|
nr. 75 okt 1996 |
Solidariteit
StekeltjesSprookjes"... en ik ben van mening dat de sprookjes van Hans Christian Andersen heruitgegeven dienen te worden", zei de haringverkoper op het haagse Spui. Ik bleek net in een belangwekkende diskussie verzeild geraakt te zijn. Dat merkte ik toen de klant voor me - die blijkbaar dat vreemde antwoord van de haringman had uitgelokt - opnieuw het woord nam en met stemverheffing verkondigde dat in Amsterdam "U weet wel, meneer de haringman, de HOOFDSTAD van ons KONINGINNERIJK, buitengewone belangstelling bestaat voor de bijbel. Bui-ten-gewone belangstelling, meneer de haringman, gods woord schijnt in Amsterdam een best-sel-ler te zijn". Ik zag dat en vroeg "Kan u hem voor mij snijden, asjeblieft?". "Sodom en Gomorro", hoorde ik haagse Arie-Haring mompelen, en er tussen door tot mij "in vier of vijf stukken, wijffie?". "Als het een grote is in zes, als het een kleine is in vijf", antwoordde ik zo neutraal mogelijk. "Moet het op een bordje of is een kartonnetje genoeg...?", vroeg de haagse klant hatelijk. Het werd me te veel, al die stukkies haring, en die uitjes, en die plakkies zuur. Maar de hagenese klant versperde me de weg en vroeg "Hoe oud bent u nou eigenlijk?". Hij wachtte m'n antwoord - gelukkig - niet af en begon een uitgebreid referaat. "Het kenmerk van de vrouw is dat ze altijd liegt over leeftijd. Als ze meissies zijn, doen ze er een paar jaartjes bovenop; als ze eenmaal de leeftijd hebben, liegen ze staalhard dat ze tien jaar jonger zijn, en als ze twaalfvoudig oma zijn, gooien ze er desnoods twintig jaar bovenop. Je kan er geen staat op maken. Ik ken er eentje die de begrafenis van Wilhelmina nog heeft meegemaakt. Ik schat haar op tachtig, maar ze houdt vol dat ze al honderdtwaalf is. Kijk, daaraan kan je zien dat de vrouw op zich leiding nodig heeft, de heerlijkheid des mans dus. Corinthiërs. En daar komen die amsterdammers nou mooi achter." In de trein zat ik in een coupé met twee kinderen die met hun oma op reis waren. Ze ouwehoerden aan één stuk door. Dat ze uit Rotterdam kwamen en naar Den Helder gingen. Op een gegeven moment hoor ik het meisje van hooguit zes over haar broertje, die ik op drie schatte, zeggen "Me broertje wil straalpiloot worden en ik gaat naar de marine ...". Ik werd een beetje misselijk. Die haring zit niet lekker, dacht ik nog. Op het stationsplein van m'n eigen Amsterdam werd ik opgewacht door een lid van de groeisektor. En daarbij viel me ook weer op hoe divers de geledingen in onze zorgmaatschappij in hun uitingen zijn. Want een nederlandse boerelul die dakloos is, pakt brutaal je hand als er een tas aan vast zit, en kommandeert "Geef me een gulden!". Stekeltje 1) Haags voor de verleden tijd van het werkwoord vegen.
|