nr. 81
nov 1997

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Ekonomie anders bekeken - Marx in deze tijd

De uitbuitingsgraad anno 1997

Wat nou uitbuiting, gaan we terug naar de vorige eeuw? Was dit begrip niet afkomstig van Marx? En leefde die niet in de vorige eeuw? Vormen kommunisme en Marxisme niet een achterhaalde ideologie die met de ineenstorting van de Sovjet Unie en de 'val van de Muur' definitief is begraven? 'Natuurlijk', zegt de overgrote meerderheid van degenen die kunnen schrijven, debatteren, meningen vormen, politiek bedrijven en in business zitten. Toch eens kijken of zo'n 'achterhaald' begrip van toepassing is op aktuele ontwikkelingen als arbeidstijdverkorting, prestatieloon en loonmatiging. Daartoe moet eerst het spraak gebruik wat gezuiverd worden en enige uitleg gegeven.

BIJ 'UITBUITING' DENK je onwillekeurig aan slavenarbeid, kinderarbeid, aan mijnarbeid in ondergrondse, onveilige schachten en gangen. Kortom, uitbuiting in deze zin heeft een emotionele lading. Je ziet de beelden voor je van afgetobde, vervuilde menselijke wezens, die onder toezicht van een bullebak - hun lichaam slopend - ploeteren.

Bij Marx heeft het begrip daarentegen een gortdroge inhoud. Uitbuitingsgraad is een analyties kengetal. Met enige slagen om de analytiese arm zou je het de verhouding tussen winst en looninkomen kunnen noemen, een gewone breuk: WINST / LOON.

Arbeidswaarde

Zoals gezegd: met enige slagen om de arm. Ter nadere verklaring, het volgende. Marx werkte met het begrip 'waarde', meer specifiek met 'arbeidswaarde'. Ook daarover bestaan talloze misverstanden. Met name ekonomen vinden dit een achterhaald begrip. Zij hebben arbeidswaarde altijd exklusief beschouwd als een verklaring voor de prijs en daar tegenover gesteld dat vraag en aanbod de prijs verklaarden (ik laat dit vraagstuk verder rusten). Het misverstand nu bestaat hierin dat Marx het begrip arbeidswaarde helemaal niet exklusief, zelfs niet in de eerste plaats, gebruikte voor een verklaring van de prijs. Hij had een dimensie nodig, waarin hij zijn begrippen, wetmatigheden en leerstellingen kon uitdrukken. Een soort gemeenschappelijke noemer. Net zo als je zwaarte in gewicht en afstand in lengte uitdrukt. Dat was volgens mij de belangrijkste funktie van het begrip 'arbeidswaarde'. Welnu, in die dimensie uitgedrukt heet winst: 'meerwaarde' en loon 'variabel kapitaal'. En dus was de uitbuitingsgraad bij Marx de breuk MEERWAARDE / VARIABEL KAPITAAL afgekort M/V.

Zie daar dat gortdroge analytiese kengetal. Iemand die deze breuk voor achterhaald verklaart, is volgens mij niet bij de tijd.

Constant kapitaal

Nog wat theorie. Bij Marx bestond de waarde van elk produkt uit drie onderdelen. Een deel was de (arbeids)waarde, opgeslagen in produktiemiddelen als machines, apparaten en instrumenten die in het produktieproces werd overgedragen op het eindprodukt. Zeg maar: de tegenwaarde van slijtage, ook wel uitgedrukt in afschrijving. In termen van waarde noemde hij dit 'constant kapitaal' en gaf er het symbool C aan. Het tweede deel bestond uit het genoemde variabel kapitaal. Het derde deel uit de genoemde meerwaarde.

In de dimensie 'waarde' bestond zo elk produkt dus uit: C + V + M. In de 'reële' wereld uit: afschrijving + loon + winst. Het zit wat gekompliceerder in elkaar, maar daarop kom ik aanstonds terug. Schematies kan het voorgesteld worden in de volgende figuur.

waardesamenstelling M + V + C Zo voorgesteld kan het de waardesamenstelling van een produkt betekenen. Maar er kan ook mee bedoeld worden de samenstelling van de produktie van een heel bedrijf, een hele sektor of zelfs het nationaal produkt. Dat moet uit de kontext blijken.

Naast de 'waarde'dimensie bestaat er echter ook een tastbare technies stoffelijke dimensie. Daarin heeft constant kapitaal (C) de gedaante van de reeds genoemde produktiemiddelen (machines enzovoort). En dat zijn ook weer eindprodukten - koopwaar - die zelf een (arbeids)waarde bezitten, opgebouwd uit die drie elementen. Het is de aldus (in het verleden) ontstane waarde die broksgewijs (slijtage) overgedragen wordt. Dat is reeds geschapen (arbeids)waarde die, als overgedragen waarde, 'dode arbeid' werd genoemd. Die dode arbeid zou ook aangeduid kunnen worden als 'gestolde arbeid'. Dit wat het constante kapitaal (C) bij de totstandkoming van de waarde van een produkt betreft.

Variabel kapitaal

Is een soortgelijke redenering ook mogelijk voor de andere komponent van de waarde: variabel kapitaal (V)? Alvorens hierop in te gaan, moet ik eerst terugkomen op die slagen om de arm en het meer gekompliceerde van de som van afschrijving + loon + winst. Eigenlijk vertegenwoordigt die V in de waardedimensie niet arbeidsloon, maar 'arbeidskracht'. Omdat winst in geldtermen is uitgedrukt, heb ik dat in eerste instantie met arbeidskracht ook maar gedaan. Inmiddels is sluipenderwijs een nieuw begrip binnen gedrongen: 'arbeidskracht'. Dat moet in de opvatting van Marx onderscheiden worden van arbeid. Arbeidskracht is het arbeidsvermogen, de arbeidspotentie. Pas met de inschakeling van dit arbeidsvermogen ontstaat er arbeid. Net als bij een wasmachine. Die heeft het vermogen om te wassen, maar doet dat pas als-ie is ingeschakeld. Welnu, het is arbeidskracht die op de markt als een soort koopwaar wordt aangeboden, geen arbeid. Het begrip 'arbeids'markt zou dus eigenlijk veranderd moeten worden in 'markt van arbeidskracht'. In dit verband zal het ook niet vreemd zijn de koopwaar arbeidskracht te beschouwen als een soort produkt, ook uitdrukbaar in (arbeids)waarde.

Uitdrukbaar in (arbeids)waarde? Hoezo? Wel, indirekt via de (arbeids)waarde van de produkten die de arbeider nodig heeft om zichzelf en zijn gezin (in de tijd van de kostwinner) in stand te houden, te kunnen reproduceren, zoals Marx het noemde. Je zou kunnen zeggen: de 'reproduktiekosten' van arbeidskracht. Het looninkomen van de arbeid(st)er moet deze reproduktiekosten weerspiegelen, op straffe van afbraak van arbeidskracht. Zo is ook variabel kapitaal (V), zij het indirekt, uitdrukbaar in de (arbeids)waarde van de zogenaamde bestaansmiddelen.

Meerwaarde

Nu de derde komponent: 'meerwaarde' (M). Hoe is deze in de dimensie van (arbeids-)waarde uit te drukken? Daartoe moeten we even terugkomen op het onderscheid tussen arbeid en arbeidskracht. Zoals gezegd, als arbeidskracht is ingeschakeld levert ze arbeid. Arbeid is voor Marx een samenspel van spieren, hersenen, zenuwen enzovoort, een energie-mix. 'Abstrakte arbeid' noemde hij deze mix. Ze vormt zich om in een eindprodukt, schept het eindprodukt. Het samenspel materialiseert zich in het produkt. Naast overdracht van de waarde van de dode arbeid, schept het samenspel van spieren, hersenen en zenuwen de waarde van de zogenaamde levende arbeid. Hoeveel arbeid per dag geleverd wordt, is afhankelijk van de lengte van de arbeidsdag en de intensiteit van de arbeid. Om aan de weet te komen hoeveel levende arbeid er (naast de dode arbeid) in een produkt zit, moet bekend zijn hoeveel produkten per dag gemaakt worden. Welnu, de dagwaarde van arbeid (tijd maal intensiteit) heeft niets te maken met de dagwaarde van arbeidskracht (reproduktiekosten). Als de arbeider bijvoorbeeld acht uur per dag met een bepaalde intensiteit moet werken (resultaat van strijd tussen werkgevers en werknemers), kan het best zijn, dat hij de tegenwaarde van zijn reproduktiekostenpakket al in drie, vier, of vijf uur werken heeft verdiend. Als we de waarde van de dode arbeid (C) buiten beschouwing laten, dan wordt per werkdag de waarde van de derde komponent, de meerwaarde (M), bepaald door het verschil tussen de (arbeids)waarde van de dagproduktie (C + V + M) enerzijds en de waarde van het dagelijkse reproduktiekostenpakket (V) anderzijds.

Uitbuiting

Wet, voorlopig genoeg theorie. Terug naar de uitbuiting.

Hoe kan de uitbuiting nu stijgen?

a. Door bij dezelfde V (reproduktiekosten van arbeidskracht) een hogere M (winst) te realiseren. Hier geeft Marx als voorbeelden: verlenging van de arbeidsdag en opvoering van de arbeidsintensiteit. Een absolute verhoging van de meerwaarde, noemde hij dat.

b. Door een hogere M (winst) te realiseren als gevolg van een daling van V (reproduktiekosten van arbeidskracht). Dit laatste is mogelijk als het reproduktiekostenpakket (bestaande uit voeding, kleding, huisvesting, opvoeding - tegenwoordig ook mobiliteit, kommunikatie, scholing enzovoort) goedkoper wordt. En dit is mogelijk, als de produktiviteit in die sektoren (van bestaansmiddelen) zou stijgen. Relatieve verhoging van de meerwaarde noemde hij dat. Ook dat is weer met een tekeningetje duidelijk te maken.

verhoging meerwaarde Tenslotte, de relatieve verhoging van de meerwaarde kan, behalve door een stijging van de produktiviteit in de sektoren van de bestaansmiddelen, ook tot stand gebracht worden door de arbeiders onder hun waarde (dat wit zeggen lager dan hun reproduktiekosten) te betalen. Dat hangt samen met de kracht van de (georganiseerde) arbeidersbeweging.

En dan nu naar de eigentijdse uitbuiting. Er zijn hiervóór vier 'vormen' genoemd:

  • Verlenging van de arbeidsdag.
  • Verhoging van de arbeidsintensiteit.
  • Goedkoper worden van het reproduktie kostenpakket.
  • Betaling onder de 'waarde' van arbeidskracht.

Verlenging arbeidsdag

Hoe ziet de eigentijdse verlenging van de arbeidsdag er uit? Is er überhaupt sprake van verlenging, nu met dat gedoe rond een 36-urige werkweek? We moeten in verband hiermee een onderscheid maken tussen formele afspraak en realiteit. Als werknemers werk mee naar huis nemen, is dat een verlenging van de arbeidsdag. Als een werknemer geacht wordt niet precies op de klok te kijken, maar z'n werk af te maken, dus onbetaald over te werken, is dat een verlenging van de arbeidsdag. Zo ook, als werknemers thuis zitten te piekeren over hun werk en al piekerend naar oplossingen voor werkproblemen zoeken, hetgeen veelal in de vorm van stress aan de oppervlakte komt. Idem dito als een bedrijf verhuist naar een lokatie, dertig kilometer verwijderd van de vorige lokatie en de werknemers een half uur eerder van huis moeten en een half uur later thuis komen. De lezer(es) kan zelf nagaan of deze vorm van uitbuiting bekend voorkomt.

Verhoging arbeidsintensiteit

Hoe ziet de eigentijdse verhoging van de arbeidsintensiteit eruit? We moeten dan een beetje loskomen van de baas of chef die opjut, of van de tijdschrijver die elke handeling analyseert. Het geschiedt nu door middel van het prestatieloon. Het automatiseringsbedrijf Roccade loopt hier voorop (de Volkskrant, 13-09-1997). Maar let op, dit prestatieloon gaat algemener worden. Dat wijst de diskussie uit. "VNO-NCW: meer prestatieloon in plaats van CAO-loon", kopte Het Financieele Dagblad (27-08-1997).

Maar wat sterker in de richting van het prestatieloon duwt, is de opvatting van met name jongere leden van de mega-vakbond Bondgenoten. Bijna een derde van de leden van Bondgenoten ziet wat in het prestatieloon. Bij het bankpersoneel is dat ongeveer de helft (de Volkskrant, 19-08-1997). Welnu, prestatieloon is een moderne variant van het stukloon. Het zaait tweedracht in de vakbeweging: jong-oud. Het leidt bijna automaties tot het opschroeven van de norm. Het geeft subjektieve beoordelingen een groter gewicht bij de salariëring. Het leidt dientengevolge tot scheve gezichten op de werkvloer. En het totaaleffekt is ten gunste van de werkgever. Tenminste als we het Financieele Dagblad (27-08-1997) mogen geloven: "De sociale partners hebben een oplossing voor de vraag hoe. Loonmatiging kan worden voortgezet en werknemers toch kunnen meedelen in het economisch succes: prestatieloon."

Naast het prestatieloon leidt ook flexibiliteit tot verhoging van de intensiteit. Het geeft werkgevers de mogelijkheid, werknemers zodanig in te zetten, dat ze hun maximale prestatie leveren. Voor deeltijd geldt min of meer hetzelfde. In de oude achturige werkdag raakte de werknemer op den duur vermoeid, minder gekoncentreerd enzovoort. Met deeltijdarbeid verdwijnen deze minder produktieve periodes. Er moet enkel 'goed' ingeroosterd worden. En wat dat betekent leert het recente, dreigende konflikt bij het KBB-koncern (onder andere Hema). Tenslotte: 'multi-inzetbaarheid'. Ook dat leidt tot verhoging van de intensiteit.

Maak van al deze nieuwigheden: prestatieloon, flexibiliteit, deeltijd en multi-inzetbaarheid een mix, en kijk naar de intensiteit. Geen wonder dat 'te hoge werkdruk' één van de belangrijkste klachten van werknemers is.

Goedkoper pakket

Hoe ziet het eigentijdse goedkoper maken van het reproduktiekostenpakket (bestaansmiddelen) er uit? In waardetermen: door met dezelfde hoeveelheid arbeid meer produkten te doen maken, of dezelfde hoeveelheid produkten met minder arbeid te doen produceren. In beide gevallen gaan de arbeidskosten per eenheid produkt (bestaansmiddel) omlaag. Het reproduktiekostenpakket wordt goedkoper (tenminste als er voldoende konkurrentie is). En dat geschiedt op grote schaal door, via ontwikkeling van technologie, arbeid overbodig te maken. Met andere woorden: strukturele werkloosheid te veroorzaken, onder meer door afschrijving van oudere arbeidskracht (meer dan twee miljoen 'niet-aktieven' in ons land).

Betaling onder de waarde

Tenslotte de eigentijdse betaling onder de waarde van arbeidskracht. Deze wordt bepaald door de reproduktiekosten. Met dit 'betalen onder de waarde' zijn ondernemers voortdurend bezig. Het staat bekend onder het begrip 'loonstrijd'. Het neemt de gedaante aan van voortdurend knabbelen aan het looninkomen, de vakbeweging paaien met centrale akkoorden, pseudo-toezeggingen inzake de schepping van banen, met nieuwe ideeën voor de dag komen zoals nu 'demotie' of het verlaten van ideeën die niet meer funktioneel zijn, zoals Jan Modaal. Kortom zodanig te werken dat zelfs Het Financieele Dagblad (20-08-1997) tot de volgende konklusie moet komen: "De jubelverhalen over de Nederlandse economie ten spijt, zijn de reële lonen de afgelopen twintig jaar [waarin het bruto binnenlands produkt met 56 procent is gestegen, WB] nauwelijks vooruitgegaan. Het poldermodel wordt niet gekenmerkt door loonmatiging, maar door loonstagnatie." In twintig jaar een schamele 1,5 a 2,5 procent loonstijging.

Hoe zo het begrip 'uitbuiting' verouderd? Maar wellicht is de beste indikatie voor de gestegen uitbuitingsgraad het ongegeneerde graaien in de winstpot door bestuurders van bedrijven via opties. Ook de exorbitante stijging van de beurskoersen brengen de uitbuitingsgraad aan de oppervlakte. Om maar niet te spreken van de gekochte voorrechten als de beschikking over sky boxes in de amsterdamse Arena. Het zegt iets over de DM.

Ze duiden er allemaal op dat de teller in de verhouding aanzienlijk gestegen is. Enfin, om de gestegen uitbuitingsgraad bevestigd te zien, hoeven we slechts te kijken naar de 'arbeidsinkomensquote' die een histories laagtepunt kent (Macro Economische Verkenningen, 1998, pp. 18/19).

Wim Boerboom (medewerker Katholieke Universiteit Brabant)