nr. 87
dec 1998

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Een 'buitenstaander' over de vakbeweging

Eigen visie op arbeid nodig

Ik ben een betrekkelijke buitenstaander; wel lid van de vakbond (AbvaKabo) al zolang ik werk, maar ga nooit naar een afdelingsvergadering. Met de directe belangenbehartiging zal het wel goed zitten. Waar ik me drukker om maak, is de betekenis van de vakbeweging in het algemeen. Die zou het gat moeten dichten dat door de neergang van politieke partijen ontstaan is.

Politieke partijen, die vroeger het aanspeelpunt vormden voor de vakbonden, hebben op het terrein van de arbeid de ideologische veren afgeschud en staan als kale kippen modieus rond te kakelen in het zonnetje van de economische voorspoed. Flexibilisering, deregulering, decentralisatie, individualisering, employability, de nieuwe werknemer, bedrijfscultuur, teamwork, het zijn termen die met het grootste gemak gehanteerd worden. Niet alleen door paarse politici, door journalisten en werkgevers. Ook mensen uit vakbondskringen bezigen tegenwoordig graag deze termen. Daarbij vang ik ook wel eens op dat de cao 'ons belangrijkste product is', 'dat in de markt gezet moet worden'. Geen ouderwets gedoe, een dynamisch vakbondsmens gebruikt dynamische begrippen.

Maar dat dergelijk jargon doorspekt is met ideeën die vaak zo uit het repertoire van het management stammen, maakt de zorgwekkende positie van de vakbonden duidelijk. Het zonnige weer in de polder zal niet ten eeuwige dagen aanhouden. Als de recessie inzet, kan pas goed duidelijk worden of de eensgezindheid, die eigen is aan het poldermodel, ook op langere termijn vruchten afwerpt. Of kan er dan naar hartelust worden afgeslankt en wordt dan pas goed duidelijk dat de tweedeling in de bedrijven ook op andere gebieden doorzet?

Tegenmacht

Ordening en tegenmacht, dat is de tweeledige functie van de vakbeweging. In het eerste blijkt ze goed, bij het tweede moet een dik vraagteken geplaatst worden. En dan bedoel ik niet dat er om alles en nog wat het hardste conflict moet worden aangegaan. Nee, ik bedoel dat tegenover de perspectieven en de begrippen van het management, een eigen visie op de arbeid nodig is.

De vakbonden groeien de laatste jaren aardig met de banen mee. Ondanks het feit dat de banen die er bijkomen, hoofdzakelijk moeilijk te binden deeltijders en flexibelen betreffen, stijgt het aantal leden. Met het ledental van de vakbonden gaat het net zo goed als het slecht gaat met de politieke partijen.

De vakbonden worden steeds meer als enig middel beschouwd tegen het beleid dat de vruchten van economische voorspoed bij de werkgevers doet belanden en de onzekerheid van de werkne(e)m(st)ers in vele opzichten doet toenemen. Ondanks het hele ideologische offensief in termen van employability, flexibiliteit en de nieuwe werknemer, wil bijna iedereen een vaste baan. Werknemers nemen inderdaad verschillende posities in, maar hoog en laag hebben met reorganisaties te maken. Dit resulteert in verhoging van de werkdruk. De Arbowet is prachtig op papier, maar wie durft te beweren dat deze ook echt de kwaliteit van de arbeid verhoogt of zelfs maar waarborgt?

Bevlogenheid

De visie en de doelstellingen van de vakbonden zullen aanzienlijk helderder moeten worden, wil de vakbeweging niet ernstig verzwakt worden in een periode dat het minder gaat. Dan dreigt enorm ledenverlies, zoals in het begin van de jaren tachtig. Waar moet het met de arbeid naar toe? Is werk iets van korte, flexibele aard of iets waarmee je ook in sociaal en ideëel opzicht in een verderstrekkend perspectief verbonden bent?

Heel wat bedrijven zijn bezig met activiteiten om (kern)werknemers aan zich te binden. Met louter calculerende burgers kan er geen samenleving bestaan, met volstrekt op geld gerichte werknemers geen bedrijf. Daarom moet de bedrijfscultuur de mensen loyaler maken. Dat tegelijkertijd door flexibilisering, die veelal uitgewerkt wordt in verzakelijking, de bindingen met veel werknemers verzwakken, vormt een niet zo vreemde tegenspraak.

Ook de vakbeweging heeft die sociale en ideële banden nodig. Daartoe is een eigen visie op arbeid en arbeidsverhoudingen vereist, een cultuur die met bevlogenheid wordt uitgedragen. Dat is niet ouderwets, dat is niet anti-markt, dat is gewoon waar de vakbeweging voor moeilijker tijden in zou moeten investeren. Want de komende periode zullen de vakbonden zich meer moeten presenteren in een veranderend en deels integrerend Europa, waar de werkgevers uitstekend op voorbereid zijn.

Nieuwe bindingen

De overgrote meerderheid van de werknemers valt onder collectieve (raam)overeenkomsten die in de onderneming op maat moeten worden toegesneden. Dat kunnen ondernemingsraden niet, ten dele omdat ze niet goed functioneren, of door hun afhankelijke positie in het bedrijf. Deze decentralisatie zal maken dat er een veel groter beroep wordt gedaan op onafhankelijke (vakbonds)vertegenwoordigers.

Flexibilisering betekent niet alleen meer onzekerheid, het houdt ook een andere verhouding van de werknemer tot zijn werk en het bedrijf in. Dat betekent minder binding met het bedrijf. Aan de vakbonden de taak om nieuwe bindingen te creëren en vorm te geven. Wie anders?

Luuk Wijmans
(werkzaam aan Universiteit van Amsterdam, Vakgroep Sociologie)