nr. 79
juni 1997

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Andere kant Poldermodel (voor deelnemers Euromarsen en Top van Onderop; in verschillende talen)

Polder-kritiek

Sinds kort is Nederland niet alleen bekend door Mata Hari, en Cruijff, maar ook door het poldermodel ('the Dutch model'). Andere nationale symbolen zijn eveneens in trek: tulp- of deltamodel. Het wordt gezien als een sociaal-ekonomies voorbeeld voor de lidstaten van de Europese Unie (EU). Regeringsleiders kijken verlekkerd. Hun bewondering zegt veel, maar de feiten zeggen nog meer. Tijd voor polder-kritiek.

DE HUIDIGE NEDERLANDSE werkelijkheid is verbonden aan een lange geschiedenis van overlegekonomie. Met een vakbeweging die graag meedenkt en meepraat met de staat en ondernemers. Een vakbeweging die verantwoordelijkheid neemt voor de ekonomiese ontwikkeling, zonder daarbij over reële zeggenschap te beschikken. Een koöperatieve vakbeweging dus. In 1982 leidde dit tot wat eigenlijk het nederlands stabiliteitspakt is: een akkoord van werkgevers en vakbeweging onder leiding van de toenmalige regering. Winstherstel en loonmatiging stonden daarin centraal; een beetje verkorting van de arbeidstijd maakte de weg vrij voor flexibilisering.

Werkloosheid en sociale zekerheid

En nu de feiten van het poldermodel.

* Officieel ligt de werkloosheid onder de 7 procent. Maar bij het Centraal Bureau voor de Statistiek staat de teller op 17 procent (ruim 1,1 miljoen mensen), wanneer alle mensen meegeteld worden die niet of minder dan twaalf uur betaald werken en een baan willen voor twaalf uur of meer. Volgens de OESO-standaard komt Nederland zelfs op een werkloosheid van ruim boven de 20 procent (inklusief gedeeltelijk arbeidsongeschikten, vervroegd gepensioneerden enzovoort).

* In de jaren zeventig kende Nederland een redelijk stelsel van sociale zekerheid. Er werd zelfs gesproken van een verzorgingsstaat. Sindsdien is dat stelsel in vele ronden van bezuinigingen uitgehold. De markt krijgt daarbij steeds meer vrij spel (privatisering). 'Onze' minister van Financiën meldt met trots dat Nederland europees kampioen is bij de invoering van de marktwerking in de sociale zekerheid. Gemiddeld genomen is de koopkracht van werklozen en anderen die van een uitkering afhankelijk zijn, in de jaren tachtig met 10 tot 15 procent gedaald. In de jaren negentig is daar nog eens zo'n 5 tot 10 procent daling bij gekomen.

Flexibilisering

* De nederlandse beroepsbevolking bestond in 1983 uit vijf miljoen mensen, in 1992 waren dat er zes miljoen. Maar het totaal aantal arbeidsjaren is gelijk gebleven! De arbeid is dus herverdeeld, maar dan wel op een heel bepaalde manier: vooral door flexibilisering en de toename van parttime en tijdelijk werk. Meer dan 40 procent van de nieuwe werkgelegenheid, sinds 1987, is tijdelijk.

* Het aantal parttime banen in Nederland is het hoogste van Europa: in 1995 37,4 procent (waarvan driekwart vrouwen); EU-gemiddelde: 16,1 procent. Twee op de drie vrouwen werken parttime en worden dus ook parttime betaald. Vrouwen werken gemiddeld slechts 25 uur, EU-gemiddelde: 32,8 uur. Onderzoek toont aan dat de meeste vrouwen meer uren willen werken.

* Nederland is ook nog kampioen uitzendwerk. In 1996 bestond 3,5 procent van de totale werkgelegenheid uit uitzendwerk; en dat percentage blijft stijgen. Onderzoek wijst uit dat tweederde van de uitzendkrachten een vaste baan zoekt.

* Nog een topper. Ruim één op de tien mensen werkt op een flexibel of tijdelijk kontrakt. Bijna de helft van alle werkenden werkt soms 's avonds, 's nachts en in het weekeinde.

Het is niet voor niets dat verschillende ekonomen hebben gewaarschuwd dat bij een nieuwe recessie door deze feiten de werkloosheid zeer snel kan toenemen. Dan zal het poldermodel in een klap wel minder populair worden bij de europese regeringsleiders, centrale bankiers en de internationale pers.

Loonmatiging en winststijging

* De nederlandse regering stimuleert laagbetaald werk op alle mogelijke manieren: subsidies, kortingen op de loonkosten, afdwingen van lagere loonschalen in de Collectieve Arbeidsovereenkomsten en door zelf werk te scheppen voor een minimumloon. In het laatste geval gaat het vaak om werk dat eerder wegbezuinigd is. Daarnaast worden 'duurdere' werkenden verdrongen. Slechts 5 tot 10 procent stroomt door naar een reguliere baan. Op deze wijze worden grote groepen veroordeeld tot werk voor een minimumloon. In 1995 bedroeg dit nog slechts 51 procent van het gemiddelde loon, terwijl dat 65 procent was in' het begin van de jaren zeventig.

* Sinds het pakt van 1982 heerst in Nederland loonmatiging. Het belangrijkste resultaat daarvan is dat het winstaandeel in het nationaal inkomen sterk is toegenomen. Inmiddels zijn de winsten weer terug op het nivo van de jaren zeventig, het begin van de ekonomiese neergang. De 1.562 aan de beurs genoteerde bedrijven, met een balanstotaal van 25 miljoen gulden of meer, zagen hun nettowinsten (in percentage van het eigen vermogen) toenemen van 14,6 procent in 1994 tot 15,7 procent in 1995. Daarbij zijn de 'booming' banken en andere financiële instellingen niet meegerekend. Een deel van die winsten wordt geëxporteerd, jaarlijks worden vele miljarden ingezet voor overnames in vooral de EU. Schrijnend is dat bij de stijging van het aantal miljonairs tot 150.000 in 1995, minstens 800.000 mensen op of onder de armoedegrens even.

Munitie

Zo fraai is het poldermodel dus niet. De rijken worden rijker en de armen armer. De arbeidsmarkt wordt in gescheiden segmenten uit elkaar getrokken. Het stelsel van sociale zekerheid wordt steeds hardvochtiger. Wordt er uit nood tijdens een uitkering iets bijverdiend, volgen aftrek en boeten. Als werklozen niet solliciteren - naar veelal prékaire arbeid - worden ze bestraft. En dan te weten dat de klachten van de betaald werkenden over de hoge werkdruk de afgelopen twintig jaar zijn toegenomen van 33 naar 60 procent.

Tot slot nog een paar feiten:

* Per jaar int de nederlandse staat meer dan 5 miljard gulden aan inkomsten uit het aardgas. Andere landen missen dat.

* De jarenlange loonmatiging betekent dat een deel van de werkloosheid geëxporteerd is. Dat kunnen natuurlijk niet alle landen doen.

* Als alle europese landen de nederlandse loonmatiging zouden overnemen, dreigt voor de EU een zware recessie. Europese vakbondsbestuurders hebben hun nederlandse kollegaas dat al duidelijk gemaakt.

Als europese politici het poldermodel, ondanks al deze feiten, toch willen imiteren, is deze polder-kritiek goede munitie.

Werkgroep Euromarsen, Platform naar een Ander Europa