nr. 89
maart 1999

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Recht en Arbeid - een dodelijk rechtsbedrijf

Die gemachtigde was ik ...

Op 30 november 1994 beslist de bedrijfsvereniging (toen BV10, nu Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, LISV) dat de WAO-uitkering van de heer W. wordt verlaagd. Niet langer is hij arbeidsongeschikt voor 80-100, maar voor 65-80 procent. Het begin van een lange strijd, die uiteindelijk door de Centrale Raad van Beroep op 17 februari 1999 wordt beslecht.

In een WAO-zaak gaat het eerst om de vraag welke medische beperkingen er zijn. Dan volgt de vraag waaraan functies moeten voldoen die vanuit medisch oogpunt kunnen worden verricht. Vervolgens worden deze medische gegevens ingevoerd in het Functie Informatie Systeem (FIS). De functies, die daarna voldoen aan de mogelijke belasting, komen dan als vanzelf uit de computer rollen.

De verzekeringsgeneeskundige meende dat de heer W. vier uur per dag belastbaar was voor werk zonder zware fysieke activiteit. De arbeidsdeskundige zette deze medische beperking om in functies. De heer W. werd gedurende vier uur per dag geschikt geacht voor: plantenstekker, tester, monteur schakelaars koffiezetters en chauffeur groepsvervoer.

Recht en deskundigheid

De heer W. was het daar niet mee eens. Hij had een hartinfarct en een zware operatie achter te rug. Aan zijn hart hingen vijf omleidingen. Niettemin vond de in het kader van de procedure geraadpleegde cardioloog deze vijftigjarige man geschikt voor de geduide functies. Maar er waren nog wel een paar problemen. In de functie monteur schakelaars geldt dat er hogere concentraties stof, rook, gas en/of damp vrijkomen. Ook bij de functie van chauffeur zijn vraagtekens denkbaar. Is hier sprake van een onaanvaardbaar veiligheidsrisico voor de betrokkene en de mede-weggebruikers? Is het een werkgever toe te staan een werknemer met deze klachten aan te nemen?

De twijfels van de heer W. en zijn rechtshulpverlener werden niet gedeeld door de Arrondissementsrechter te Haarlem. Ze besliste 17 februari 1997: "Aangezien het oordeel van de deskundige cardioloog de aan de bestreden beschikking ten grondslag gelegde medische beoordeling bevestigt, leiden de bezwaren van eiser [de heer W.] niet tot de conclusie dat eiser meer arbeidsongeschikt is dan bij de beschikking vastgesteld."

Aan de rechtshulpverlener de taak om deze beslissing aan zijn cliënt uit te leggen. Een onmogelijke opgave. Technisch gesproken is de beslissing van de rechtbank heel goed te volgen. Zij steunt namelijk op het relaas van een deskundige, namelijk een cardioloog. De behandelend arts kon de visie van de deskundige van de rechtbank niet voldoende tegenspreken. De cardioloog constateert wel dat zijn patiënt het gevoel heeft op een tijdbom te leven, maar snapt niet goed wat dat nu echt betekent. Vanuit zijn deskundigheid verklaart hij dat nog best gewerkt kan worden. Een andere deskundige raadplegen vindt hij niet nodig. En ook dat oordeel volgt de Rechtbank. Nadat de heer W. het begeleidende briefje ontving van de rechtshulpverlener, die de beslissing probeerde uit te leggen, kreeg hij onmiddellijk weer een hartaanval. Hij moest direct naar het ziekenhuis. De spanning was eenvoudigweg te groot geworden. De echtgenote meldde zich telefonisch met de vraag: "Hebben jullie nu je zin?"

Recht en menselijkheid

De behandelend arts, eveneens cardioloog, had wel enige bedenkingen bij de geduide functies, maar kon toch niet categorisch verklaren dat deze ongeschikt waren. Hoewel de rechtsverlener juridisch niets in handen had (hij had geen bericht van een deskundige van gelijk niveau, die de cardioloog kon tegenspreken), werd hoger beroep ingesteld. Schamen deed de rechtshulpverlener zich wel. Hij was deel geworden van een rechtsbedrijf dat de menselijke maat verloren had.

Vlak voor de zitting bij de Centrale Raad van Beroep werd het de heer W. opnieuw te veel. Op 11 november overleed hij, 53 jaar. Condoleren durfde de rechtshulpverlener niet. Want had hij niet mede schuld aan de laatste, nu fatale hartaanval? Was hij niet evengoed een rader in een systeem dat uiteindelijk een rechtzoekende de dood had ingejaagd?

Met de weduwe werd vervolgens gesproken over wat verder te doen stond. Dan maar postuum, maar erkenning moest en zou er komen. Dat was de opdracht die de rechtshulpverlener kreeg.

Ter zitting lijkt het alsof de Centrale Raad van Beroep toch begrijpt dat hier iets goed mis is gegaan. In het geding tussen de nabestaanden en het LISV volgt deze uitspraak:

"In hoger beroep heeft de gemachtigde (...) onder meer aangevoerd dat betrokkene geen spanning kan verdragen en ter illustratie daarvan er op gewezen dat betrokkene na de voor hem ongunstige uitspraak van de rechtbank direct hartproblemen kreeg en in het ziekenhuis moest worden opgenomen. Ten aanzien van de functie 'chauffeur groepsvervoer' heeft gemachtigde opgemerkt het niet raadzaam te achten een hartpatiënt als betrokkene deze functie te laten uitoefenen.

De Raad vindt voor deze scepsis in zoverre steun in de gedingstukken, dat genoemde functie enige eisen stelt op het punt van de psychische belastbaarheid, terwijl volgens de behandelende cardioloog (...) de psychische spankracht van betrokkene beperkt is. Genoemde deskundige acht eveneens gecontraindiceerd ['niet geschikt'] functies met een overmatige blootstelling aan stof, rook, gas en/of damp. In dit verband wijst de Raad er op dat in de functies 'monteur' en 'tester' sprake is van concentraties stof, rook, gas en/of damp en soldeerdampen. Niettegenstaande de rapportage van de deskundige, is ten aanzien van de thans nog te beoordelen functies met betrekking tot de vraag of betrokkene ze kon vervullen een zodanige twijfel aanwezig, dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat betrokkene voor het minimum van drie functies de geschiktheid bezat."

De conclusie van de Centrale Raad is dat het besluit en de aangevallen uitspraak van de Arrondissementsrechtbank moeten worden vernietigd. De "scepsis" van gemachtigde wordt gedeeld. Er was zoveel twijfel gerezen dat betrokkene alsnog in het gelijk werd gesteld. Juridisch gezien lag het meer voor de hand dat de Raad het oordeel van de geraadpleegde arts had gevolgd. Maar vanuit menselijk oogpunt heeft de Raad volstrekt gelijk. Hoewel gemachtigde veel te weinig in handen had, heeft de Raad hem toch gevolgd. De twijfel en scepsis waren in dit bijzondere geval, voor deze ene keer kennelijk voldoende.

Pim Fischer