nr. 79
juni 1997

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Ekonomie anders bekeken - europese staat

De EMU en de zeventig ekonomen

De initiatiefnemers, Reuten, Vendrik en Went komt de eer toe zo'n zeventig ekonomen te hebben verzameld die in ons land de diskussie over de Economische en Monetaire Unie (EMU) openden. Ze deden dat in de Verklaring "Met deze EMU kiest Europa verkeerde weg" (de Volkskrant, 13-02-1997). Natuurlijk is er al eerder over gesproken, eigenlijk sinds het Verdrag van Maastricht (december 1991). Maar meningsverschillen bleven over het algemeen binnen de grens van: 'EMU akkoord'. Wat te voorspellen was, geschiedde. Van diverse kanten werden ze onder handen genomen. Van der Zaag in Het Financiële Dagblad (HFD, 15-02-1997). Van der Ploeg (de Volkskrant, 24-02-1997), die overigens na "persoonlijke consultatie van een aantal ondertekenaars" toch grotendeels op de lijn van de zeventig ging zitten (HFD, 27-02-1997). Zijlstra in de Balie in Amsterdam (de Volkskrant, 17-02-1997). Zonder me bij deze kritici aan te sluiten, wil ik enige kanttekeningen plaatsen.

DE VERDIENSTE VAN de Verklaring is dat die buiten de grens van 'EMU akkoord' treedt en de voortgang naar de EMU principieel ter diskussie stelt. De zeventig zien de EMU in hoofdzaak als een monetaristies projekt waarin "terugdringing van het overheidsfinancieringstekort [leidt] tot lagere inflatie en lagere inflatie automatisch tot meer groei en werkgelegenheid. Een terughoudend monetair beleid [zeg maar: afknijpen van de geldstroom] zou die lage inflatie tevens blijvend moeten ondersteunen." Eindelijk - mogen we wel zeggen - kwam er een fundamenteel krities geluid.

Examen

De kern van de EMU is de invoering van een nieuwe gemeenschappelijke munt: de Euro. Deze operatie moet in 2002 voltooid zijn. Start van de EMU is gepland op 1 januari 1999. Daaraan moet voorafgaan de vaststelling welke lidstaten 'dan al' mogen meedoen. Dit 'examen' zou volgens 'Maastricht' een jaar eerder moeten worden afgelegd, maar zal waarschijnlijk een paar maanden worden verschoven.

Hoezo examen? Waarom niet alle lidstaten zonder meer? Omdat er lidstaten met zwakke (italiaanse lire) en sterke muntsoorten (duitse D-mark) zijn. De sterkte van de munt is een samengevatte uitdrukking van de ekonomiese kracht van een volkshuishouding. En als al die muntsoorten worden omgezet in één Euro, dan trekken de zwakke munten de gemiddelde waarde van de Euro omlaag ten koste van de sterke. Bij extreme verschillen zullen de beheerders van de sterke muntsoorten zeggen: 'je kunt me nog meer vertellen, we hebben best wat voor die Euro over, maar er zijn grenzen.' Daarom die toetsing op 1 januari 1998.

Boete

Vooral op instigatie van Duitsland is op de Eurotop in Dublin (december 1996) een 'stabiliteitspakt' vastgesteld voor de periode na de start van de EMU. Dit is gedaan om 'slimme' politici in 'slimme' landen voor te zijn die helemaal naar het moment van examen toewerken (bijvoorbeeld snel een paar overheidsbedrijven verkopen), zonder zich om de tijd daarna te bekommeren. De kern van dit pakt is dat een land waarvan het financieringstekort na het begin van de EMU weer boven de 3 procent gaat stijgen, automaties een boete krijgt zonder dat daarover te redetwisten valt. Zo'n stijging kan zich al voordoen als het bruto binnenlands produkt (bbp) daalt, terwijl de overheidsuitgaven hetzelfde blijven. Toch een boete aan de broek, tenzij de daling van het bbp groter dan 0,75 procent is. Dan mag er over geredetwist worden door de politici en moet het betreffende land aantonen dat het met uitzonderlijke toestanden te maken heeft (zoals een zeer zware recessie). Anders toch weer een boete. Tenslotte is nog, als een blokkade tegen politiek geharrewar - en daarmee had Frankrijk het moeilijk - de onafhankelijkheid geproklameerd van de nieuwe Europese Centrale Bank (ECB), het europese evenbeeld van De Nederlandsche Bank. De gedoodverfde president van de ECB, Duisenberg, heeft de steun van Duitsland, omdat hij als president van de Nederlandse Centrale Bank die onafhankelijkheid kent en zal verdedigen.

Europese Staat

Terecht hebben de zeventig ekonomen in hun kritiek verwerkt dat Maastricht ons niet verder heeft gebracht op het gebied van demokratie, werkgelegenheid, inkomensverdeling, milieu en bestrijding van de armoede. Maar - en hier beginnen mijn kanttekeningen - deze gebreken ten spijt, de EMU is niet meer terug te draaien. De besluitvorming is al in een te ver stadium. In die zin had Zijlstra in de Balie gelijk. Ik denk dat zo ook de volgorde moet zijn. De gebreken, die de zeventig signaleren, zullen op europees nivo moeten worden aangepakt door de politieke dimensie, door een europese overheid, beter gezegd: een europese Staat. Echter, totstandkoming hiervan veronderstelt een relatief ontwikkelde ekonomiese onderbouw, waarvan de monetaire sluier een wezenlijk onderdeel is.

Men hoeft geen fanatiek volgeling van Marx te zijn om toch de redelijkheid van zijn materialistiese geschiedsopvatting op haar waarde te schatten. En met inachtneming van een relatieve autonomie van de politieke dimensie, is deze, volgens die opvatting, toch een afgeleide van de ekonomiese onderbouw. Kennelijk had het vorige nederlandse voorzitterschap in 1991 dit marxistiese lesje goed geleerd. Want in de voorbereiding voor Maastricht lanceerde het niet enkel een EMU, maar ook maar alvast een EPU, een Europese Politieke Unie. Als die EPU in Maastricht eveneens tot stand was gekomen, dan had de gemeenschap de institutionele struktuur gekregen om de punten die de zeventig nu in het Verdrag van Maastricht missen, ter hand te nemen. Maar met de lancering van de EPU ging het nederlandse voorzitterschap eind 1991 smadelijk op zijn bek. Tien van de twaalf (nu vijftien) landen veegden de nederlandse EPU-plannen van tafel (alleen België volgde 'ons'). En toen bleef slechts de EMU over. Dat is de situatie tot op heden.

Marx zou, lijkt mij, zeggen: 'niets kapot', die EMU behoort tot de ekonomiese onderbouw, welke eerst kennelijk kompleter moet zijn, alvorens de EPU aan de orde komt. Maar aan de orde komen, zal-ie. De wetten van de politieke ekonomie voltrekken zich immers achter de ruggen van de mensen om. Als Marx nu geleefd had, zou hij er ongetwijfeld op gewezen hebben dat de akkumulatie, koncentratie en centralisatie van "das Kapital" zich onder andere in geografiese expansie manifesteert. Geschiedde dat in het verleden op regionaal en later op nationaal nivo, nu geschiedt zulks op internationaal (globaal) nivo. Op dit moment zijn we er getuige van dat grote delen van de wereld (China, Rusland, Oost-Europa, delen van Azië) onder de logika van "das Kapital" worden gebracht. Globalisatie van "das Kapital". Deze ontwikkeling vraagt om een herstrukturering op internationaal nivo van de politieke dimensie, in casu de Staat. En dus zal een EPU er komen.

Het zou interessant geweest zijn wat Marx gezegd had over de wederzijdse afstemming van EMU en EPU, als hij in deze tijd geleefd had en de komplexe verhoudingen wat gedetailleerder had kunnen analyseren.

Geldteken

Het is van belang een onderscheid te maken tussen geld en geldteken. Geld is (ik spreek weer in de geest van Marx) in principe een 'waar'. In een histories proces is uit de totale berg geproduceerde koopwaar er één geselekteerd die geschikt was voor de funkties van ruilmiddel, betaalmiddel, middel tot schatvorming, waarde-eenheid en dergelijke, kortom de funkties van geld te vervullen. Het werd goud. Zolang de intrinsieke waarde van de (gouden) munten klopten met de opdruk, was er met de waardeband tussen het geld en de overige koopwaar puur ekonomies gezien niets mis. De lakmoesproef in deze was het zonder waardeverlies omzetten van goud in munten dan wel munten omsmelten tot goud, hetgeen het geval was bij de zogenaamde standaardmunt. Er was echter wel wat mis, toen dit 'natuurlijk' geld vervangen werd door geldtekens, representanten van het echte geld. Dat wil zeggen munten of papieren vodjes, waarvan de opdruk niet meer overeenkwam met de intrinsieke waarde. Toen één pound (of de franse 'livre') niet meer één pond (indertijd zilver) waard was. Dan is er binnen een territoir een autoriteit nodig, normaliter de Staat, die de inwisselbaarheid van die op zichzelf waardeloze geldtekens garandeert. En zie hier het strijdige tussen EMU en EPU.

De toekomstige Euro is een geldteken. Om goed te funktioneren, veronderstelt deze het bestaan van een europese Staat. Hiervan is pas sprake als er een europese institutie bestaat die de (staats)funkties kan vervullen ter garantie van: de rechtsvorm (privaateigendom), de veiligheid, zowel binnen als buiten de grenzen (leger, politie, justitiële apparaat), de produktievoorwaarden (infrastruktuur, gezondheidszorg en dergelijke), de reproduktie in brede zin van arbeidskracht (arbeidsmarktbeleid, inkomensverdeling, konfliktbeheersing; onderwijs/scholing), de akkumulatie van kapitaal (bevordering duurzame groei, regulering konkurrentie) en zo ook ... de garantie van de waarde van het geld (wet toezicht kredietwezen, bankwet en dergelijke).

Die europese institutie bestaat nog niet en zal er gezien de meningsverschillen ook nog niet zijn als de EMU van kracht wordt. De kip moet er zijn voor het ei, maar het ei ook voor de kip.

Politiek projekt

Om het komplexe probleem nog eens samen te vatten. De Euro is geen 'natuurlijk' geld, maar een geldteken. Was het een 'natuurlijke munt', dan zou deze onderworpen zijn aan de ekonomiese wetmatigheden die volgens Marx zich voltrekken achter de ruggen van de mensen om. Geldtekens in omloop brengen, is een vorm van politiek bedrijven. De EMU is dan ook, zoals Kool, Muysken en Soete beweren een politiek projekt (HFD, 6-03-1997). Maar de institutie die de autoriteit bezit om politiek te bedrijven, bestaat nog niet. Een vicieuze cirkel dus. Het ontbreken van een europese Staat wordt nu maar op een surrogaat manier opgevangen door het examen, het stabiliteitspakt en een 'onafhankelijke' Centrale Bank en Duisenberg als de bewaker daarvan. En met zo'n surrogaat de Euro invoeren is gevaarlijk, want ze kan een speelbal worden van allerlei nationale manipulaties. Wat de zeventig ekonomen met de opsomming van de ontbrekende punten in feite aan de kaak stellen, is volgens mij het ontbreken van een europese Staat. Want slechts deze is in staat hun kritiek weg te nemen. Maar, als gezegd, deze zal er komen. Het moge nu een vicieuze cirkel zijn.

Het kan achteraf een paardemiddel blijken, met allerlei ekonomiese en maatschappelijke beroering als gevolg. Maar toch, ... toch zou de invoering van de Euro wel eens het begin kunnen zijn van de totstandkoming van een europese Staat, omdat pas dan de echte noodzaak blijkt.

In dit verband is het interessant de invoering van de D-mark in de toenmalige amerikaanse, engelse en franse bezettingszônes in Duitsland nog eens te bestuderen. De daarop volgende maatschappelijke beroering bestond toen uit de blokkade van Berlijn, de luchtbrug en het ontstaan van de DDR. Maar ook uit het ontstaan van de west-duitse Bundesrepublik die later onder Ludwig Erhard zelfs het 'Wirtschaftswunder' beleefde. Wat een ekwivalente maatschappelijke beroering nu zou kunnen zijn, is moeilijk te voorzien. En dus is er nog geen europees beleid te voeren.

Europees vangnet

Wat ik me wel kan voorstellen is dat door de onzekerheden over de gevolgen van de invoering van de Euro in Amsterdam in ieder geval een plechtige principeverklaring afgedwongen wordt. Met daarin de vaststelling dat, hoe dan ook, de nadelige effekten op de sterkste schouders worden afgewenteld.

Vakbeweging en politieke partijen die zeggen op te komen voor de zwakkere schouders, zouden zich door het stellen van eisen, op het gebied door de zeventig ekonomen aangegeven, moeten indekken tegen de gevolgen. Hangende de besluitvorming over de besluitvorming (met meerderheid of unaniem) in de Europese Unie moeten de nationale overheden dit nog maar voor hun rekening nemen. Dit betreft onder andere de samenwerking van politie en justitie, gemeenschappelijke buitenlandse politiek, fiskale harmonisatie, defensie (onder andere positie ten opzichte van de NAVO), de samenhang tussen de lidstaten (federatie of bond van - in principe - onafhankelijke staten). Kortom, hangende de totstandkoming van een europese Staat zou er een europees vangnet moeten komen voor de zwakkere schouders. Dit zou vooralsnog door de nationale overheden moeten worden vertaald in de vormen van beleid die de zeventig ekonomen tevergeefs zoeken in het Verdrag van Maastricht.

Wim Boerboom (medewerker Katholieke Universiteit Brabant)