nr. 89
maart 1999

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Verborgen of vergeten geschiedenis - Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid

De Glorie van het Ongeziene

Tot mijn mooie momenten van de afgelopen tijd behoren het lezen van de biografie over Koningin Wilhelmina en het bezoek aan de Glorie van het Ongeziene, de herdenkingsexpositie van de opzienbarende Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid 1898. Ik liep al meteen tegen Wilhelmina op. "Een vrouw op de troon" was het onderschrift bij een lichtbak met een imposante foto van een weelderig gezelschap in de Nieuwe Kerk, geschaard rondom het jonge rijke meisje dat tot vorstin wordt gekroond.

Maar dan het contrast. Ik heb er met verbijstering naar gekeken. Boven in je blikveld de aristocratische Koningin, maar in een lichtbak daaronder snel wisselende beelden van vaak afgetobde meisjes en volwassen vrouwen in de meest beroerde arbeidsomstandigheden. In een spoelerij, lakkerij, wasserij, strijkerij, op het land, op de markt, in een drukkerij, opgesloten in donkere fabrieken of buiten in het felle licht bij een steenfabriek, als dienstbode, in de horeca, in de verpleging. In inmiddels (nagenoeg) uitgestorven beroepen: stenenkruister, bezembindster, rietsnijdster, houthakster, oestervrouw, tabaksstripster, stoelenmatster, mattenvlechtster. Er staat een laconieke tekst bij: "Vrouwenarbeid omvat zowel het regeeren der koningin als het zwoegen der vrouwen op de steenfabrieken."

Vrouwenquaestie

De Tentoonstelling vond plaats in Den Haag en duurde van 9 juli tot 21 september 1898. Een jarenlange voorbereiding was er aan voorafgegaan. Drie leden van De Vrouwenbond Groningen namen het initiatief: Cato Pekelharing-Doijer, Dientje Dull en Cateau Worp-Roland Holst. Samen met Hendrina Scholten-Commelin, Cécile Goekoop-de Jong en Marie Jungius vormden zij in 1896 het bestuur van de Vereeniging Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid. Ze werden bijgestaan door een landelijk netwerk van meer dan 500 vrijwilligsters. Vrouwen van uiteenlopende religieuze en politieke overtuiging - ook uit Indië en Suriname - vonden elkaar in de voorbereiding en uitvoering. Via exposities, congressen en demonstraties kreeg de bezoek(st)er een beeld van leven en werk van de vrouw.

Steevast lezen we in de geschiedenisboeken dat bij de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw drie grote zaken speelden in de Nederlandse samenleving. De schoolstrijd (subsidiëring van het bijzonder onderwijs), de kiesstrijd (inzet voor het algemeen kiesrecht) en de sociale kwestie (de ellendige toestand van de arbeidende klasse). Bij de opsomming ontbreekt een relaas over de helft van de mensen in ons land: de 'vrouwenquaestie'. Het zijn de vrouwen zelf - met een enkele verlichte man - die hun achtergestelde positie ter sprake brachten en de traditionele conservatieve opvattingen van mannen over de natuur van de vrouw ter discussie stelden. Vrouwen streden voor verruiming van hun opleidingsmogelijkheden, toegang tot de arbeidsmarkt, verbetering van hun arbeidssituaties en verzetten zich tegen de dubbele seksuele moraal en tegen de handelingsonbekwaamheid van gehuwde vrouwen en de gehoorzaamheid aan de echtgenoot als hoofd van de echtvereniging.

Vrouwenindustriekaart

Op de Tentoonstelling kwamen negentigduizend bezoekers af, onder wie Wilhelmina met haar moeder Emma. De grote industriezaal was het pronkstuk. Ter lering konden de bezoekers kijken naar zestig meisjes en vrouwen die daar dagelijks hun werk verrichtten. Op de herdenkingsexpositie trof mij de vrouwenindustriekaart, ontworpen door Marie Jungius. Hierop had zij de industrieën vermeld waarin vrouwen in de gemeenten van Nederland werkten. De meer dan 2.000 confectie- en modistezaken konden niet worden opgenomen. Jungius komt op een totaal van 197 industrieën waarin vrouwen werkzaam zijn. Van ansjoviszouterijen, aardewerk-, aardappelmeelsiroop- en aardappelmeelfabrieken tot zaadkwekerijen, zakkenplakkerijen, zuivering van bedveren, zeeppoeder- en zuivelfabrieken en zijdennetweverijen.

Uiteraard waren er ook beroepen waarin sprake was van minder zware fysieke arbeid voor vrouwen, zoals het onderwijs. Er hingen twee grote affiches die de verhouding mannen/vrouwen in het onderwijs anno 1898 aangaven. Aantal mannelijke hoofden: 2.963 op 6.433 onderwijzers; uitkomst: 0,460. Aantal vrouwelijke hoofden: 71 op 2.957 onderwijzeressen; de hoek met de uitkomst was afgescheurd.

Meer dan in elke andere bedrijfstak (behalve de agrarische sector, maar daar zijn geen precieze cijfers van bekend) waren meisjes/vrouwen werkzaam als dienstbode. Volgens de beroepstelling van 1899 waren er ongeveer 200.000 dienstboden. Dat is een behoorlijk aantal op een bevolking van vijf miljoen. Het werk van dienstbode vormde een 'aantrekkelijk toekomstperspectief' voor meisjes uit de arbeidersklasse.

Een ommekeer

Hoe oordeelden tijdgenoten over de tentoonstelling? Als eerste krijgt Petrus J. Blok, historicus en leraar van Wilhelmina, het woord: "Het geklots der golven (wordt) overstemd door twistgesprekken over de vrouwenbeweging, aan de theetafel weerklinken de argumenten, in de kerken wordt over de brandende kwestie gepreekt, in de keuken wordt geredeneerd. Ons land is in rep en roer." In de sociaal-democratische beweging had een flink debat plaatsgevonden over de betekenis van de Tentoonstelling en of men er aan moest deelnemen. Sommige socialisten beschouwden het als een initiatief van elitaire dames, van wie men beter afstand kon houden. Ze konden er zich echter niet aan onttrekken. Dus ook Troelstra heeft er gesproken. Dit vond de leider van de sociaal-democraten er van: "De tentoonstelling is de openbaring eener beweging onder de Nederlandsche bevolking, zóó krachtig en uitgebreid, dat zij zich eene flinke plaats onder de geestelijke en politieke stromingen in ons volksleven heeft veroverd." Het laatste woord is voor de historica en feministe Johanna Naber in 1923: "Die tentoonstelling is met haar Congressen als een openbaring geweest voor mij en voor zoo velen vrouwen van mijne generatie."

Harry Peer