nr. 91
juli 1999

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Uit het leven - gesprek met Piet van der Lende

"Ik wil onder de mensen blijven en actief zijn"

Zuidoost Friesland, een gebied dat aan het eind van de vorige eeuw bekend was door zijn veeteelt, veenderijen en scherpe sociale tegenstellingen. In die tijd vormde dit gebied het kiesdistrict Schoterland, dat Domela Nieuwenhuis als eerste socialist in de Tweede Kamer koos. Later was het de geboortestreek van Piet van der Lende. Ter wereld gekomen in het ziekenhuis van Leeuwarden, "een baby van elf pond en twee ons", zegt Piet lachend. Nu 52 jaar oud met een tijdloze, grote grijze baard. Actief in de Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam en de Bijstandsbond, schrijver van vele artikelen en het boek "Werklozen in aktie" (1992).

"Het kiesdistrict Schoterland was in de negentiende eeuw een streek waar door de veenderijen het rauwe, ongereguleerde kapitalisme zijn intrede deed en de traditionele dorpsgemeenschap in snel tempo deed verdwijnen. Daarbij ontstonden scherpe sociale tegenstellingen tussen de veenarbeiders, die het zogenaamde vrije socialisme van de Sociaal-Democratische Bond aanhingen, en de rijke klasse van veenbazen en boeren, die deels tot het moderne liberalisme was bekeerd en deels traditioneel religieus bleef. In mijn jeugd waren die tegenstellingen nog duidelijk merkbaar. Volgens mij probeerden de vrije socialisten in die overgangstijd positieve elementen uit de oude dorpsgemeenschap te combineren met de moderne, socialistische opvattingen over vrijheid en gelijkberechtiging."

Dorpsgemeenschap

"Mijn vader was veeboer, kwam niet uit een rijke familie en moest zich uit het niets opwerken. Armoede heb ik in mijn jeugd niet gekend. Ik heb een zuster die twaalf en een broer die tien jaar ouder is. Ik kom uit een gematigd rood gezin, mijn vader was vooral bezig met belangenbehartiging voor boeren. Van hem heb ik meegekregen politiek bewust te zijn. Ik ben van de generatie van babyboomers die na de Tweede Wereldoorlog in Friesland geen emplooi meer kon vinden. De agrarische exodus. Migranten die van het Friese platteland naar de stad trokken. Veel leden van deze generatie zijn nog steeds op zoek naar een combinatie van de moderne stadssamenleving en de warmte van de dorpsgemeenschap met haar kleinschaligheid en burenhulp. Dat kwam bijvoorbeeld naar voren tijdens een debat in De Balie, dat generatiegenoten met dezelfde achtergrond als ik een tijdje geleden hebben georganiseerd."

Belangenbehartiging

"In 1968 ben ik sociologie gaan studeren aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. De grote jaren van de studentenbeweging. Hoewel ik niet erg actief was, ben ik er wel door beïnvloed. Daardoor ben ik links geworden en is er een verschil ontstaan met mijn broer. Die is nu gemeenteraadslid voor de VVD. Terwijl we dezelfde opvoeding - areligieus - hebben gehad, dezelfde waarden en normen en dezelfde opvatting over hoe het leven ontstaat. Hij studeerde begin jaren zestig diergeneeskunde in Utrecht en kwam in contact met conservatieve studentenverenigingen, die toen nog de overhand hadden. Ik kreeg te maken met actievoerende studenten. En ben daardoor in de politiek, of beter gezegd in de belangenbehartiging en via het Marokkaanse KMAN in de sociaal-juridische hulpverlening terechtgekomen. In de jaren tachtig was ik actief in het AFRA, het Anti-Fascistisch Front Amsterdam. In die tijd had je een bloeiende antiracismebeweging, in iedere buurt was wel een comité. Daar tussendoor ben ik in militaire dienst chauffeur geweest op een ambulancewagen."

Niet over lijken

"Tijdens de stage ben ik vastgelopen met mijn studie bedrijfssociologie. Dat was in de textielindustrie. Op een gegeven moment vroeg ik me af: wat doe ik hier? Er waren bedrijfsopleidingen, ook voor volwassenen, en het leerlingstelsel. Aan die opleidingen zaten subsidieregelingen gekoppeld. De werkgevers onderhandelden met de subsidiegever of de arbeiders al tijdens de opleiding productie konden draaien. Ik zag het gebeuren: gesubsidieerde arbeiders zo snel mogelijk aan de band; misbruik en uitbuiting. Toen ben ik met de studie gestopt. Afstand nemen als wetenschapper, dat kon ik niet. Was ik doorgegaan, dan was ik zoiets als personeelsfunctionaris geworden. In die zin heb ik toen een goede keuze gemaakt.

Carrière, in de betekenis van een steeds beter betaalde baan, heeft me nooit geïnteresseerd. Hoe dat komt? Dat heeft met principes te maken. Ik wil niet over lijken gaan en bovendien heb ik een hekel aan keurslijven, aan het denken in sterk geschematiseerde modellen op basis van zogenaamde absolute waarheden of vanzelfsprekendheden. Laatst, bij een armoede-conferentie was er een cursus over een zogenoemd creatief beleidsproces. Het leek me wel aardig. Staat er een man van een jaar of zestig een verhaal te houden, gebaseerd op een Amerikaanse methode. Alles wat je tegen hem zegt, is prima en uitstekend. Dat vindt hij vaak helemaal niet, maar het hoort bij de techniek. In het creatief beleidsproces vormt dat een onderdeel van de methode om consensus tussen de deelnemers te bevorderen. Die man zit zo in een model dat hij toepast, een stramien waar hij niet uit kan, dat hij geen centimeter en geen minuut kan afwijken. We waren met vijftien mensen uren bezig. Het had in een uurtje gekund. Dan denk ik, 'man wat sta je daar nou te buffelen, het leven roept je toe, het is mooi weer, ga mensen ontmoeten'. Zo'n man verbaast me. Voor het geld hoeft hij het niet te doen, maar hij doet het omdat er geld tegenover staat."

Bureaucratie

"Ik ben nooit lid geweest van een politieke partij. Als ik de beginselprogramma's las en weer hoorde over die bureaucratische besluitvorming, compromissen en zinloze loopgravengevechten, dan had ik al genoeg gezien. Nee, de politiek ligt mij niet. Ik ben opgegroeid in een streek waar het socialisme verschillende stromingen kende en tussen de arbeiders grote verdeeldheid bestond. Hoe doorbreek je dat? Dat, maar ook de bureaucratie, intrigeerde mij.

Een fundamentele kwestie is bijvoorbeeld: de coördinatie in een samenleving. Als je, zoals ik, een socialistische samenleving wil, hoe moet die er dan uitzien en langs welke weg moet je daar naar streven? Er moet coördinatie zijn, maar die mag er niet toe leiden dat weer een elite ontstaat die de macht in handen heeft. Bureaucratie is een hiërarchie, bestaande uit mensen met gespecialiseerde taken en functies, en kent een overvloed aan regels waar een ieder zich aan moet houden. Alle individuen hebben een eigen taak die ze niet van elkaar overnemen. Hoe het geheel eruit ziet, weet en interesseert niemand. Zo ontstaat een apparaat dat voor mensen van buitenaf onbereikbaar is gemaakt. Als ik een ambtenaar van de sociale dienst over een cliënt bel en die cliënt is in behandeling bij een ander, dan gaat hij er niet mee aan de gang. Dus als op een gegeven moment geïmproviseerd moet worden, kan dat niet, want het past niet in het systeem.

Hoe het dan moet? Ja, dat is de grote vraag. Aan de ene kant lijken bureaucratieën onvermijdelijk, aan de andere kant zijn ze een kwaad. Ze ontmenselijken en maken van mensen radertjes in een machine. Mensen vervullen een functie los van emoties, los van affectieve relaties met anderen, los van hun menszijn. Ze zijn alleen maar functionarissen. Omdat een bureaucratie hirarchisch is, kan de top haar gebruiken voor slechte doeleinden. En die machinerie voert dat gewoon uit."

Controleurs

"Ook als ambtenaren een goede doelstelling hebben, is een voortdurende controle van de bureaucratie noodzakelijk. Je moet er steeds tegenaan schoppen, anders wordt het een onmenselijke macht. Een voorbeeld is de "Operatie zoeklicht". Een project van de sociale dienst, woningbouwverenigingen, vreemdelingenpolitie en burgerlijke stand. Allemaal bureaucratieën. Het project houdt in dat ze een straat uitzoeken, van de adressen alle bestanden koppelen en dan kijken wat er mogelijk aan de hand is. Wie woont er, zijn het mensen met een uitkering, werken ze, is het een gezin met kinderen, zijn ze met hun tweeën enzovoort? Huis aan huis, twee ambtenaren. Ze bellen aan en zeggen: 'Goedemiddag, wij zijn van de woningbouwvereniging en willen even met u praten." Ze worden binnengelaten en beginnen een gesprek. 'Woont u alleen, weet u of uw bovenbuurvrouw werkt, verhuurt ze onder, zijn er kinderen?'

Stel dat die ambtenaren het goede in de maatschappij willen, rechtvaardigheid bijvoorbeeld. Ze vinden dan dat de uitkeringen alleen aan mensen verstrekt moeten worden die het nodig hebben, dat er geen mensen op slinkse wijze aan een woning komen, dat er niet gefraudeerd wordt en dat iedereen krijgt waar hij of zij recht op heeft. Ze redeneren dan vanuit hun positie, werknemers van de bureaucratie die als controleurs op pad gaan. De klop op de deur. Je zit als niets vermoedend burger thuis aan de koffie en er wordt aangebeld. Staan er opeens twee functionarissen. Dat kan niet, dat zijn methodes van een politiestaat. Als je geen moord of roofoverval hebt gepleegd, moet je vrij kunnen leven, moet je niet lastig gevallen worden met allerlei vragen. Hier zie je het gevaar van bureaucratie. De ambtenaren formuleren een in hun ogen goede doelstelling, een rechtvaardige samenleving, en passen vervolgens politiestaat-methoden toe om dat te bereiken.

Je kan niet alles onder controle brengen, tenzij je een politiestaat wil creëren. In Nederland is dat natuurlijk niet zo extreem als vroeger in de Sovjet-Unie of in nazi-Duitsland. Toch zit er in de bureaucratie een dynamiek in die richting. Een dynamiek die je niet kan terugvoeren op, laten we zeggen klassestrijd of sociaal-economische verandering, of collectivisatie en socialisatie van de productiemiddelen. Met die doelen los je het vraagstuk van de bureaucratie niet per definitie op.

Het leger laat ook een typisch kenmerk van de bureaucratie zien. We vielen onder de krijgstucht, en die is behoorlijk streng, maar tegelijkertijd was dat een wereld van geritsel en gerommel. Dat moet dan wel allemaal onder de tafel blijven. Een open democratisch gesprek is onmogelijk. Hetzelfde doet zich voor bij de sociale dienst. Ambtenaren willen steeds individueler en strenger beoordelen en controleren. Kom je als belangenbehartiger bij de hogere ambtenaren, dan zeggen ze vaak dat er wel iets te regelen valt. Het probleem is dat daaraan absoluut geen rechten te ontlenen zijn."

Democratische controle

"We moeten er naar toe dat vanuit de bevolking van onderop wordt overlegd. Er voor zorgen dat er een strikte democratische controle is, protesteren en beslissingsprocessen veranderen. Mensen hun eigen boontjes laten doppen, besluitvorming door de mensen zelf. Dat is de kern.

Daarmee komen we uiteraard op de vraag wat democratie inhoudt. Even een uitstapje. Mensen hebben twee soorten eigenschappen. Aan de ene kant is de mens een roofdier, dat in concurrentiestrijd verwikkeld is met de medemens. Aan de andere kant is de mens een kuddedier, een wezen dat sociaal is, dat samenwerkt. Kropotkin noemt dat laatste 'wederkerige hulp'. Mensen hebben een sociaal instinct om elkaar te willen helpen, om een groep te vormen. Op basis daarvan zijn beschavingen gebouwd die steeds geconfronteerd werden met het vraagstuk: hoe zijn oorlog en geweld te minimaliseren en hoe blijft de beschaving in stand? Dat is de lijn van de historische ontwikkeling, van de ene beschaving of maatschappijfase naar de volgende. Sommige marxisten zeggen dan als antwoord op het kapitalisme en de bureaucratie: wanneer de arbeidersklasse aan de macht komt, zijn de problemen opgelost. Maar dat is niet zo. Dan is de democratische opbouw van de samenleving van onderenop nog niet gerealiseerd.

Ik denk wel dat in de loop van de geschiedenis vooruitgang heeft plaatsgevonden, hoewel in de twintigste eeuw meer mensen zijn vermoord door medemensen dan in alle eeuwen daarvoor. Op de lange termijn heb ik een optimistisch vertrouwen in de vooruitgang, we zijn allemaal kleine radertjes in een evolutieproces dat tot verbetering zal leiden. Op de korte termijn zie ik het somber in. De nieuwe Amerikaanse wereldorde en de derde weg van Blair en Schröder bijvoorbeeld zijn weinig verheffend. De nieuwe machthebbers willen mensen steeds strakker aanpassen aan de neoliberale economie en daarbij horende verhoudingen en opvattingen. Niet de mens, maar de markt staat daarin centraal."

Coalitie

"De laatste drie jaar heb ik van mijn opvattingen veel teruggevonden in de Euromarsen. De basis daarvan ligt bij de mensen die aan de onderkant van de maatschappij zijn terechtgekomen. Wat mij zeer aanspreekt, is het internationalisme dat er in zit. Dat je de schotjes tussen de verschillende nationaliteiten doorbreekt, de nationale grenzen overstijgt. Dat je als belangenbehartiger dezelfde dingen tegenkomt waarmee mensen in andere landen te maken hebben. Dat je samen werkt aan een doelstelling voor een betere wereld.

Het tweede wat ik belangrijk vind van de Euromarsen, zijn de voortdurende pogingen om te komen tot coalities met mensen die sociaal wat sterker in hun schoenen staan en betaald werk hebben. Of dat perse coalities moeten zijn met de bestaande vakbonden is voor mij vers twee.

Het derde punt, ik heb dat ook altijd in de Derde Kamer nagestreefd, is dat je niet op een deelonderwerp of op een deelbelang moet blijven hangen. Het gaat om een combinatie van twee analyses. Enerzijds een analyse van de positie die je inneemt, de bepaalde belangen die je verdedigt en nastreeft. Anderzijds een analyse van het totaal, de samenhang van de verschillende terreinen, zoals armoede en rijkdom, vrede en bewapening enzovoort. Die combinatie dwingt tot samenwerking en coalitie, alleen al op pragmatische gronden."

Mobiliseren

"Er is in de jaren tachtig een korte periode geweest dat je alleen maar een pamflet hoefde te verspreiden en de zaal zat vol. Terugkijkend was dat helaas uitzonderlijk. We hebben bij de Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam (WBVA) eens een rekensom gemaakt. We hebben te weinig leden en willen tot tweeduizend leden komen, hoe bereiken we dat? Dat is heel eenvoudig. We leven in een kapitalistische maatschappij, met tweehonderdduizend gulden werf je zo tweeduizend leden. Iedere dag, of een jaar lang iedere week, een advertentie in de krant of spotjes op de lokale televisie AT5, in elkaar gezet door een reclamebureau, en de leden stromen binnen. Als we nu een mini-advertentie in de dagbladen plaatsen, krijgen we zeven reacties daarop. Twee daarvan worden lid. Zo simpel is dat. Maar die duizenden guldens hebben we niet, krijgen we nooit en we willen geen leden als consumenten. We willen mensen mobiliseren tot actieve leden.

Blijft de vraag waarom te weinig mensen bijvoorbeeld gehoor geven aan de oproep om te demonstreren in Keulen of, wat algemener, de zalen bij discussieavonden niet bepaald vollopen.

We werken op het ogenblik langs platgetreden paden en met versleten middelen. Krantjes worden in een grote oplage via verwante bladen, groepen of partijen verspreid. Dat gebeurt met de gedachte dat daarna de mensen wel zullen komen. Zo werkt het niet of in ieder geval niet meer. We leven in de tijd van de marketing met kortstondige contacten en snelle netwerken. Met een krant bind je mensen niet aan een bijeenkomst of demonstratie en een pamflet verspreidt zich niet meer vanzelf. Meer dan ooit is duidelijk dat mensen door persoonlijke contacten actief worden. Via een benadering en informatie die dicht bij hun problemen en ervaringen liggen. Algemene politieke verhalen, al of niet met radicale leuzen, komen als een muur af op mensen die nooit of beperkt politiek actief zijn geweest."

Spreekuur

"Ik redeneer niet alleen maar dat ik de maatschappij wil veranderen. Ik zit ook bij de WBVA om mensen te helpen en een spreekuur te houden. Natuurlijk erger ik me dan aan de bureaucratie, maar het geeft me een goed gevoel als ik iemand heb geholpen. Wij doen hier goed werk. Al is het maar een belastingformulier invullen. En het levert gigantisch veel kennis en materiaal op. Die kan ik omzetten in een andere activiteit die ik leuk vind: schrijven.

Even inspirerend zijn de acties die we voeren, zoals de Euromarsen. Of in 1988 bij de toenmalige staatssecretaris van Sociale Zaken, De Graaf. Op Goede Vrijdag om drie uur, het tijdstip waarop Christus aan het kruis genageld zou zijn, hebben we in zijn tuin de laatste uitkeringsgerechtigde jongere 'gekruisigd'. Of het galgenmaal dat we organiseerden in de hal van de Sociale Dienst ter gelegenheid van de afschaffing van de sociale zekerheid in Nederland. Op de stoeltjes in de wachtkamer legden we schragen en we zijn gaan schransen. Daarna nog één keer de bloemetjes buitengezet en de broekriem aangehaald.

Waar die mensen zijn gebleven? Ze zijn er nog wel, maar we bereiken hen steeds moeilijker. De mensen lijken wel gehospitaliseerd door al die dwingende begeleidingstrajecten naar werk."

Boek

"Af en toe verlang ik naar de rust en de concentratie om een boek te schrijven over het marxisme van de Hollandse school. Het praktische werk van alledag staat dat niet of nog niet toe. De groep waartoe Anton Pannenkoek, J. Saks, Sam de Wolff, Herman Gorter en Henriette Roland Holst behoorden, heeft in het begin van deze eeuw een tijdschrift uitgegeven "de Nieuwe Tijd". Daarin zijn veel discussies op een hoog niveau gevoerd.

Ik denk niet aan een puur wetenschappelijk werk. Wel zou ik de samenhang, zoals ik die zie, in hun benadering en visie op grote vraagstukken willen aanbrengen. Dat komt nog wel. Voorlopig wil ik onder de mensen blijven en actief zijn. Ik kan me niet terugtrekken en begrijp niet dat anderen dat kunnen."

Ton Dijkstra