

En ondanks het koerierswerk dat ze verricht. "Toen ik nog op school was, bracht ik in het weekend kopij weg voor de Waarheid in Hilversum, Amersfoort en Utrecht. Op de fiets. Dat heb ik zo'n tweeëneenhalf jaar gedaan. Daar gaf je niks om. Ik ben nooit bang geweest, wèl - dat heb ik van mijn moeder geleerd - voorzichtig. Het is ook altijd goed gegaan, op één keer na. Ik moest toen ook in Amsterdam zijn om kopij te halen en in Hilversum en Amersfoort te brengen. Het was in november, koud en nat. Met een vreselijke tegenwind kwam ik drie kwartier later aan dan ik had kunnen zijn. Je kunt het niet verklaren, maar ik reed niet meteen de straat in waar ik moest zijn, ik reed een blokje om. Ik kwam bij de hoek en zag dat elf mensen uit het huis gehaald werden waar ik in had gemoeten. Ik ben helemaal bibberend thuisgekomen. Ik zie nog dat beeld voor me, van die mensen op die auto ... Twee van hen zijn teruggekomen, maar heel jong gestorven. Die hebben het erg slecht gehad. Dat soort dingen, alles wat je hebt gezien en meegemaakt. Jaren later komen de spanning en de narigheid pas echt naar boven."

Shoah

"Ik heb ook een paar maal joodse kinderen uit Amsterdam naar Zwolle gebracht. Dan stond een vrouw met een aantal kinderen op het station. In de trein speelde en zong ik met ze, alsof ik hun juffrouw was. De tweede keer had ik een jongetje van vijf, David ... Je kon niet rechtstreeks van Amsterdam naar Zwolle reizen, dus hij heeft toen bij mij overnacht, in mijn bed, met mijn armen om hem heen. Maar we kregen de boodschap dat de moeder helemaal gek werd, omdat haar zoontje weg was. Het kind moest terug. Hij heeft opnieuw bij mij geslapen en ik heb nog nooit iemand zo blij gezien dat ze haar kind weer had. Maar ik zit ermee dat ik hem heb teruggehaald. Ik denk nog dagelijks aan dat kind. Natuurlijk heb ik het niet verkeerd gedaan, het werd gevraagd. Het gekke is, als het 4 en 5 mei is, heb ik van dat kind last. Hij zou nu zestig geweest zijn. Bij het zien van Shoah ging dat weer fout, wist je dat hij misschien nog veertien dagen geleefd heeft. Daar kom ik nooit uit."

'Entschuldigung'

Er zijn natuurlijk ook dingen gebeurd waar ze nu nog plezier om heeft. Ze vertelt smakelijk over tante Marie, die aan de overkant woonde en nooit iets van de illegale activiteiten van Fernanda's familie heeft geweten. Maar haar broer en nog twee jongens konden zich wel bij tante Marie in de kelder verschuilen. "Het was een sterke buurt. Mensen die vanwege de 'Arbeitseinsatz' via ons in de straat waren ondergebracht, kregen van de groenteman en van de kruidenier gratis groente en andere spullen. Daar werd geen misbruik van gemaakt." Aan Henk Gortzak, die korte tijd bij hen ondergedoken is geweest, en zijn vrouw bewaart ze goede herinneringen. "We hebben veel met hen samen gedaan. Henk heeft in ons bovenhuis een deur gemaakt naar de bibliotheek van onze boekhandel. Heel lang heeft daar het illegale hoofdbestuur van de CPN vergaderd. Todat Henk werd opgepakt, toen was Utrecht niet veilig meer."

Zo zijn er veel meer gebeurtenissen die haar leven tekenen. "In 1943 werden mensen van de verzetsgroep van mijn moeder opgepakt. Iemand zou doorgeslagen zijn, dus iedereen werd gewaarschuwd. Sommigen willen nog een nacht thuis doorbrengen en worden dan van hun bed gelicht. Toen bij ons aangebeld werd, was mijn moeder gelukkig al weg. Naar een schoonzuster op het platteland, zogenaamd omdat ze ondervoed was. Het was tweede Pinksterdag, 's morgens vroeg, het begon net licht te worden. Mijn broer, die beneden sliep, moest eerst naar boven en in mijn bed. Zijn bed, waar we een soort boekenkast van hadden gemaakt, kon in een paar minuten worden weggewerkt. Daarna heb ik opengedaan. Begon te huilen. 'Mijn moeder is twee weken geleden al opgepakt, ik weet helemaal niet waar ze is, zeg nou eerst waar mijn moeder is.' Niets van aan! Ze waren zo verbijsterd. Kwamen wel binnen en hebben rondgekeken. Tegen mijn broer hebben ze nog 'Entschuldiging, Fräulein' gemompeld en mij zeiden ze dat ik bij de Gestapo op de Maliebaan naar mijn moeder kon informeren. Ik vond het mooi zo en ging er heen. Maar wel hartstikke bang. Weer huilen en in mijn beste Duits naar mijn moeder vragen. Waar ze was, konden ze me niet zeggen, dat zouden ze uitzoeken. Over veertien dagen moest ik maar terugkomen. Ik heb zitten zuchten en zweten. Precies veertien dagen later ben ik teruggegaan en kreeg ik de naam van het kamp en een gevangennummer. Mijn moeder zou in Jaarsveld zitten! Heel bedremmeld ging ik de deur uit. Maar dat gevoel van triomf ... Ze hebben hun 'slordigheid' gewoon niet willen toegeven. Het papiertje met die gegevens heb ik nog steeds. Aan zoiets hou je geen narigheid over."

Geen vredesgevoel

Na haar eindexamen in juni 1944 wijdt ze zich helemaal aan illegaal werk. En daarna 'breekt de vrede uit', komen de verhalen naar boven, keren te veel mensen niet terug. "Ik kan er nog niet tegen. Ik heb nooit dat 5 mei-gevoel gehad. Ik kijk naar alle feestelijkheden, omdat ik er anders over wil denken, maar ik raak het niet kwijt. Op 4 mei vul je namen in, op 5 mei blijven die namen staan. En degenen die voor koningin en vaderland hadden gestreden, hadden hun koningin en vaderland weer. Wij kregen het kapitalisme terug. Na verloop van tijd waardeer je dat je weer kunt doen wat je wilt, je hoeft nergens meer voor op te passen. Maar dat vredesgevoel ken ik niet. Oorlog en ellende zijn er nog steeds, overal. Maar goed, je kwam weer bij elkaar zoals op het eerste grote ANJV-feest augustus 1945 in Bilthoven. Dat had iets bevrijdends. Je kwam ineens even van alles los. Een Indonesische band speelde krontjong-muziek, heel fascinerend. Er was een verdwaalde Schotse doedelzakspeler, om wie we enorm veel pret hebben gehad. Voor ons was dat een hele buitenlandse beleving die we jaren niet gekend hadden."

Telefoniste

Na de oorlog is ze gaan werken. "Ik ben gestart bij Houtbedrijf Jongeneel, maar daar heb ik het niet lang uitgehouden. Het werk was niets bijzonders en ik mocht niet zingen, niet fluiten, niks. Daarna ben ik naar "de Utrecht" (nu Amev) gegaan, in dat hele mooie achttiende eeuwse gebouw dat later tegen de vlakte is gegaan. Ik zat op de 'Wiskunde', waar pensioenpremies werden berekend. Na ruim drie jaar ben ik vervolgens naar de PTT overgestapt, waar ik 26 jaar als telefoniste gebleven ben. In die periode ben ik getrouwd, heb ik twee zoons gekregen. Even heb ik niet gewerkt, omdat mijn man ziek was en ik veel op bezoek in het ziekenhuis ging. Toen de kinderen wat groter waren en met de sleutel om de nek zelf thuis konden komen, ben ik weer begonnen. Het was een heel gedoe, maar met mijn wisseldiensten viel te ruilen, als dat nodig was. In 1968 is mijn man overleden, hij was 49. Onze oudste zoon zat al op de middelbare school. Met z'n drieën hebben we alles aardig opgevangen. De kinderen hielpen in de huishouding en hebben in ieder geval goed leren koken!

Wij vrouwen eisen

Dat je lid moet zijn van de bond, heeft ze van huis uit meegekregen. "Dat was ik ook trouw, ik ging naar 1 mei en als er iets bijzonders was, deed ik mee. Maar via de PTT ben ik echt actief geworden. Ik ben tien jaar lid geweest van het afdelingsbestuur van de ABVA. Dat was ook vechten. Als er iets geheid was, dan was het wel de bond. Niets mocht, niets kon. Maar de ABVA-vrouwen ontstonden. Eerst plaatselijk, al gauw landelijk. We zijn met z'n vijven begonnen. Vergaderen deden we in het bondsgebouw, want we hadden natuurlijk geen geld. Aanvankelijk werden we gedoogd en we hebben hard moeten werken om officieel erkend en in de bondsstructuur opgenomen te worden. Dat gebeurde op het driedaagse congres in de RAI in Amsterdam - ik geloof in 1980 - waar ook werd besloten over de fusie tot ABVAKABO. Voorwaarde was wel dat de drie eisen van Wij Vrouwen Eisen werden ingewilligd. Vlak voor het congres had Dutman, die als voorzitter plaats zou maken voor Van der Scheur, zich daar nogal laatdunkend over uitgelaten: 'als jullie een dienstfiets konden eisen, zouden jullie dat ook nog doen'. Dat zat ons helemaal niet lekker. Ik heb toen een speelgoedfietsje gekocht, paars geverfd, ingepakt en aan het eind van het congres aan Dutman aangeboden. Ik kreeg nog een zoen op beide wangen ook, de schijterd! Toen ik 's avonds thuiskwam, werd het op de televisie uitgezonden."

Vrouwengroep

Ze laat me zorgvuldig bewaarde spandoeken zien, door haar zelf van lakens gemaakt, met gehaakte letters, letters van lapjes. Mooie kleuren. Meest vrouweneisen.

"Als ABVA-vrouwen hebben we ontzettend veel plezier gehad. Abortusdemonstraties waren leuk, maar het regende altijd. Als verzopen katten liepen we erbij. Maar enig, met veel zingen en hard leuzes roepen. Soms werden mensen wel vervelend en een enkele keer is er geslagen, maar als je aaneengesloten door blijft lopen, is er niets aan de hand. Hier in Utrecht werden ooit vrouwen in een poffertjeskraam niet bediend, omdat ze aan de abortusdemonstratie meededen. Ik ben nooit meer in die poffertjeskraam geweest. Als ik er langskom, moet ik nog altijd lachen.

Bij één van de demonstraties tegen Bestek '81 waren een heleboel travestieten. Mooie mensen, prachtig opgemaakt. Die kwamen naar ons toe om te vragen of ze voor onze vrouwengroep mochten lopen. Ze waren bang. Als wij achter hen liepen, wisten ze zeker dat wij voor hen op zouden komen. En dat was ook zo, niemand had een vinger naar hen uit moeten steken."

Ketting om het hek

"Met een staking van buschauffeurs in Utrecht hebben we de eerste ambtenarenstaking veroorzaakt. Om daartoe te besluiten was een nachtvergadering nodig, zodat de chauffeurs van de laatste dienst er ook bij konden zijn. Als afdelingsbestuur hadden we dat goed voorbereid. De chauffeurs mochten niet staken, dus hebben we bedacht dat we 's morgen om een uur of zes een ketting om het hek zouden doen. En ervoor zouden we een autowrak leggen. Dan konden ze gewoon niet uitrijden. Als de eerste binnenblijft, heb je de staking voor elkaar. 's Nachts om vier uur stond ik bij de brug om te kijken of het wrak gebracht zou worden. De ketting heb ik ook om het hek gedaan. Alles werd gefotografeerd om de bewijzen in handen te hebben dat de chauffeurs niet anders konden dan binnenblijven. De Amazing Stroopwafels traden op, voor niets. Terwijl we voor dat wrak vierhonderd gulden moesten betalen! Bij mijn afscheid van het afdelingsbestuur heb ik er een enorm uitvergrote foto van gekregen. Die staat nu achter in mijn klerenkast. Het is me heel dierbaar. Als ik een beetje down ben, denk ik 'toch nog eens even kijken naar het wrak'. Alle kleren opzij ... Door de moeite die je moet doen, ben je al half over je bui heen."

Niet meegeluisterd

Zomaar opeens komt een andere herinnering boven. Ze werkte nog bij de PTT. Heeft het nooit eerder verteld. Gedurende de apartheid was het voor gevluchte ANC'ers niet eenvoudig om met elkaar te communiceren. "De vriend van één van de ABVA-vrouwen, die contacten had met Zuid-Afrika, vroeg of ik wilde helpen. Het ging om een telefonisch vergadergesprek, wat toen alleen in Utrecht mogelijk was. Ik kon dat doen in een late dienst. Om elf uur 's avonds hoorde je met z'n tweeën te zijn, maar in de regel werkte je een half uur, drie kwartier in je eentje. Ik heb toen verbindingen gemaakt en nummers gebeld in Amerika, Engeland, Schotland en Duitsland. Zo heeft dat gesprek plaats kunnen vinden. Ik heb mijn toestel wel opgehouden, maar niet meegeluisterd. Ook onder dwang moest ik er niets van kunnen vertellen. Ik ben er eigenlijk nog steeds trots op dat ik dat steentje heb kunnen bijdragen. Het verzetterige heeft er altijd een beetje ingezeten, lid of geen lid van wie of wat ook."

Verzetsgepensioneerden

Als ze 58 is, houdt ze op met werken. Twee jaar eerder dan het vervroegd leeftijdsontslag, dat normaal op 60-jarige leeftijd geldt. Ze houdt last van een gebroken heup.

"Het is toen een beetje stil geworden. Ik vermaakte me wel, maar toch. Hoe ik ervan wist, weet ik niet meer, maar met een oude vriend van mijn man ben ik naar een bijeenkomst van de Ambo (ouderenbond) in Nieuwegein gegaan. Er waren maar weinig mensen. Al gauw zat ik voor de vrouwen in het bestuur. Dat heb ik acht jaar met veel genoegen gedaan. Wat ik goed kan, is organiseren. Bijeenkomsten regelen, een zaal huren, kijken wat er moet zijn, of er gegeten kan worden, wat het kost. Dat soort dingen deed ik ook al heel lang voor het 1 mei-comité. Tot een jaar of zes geleden, toen was het ineens afgelopen. Nu ga ik op 1 mei naar de PvdA-bijeenkomst, die in Utrecht als enige is overgebleven. Ik ben en blijf communist, maar sinds GroenLinks heb ik het partij-politieke een beetje losgelaten. Als ik stem, doe ik dat op personen. Bij zoveel onderwerpen gaat het gewoon om je linkse gevoel. Ik ben nog actief in de Landelijke Contactgroep voor Verzetsgepensioneerden. Daar kan ik me vreselijk druk maken over het pensioentje van verzetsweduwen, dat net boven de bijstand ligt. Al zijn er nog maar vijf weduwen over, al zijn ze al in de tachtig of negentig, ze zouden meer moeten krijgen."

Tweede generatie

Hoewel het oorlogs- en verzetsverleden haar nooit helemaal los zal laten, heeft ze er nu min of meer mee afgerekend. In 1981 schrijft ze een brief aan de bekende professor Bastiaans en gaat in therapie. "Dat heeft zes jaar geduurd, iedere week ging ik erheen. Op een gegeven moment was het op. Ik kon nog wel honderd verhalen vertellen, maar het was op. Toen het bij de film Shoah weer mis ging, heeft mijn oudste zoon dat in zijn behandeling voor tweede-generatie-problemen aan de orde gesteld. Dat was bij het joods maatschappelijk werk Sinaï in Amsterdam. Zij hebben mij toen uitgenodigd voor een gesprek en daarna doorwezen naar het Sinaï in Amersfoort. Ik kom er nog regelmatig. Niet meer zozeer om het verleden. De maatschappelijk werkster heeft me in het ziekenhuis en het revalidatiecentrum opgezocht. Ik word nu natuurlijk met hele nieuwe dingen geconfronteerd. Mijn leven is na de operaties aan mijn benen drastisch veranderd. Daar moet je ook weer over nadenken. Maar ik doe nog van alles. Met mijn buurman heb ik een bijzondere relatie. Hij gaat zijn gang, ik de mijne en sommige dingen doen we samen. Ik volg het nieuws, ik naai, ik los een puzzeltje op, ik ben hartstikke mooie boeken aan het lezen. Afgelopen 8 maart ben ik naar de vrouwenbijeenkomst bij de FNV gegaan. Dat deed me echt goed. Voor het eerst sinds meer dan een jaar kwam ik weer 'mijn eigen mensen' tegen. Je moet toch blijven bouwen, elke dag opnieuw. Ik wil wel."

Hans Fransen van de Putte