nr. 87
dec 1998

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Van school naar arbeidsmarkt

"Ik heb een vaste baan!"

"Ik ben echt heel gelukkig geweest. Ik heb het er naar m'n zin gehad. Maar ik heb ook - vooral zomers - verschillende keren jankend door die gangpaden gelopen, zo van: Godverdomme, wat ben ik hier aan het doen, ik schei er mee uit!" Zo vat Rob zijn ervaringen in zijn eerste baan samen.

Anderhalf jaar lang werkte Rob in een kas "De Lier" in het Westland. Dat was lang genoeg, althans dat vond de baas. Rob werd ontslagen. En hoe. Rob: "De laatste minuut werd het gezegd. Ik zat al op de fiets naar huis, bij wijze van spreken, en toen werd gezegd: Oh ja, we hebben je niet meer nodig." Onbegrijpelijk, want Rob was een zeer goede werker; de baas was altijd tevreden over hem. En dan nu dat plotselinge ontslag.

Van Arbeids- naar uitzendbureau

Aan het vinden van de baan in de kas ging wel een hoop gezoek vooraf. Allereerst ging Rob naar het Arbeidbureau en schreef zich in voor industrieel en agrarisch werk. "Ik hou wel van een beetje in de aarde wroeten", spot de ex- kaswerker. Het Arbeidbureau kon hem niet aan werk helpen, ook al ging hij vaak langs om op de borden, in de mappen en de computers te kijken naar vacatures die hem pasten. Toen kwam het uitzendbureau met het werk in de komkommerkas. Eerst tijdelijk, later vast, direct via de kasbaas. Rob kreeg al vrij snel een contract voor een half jaar aangeboden; hij had als uitzendkracht al bewezen dat-ie een harde werker was.

En Rob had het meestal erg naar z'n zin in de kas. Het werk was loodzwaar, maar hij en zijn collega's maakten er wat van: "t Was elke ochtend een wedstrijdje: wie gaat het hardst en wie heeft de mooiste", vertelt Rob over het plukken van komkommers. Om zijn collega's te begrijpen, moest Rob wel even thuisraken in de manier van praten en het Westlands kasdialect: "In het begin verstond ik er geen reet van. En zij verstonden niks van mij. Dan vroegen ze: waar kom je vandaan? Dan gaf ik antwoord, keken ze elkaar aan en zeiden ze: wat zegt-ie nou?"

Twee weken spierpijn

Rob ziet het werk alleen maar positief: "We hebben echt een hoop lol gemaakt samen." Hij houdt niet van negatief doen, maar om de waarheid kan hij toch niet heen, het was ook wel een ellende. Vooral in het begin was het werk pittig: "Ik kwam zo uit de schoolbanken en heb twee weken met spierpijn rondgelopen. Later ging dat wel over."

Echt erg was het gif, dat ook tijdens het werk werd gespoten: "Je kreeg hoofdpijn en werd kortademig." Of zomers, als het veertig graden of warmer was, met werkdagen van tien uur. In de winter was het ook zwaar: ze werkten dan op hun knieën in de vrieskou. "Je ging kapot. Als je twee dagen op je knieën had gezeten, had je het wel gehad." En vroeg beginnen: Vijf uur, soms zes. Maar Rob wou persé werken, want school ziet hij als een veredelde vorm van een doodskist.

Geen cao

Een cao bestond niet voor de baas. Zo kregen Rob en z'n makkers in de zomer nooit pauze. "Daar was helemaal geen tijd voor, volgens de baas. Overuren, die we veel maakten, werden helemaal niet meer betaald dan gewone uren. En het loon was al een beetje mager; in het begin het minimum en later een gulden of zo meer."

Uiteindelijk verdiende hij net een tientje per uur, ontcijferde hij op zijn loonstrookje, dat trouwens ook nieuw voor hem was. Hij vond het wel interessant: "Ja, m'n bruto- en nettoloon, allerlei premies en zo. Ik deed er niet veel mee. Ik kreeg dat ding één keer per maand of per jaar. Ik weet het niet eens. Verder zat vakantie er ook niet echt in: in die anderhalf jaar heb ik vijf dagen vrij gehad."

Rob maakte wel eens een praatje bij de buren van de kas. Daar hoorde hij van een collega wat er zo'n beetje in de cao staat. "Zo hadden we bijvoorbeeld recht op een pauze om een uur of drie 's middags, maar daar konden we dus naar fluiten."

Rob begon zich te realiseren dat het een zooitje was op zijn werk. Hij interesseerde zich voor de cao, maar tegelijkertijd ook weer niet en werd een beetje laconiek en passief: "Je begon toch niks. Dan moet je ergens anders gaan werken, als het je niet zint. En je kan elkaar toch maar beter te vriend houden: Je moet toch dag-in-dag-uit samenwerken."

Rob was nog jong, 20 jaar, en dus nog niet te duur. Hij bleef in de kas en vond het wel lekker dat-ie een contract had en niet meer als uitzendkracht hoefde te werken. Een uitzendkracht is toch maar een voetveeg. Je ligt er zo uit en je krijgt de rotste klusjes. "Ik ging fluitend naar huis, want ik besefte dat ik gewoon een vaste baan had." Rob had het naar z'n zin, ondanks zijn geploeter voor een mager loon, totdat de baas hem na anderhalf jaar afdankte.

Tomme Geraedts
(student School voor de Journalistiek, Utrecht)

Namen van Rob en lokatie zijn gefingeerd.