nr. 89
maart 1999

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Redactioneel

FNV Bondgenoten hoeft niet naar de kloten

Op de 'crash' van FNV Bondgenoten wordt in de media nogal spottend en meewarig gereageerd. Zoals zo vaak trachten de hoofdbestuurders hun gezicht te redden met 'er vallen geen gedwongen ontslagen' en dan weet iedereen dat er arbeidsplaatsen verdwijnen. In dit geval zeker over de tweehonderd, ongeveer een kwart van het totaal. En dat is gek, want we horen nooit anders dan dat er in het vakbondswerk vele handen, hoofden en vooral harten te weinig zijn.

Over een "structureel financieel tekort", want daar lijkt 't om te gaan, kan eindeloos gedelibereerd worden. Hoe kan dat, klopt het, wie heeft er een gat in zijn hand of zitten slapen, wat heeft het oprichtingsfestijn gekost en moest dat nou zo met die 'union roots' enzovoort. Wij laten deze gifbeker aan ons voorbijgaan.

De dikke rapporten over een verbeterplan op de middellange termijn hebben we wel gelezen. En we struikelden over taskforce, front-office, service-unit, call-centre en rolden van de synergie via de transparantie en de aanbodoriëntatie naar de stuurinformatie en het competentiemanagement. Het zijn slechts woorden, maar ze vertegenwoordigen een wereld, een visie, een houding en een groot probleem. De reorganisatie-sleutelaars en ingeleende experts ontberen elke authenticiteit. Hun echtheid en oorsprong, die in de arbeidersbeweging liggen, zijn prijsgegeven. 'De toko is slecht gerund en nu gaan we een kwaliteitsslag maken.'

Deze technocratiese, zielloze benadering was al duidelijk waar te nemen bij de voorbereiding en invoering van de fusie. Van bovenaf, uiteraard met allerlei 'raadplegingen van de achterban', in hoog tempo, alles in één keer, met veel opsmuk en niet te vergeten getekende kanjers aan de top. Eén van de hoofdkenmerken van een bureaucratisch apparaat was voortdurend zichtbaar: de arrogante zelfoverschatting van het 'leiderschap', de stoere alleskunners die het klappen van elke zweep kennen, die papier en regelingen heilig verklaren, maar geen benul hebben van wat er onder hun glazen plafond in het hart van de organisatie gebeurt en leeft. En nu de toko niet draait en overal het spook van de overbesteding opduikt, komen er nieuwe kanjers. Hun motto is: de bond zal en moet een bedrijf worden. Met de wind van de financiële problemen in de rug grijpen ze - opnieuw van bovenaf, in hoog tempo enzovoort - naar de stofkam als ware dit een Viagra-pil.

Er is voor ons nooit één reden geweest tegen de fusie te zijn. Het minste wat we dachten was 'nieuwe ronde, nieuwe kansen'. Uit het gestaalde van de industriebond, het strijdbare van de vervoersbond, het bevlogene van de voedingsbond en het sobere van de dienstenbond zou een nieuwe energieke bond kunnen komen. Maar dan wel in een proces en tempo die van onderen bepaald werden, in een vorm die lokaal werd opgebouwd en met een inhoud die echt 'sociaal en sterk' was. Zelfs nu laat de praktijk van FNV Bondgenoten hier en daar zien dat dit niets te maken heeft met luchtfietserij of nostalgie, waarmee Lodewijk de Waal kort geleden op de televisie met Solidariteit trachtte af te rekenen. Op plaatselijk niveau zien we leden van de vier vroegere bonden het beste uit hun geschiedenis in nieuwe activiteiten bij elkaar brengen. We hoorden het voorbeeld uit een schoonmaakbedrijf waarin veel dat mis ging, gecorrigeerd werd door de sterke vakbondsgroep van het bedrijf waar schoon werd gemaakt. We weten van 'lagere' bestuurders die van elkaars ervaringen en inzichten, voortkomend uit verschillende sectoren, gebruik maken.

Wanneer dit soort voorbeelden dagelijkse praktijk worden, zal de geplande, jaarlijkse ledenaanwas van 3 procent minimaal verdubbeld worden. En is het financieel probleem met de eerste de beste lentezon verdampt.

Redactie