nr. 75
okt 1996

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

'Gouden' banden (sociaal-demokratiese) partij en vakorganisatie

De jungle-ekonomie is geen partij

We stellen enkele personen aan u voor die in het verleden aktief waren in zowel de vakbeweging als de politiek. Jan ter Laan (1872-1956), Toon Loerakker (1873-1950) en Cees Smeenk (1880-1964). Een drietal uit duizenden.

Ter Laan is voorzitter geweest van de Vereeniging van Kommiezen bij 's Rijks belastingen en na de fusie van zijn bond in 1917 met twee andere bonden van overheidspersoneel werd hij tweede voorzitter van de Centrale Nederlandse Ambtenaarsbond. Tussen 1913 en 1940 kombineerde hij een drukke baan als vakbondsbestuurder met drie niet onbelangrijke funkties in de SDAP: lidmaatschap van de gemeenteraad van Rotterdam, Provinciale Staten van Zuid-Holland en Tweede Kamer. Een groot deel van die kwart eeuw was hij bovendien fraktievoorzitter van de sociaal-demokraten in de gemeenteraad en Provinciale Staten.

Loerakker was tussen de beide wereldoorlogen voorzitter van de Nederlandse Roomskatholieke Landarbeidersbond Sint Deusdedit en zat lange tijd voor De Rooms-Katholieke Staats Partij (RKSP) in de gemeenteraad van Haarlem en de Tweede Kamer.

Smeenk: CNV-bestuurder, voorzitter Patrimonium, lid gemeenteraad/wethouder in Arnhem en van de Provinciale Staten in Gelderland en de Tweede Kamer.

Zuilen

We kennen de vakbonds- en politieke achtergronden van prominenten zoals Henri Polak, Jan van de Tempel, A.C. de Bruijn tot aan Wim Kok toe. Polak, één van de oprichters van de SDAP en lange tijd voorzitter van de partij, was tevens de oprichter van het NVV en enkele jaren voorzitter van het vakverbond. Kok heeft die traditie voortgezet. Hij was de laatste voorzitter van het NVV, bijna tien jaar lang voorzitter van de FNV en is nu eerste man van de Partij van de Arbeid. Zij zijn de meest vooraanstaanden uit de velen die aktief waren in zowel vakvereniging als partij. Hun kombinatie van funkties is om praktiese en principiële redenen niet meer gewenst en mogelijk, in ieder geval niet op nationaal nivo. In het verzuilde Nederland zette je als vanzelfsprekend je talenten ter wille van het heil van je achterban op allerlei terreinen van het maatschappelijk leven in. De banden tussen vakorganisatie, partij en andere organisaties in de zuil leken in Nederland van goud gesmeed. De hechtheid was ideologies, persoonlijk, organisatories en maatschappelijk verankerd.

De tijd echter dat de voorzitter van een vakbond of vakcentrale, qualitate qua, voor zijn Partij in de Tweede of Eerste Kamer zat, is voorbij.

Taken vakorganisatie

De vakorganisaties houden zich bezig met de individuele dienstverlening voor de leden, de kollektieve belangenbehartiging voor alle werkne(e)m(st)ers en uitkeringsgerechtigden en met maatschappijhervormende zaken ten behoeve van alle burgers in de samenleving. De kerntaken van de vakbeweging liggen op het terrein van arbeid(svoorwaarden) en inkomen. Wil een vakorganisatie resultaten behalen, dan kan dat niet anders dan dat zij haar werkterrein uitstrekt tot de politiek. Het debat hierover is in het begin van deze eeuw tussen anarchisten/syndikalisten aan de ene kant en de vertegenwoordigers van de moderne vakbeweging aan de andere kant beslecht. Al meer dan zeventig jaar geleden is de verhouding vakbeweging-politieke partij precies onder woorden gebracht: "Doeltreffende vakverenigingspolitiek is ondenkbaar zonder bepaalde invloed op de partijpolitiek bij alle vraagstukken waarbij de vakbeweging is geïnteresseerd. Aangezien de politieke partij het werk van de vakbonden met andere middelen kan voortzetten en langs wettige weg tot een goed einde brengen, leidt de weg van de vakbonden via de politieke partij ook in de sfeer der politiek, zonder dat overigens de grenzen tussen politieke partij en vakbeweging verdoezeld of beider onafhankelijkheid in gevaar behoeft te worden gebracht." 1)

Om invloed te krijgen in de politieke sfeer was het in de allereerste plaats van belang dat de strijd om het algemeen kiesrecht werd verhevigd. Om die reden besloten SDAP en NVV in 1908 zich daarvoor samen in te zetten. Met de invoering daarvan na de Eerste Wereldoorlog is de politieke demokratie een feit geworden en zijn de arbeid(st)ers formeel volwaardige, gelijkgerechtigde staatsburgers geworden. De SDAP kon zich vanaf dat moment breder gesteund in het parlement inzetten voor het bereiken van goede arbeidswetten en sociale wetgeving. Aktiviteiten van SDAP en NVV - maar evenzeer tussen het Rooms-Katholiek Werk Verbond (RKWV) en de RKSP - werden gekoördineerd en organisatories vorm gegeven. Het bekendste produkt van de samenwerking tussen SDAP en NVV is het Plan van de Arbeid uit 1935 ter bestrijding van de werkloosheid en voor ordening van de ekonomie.

Dubbelfunkties

Met de samenwerking tussen partij en vakorganisatie werd de onafhankelijkheid echter wel op de proef gesteld. De vakbondsmensen hadden hoge verwachtingen van hun partijgenoten in de politiek. Ze werden daarin nog wel eens teleurgesteld. Daarvan zijn vele voorbeelden bekend. We noemen er één. In de archieven van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam is de korrespondentie opgenomen van een uit de hand gelopen konflikt tussen vakbondsbestuurder J.J. Staal van de Nederlandse Bond van Personeel in Overheidsdienst (NBPO) en een SDAP-gemeenteraadslid uit Apeldoorn. De affaire speelt in het midden van de jaren twintig. Staal was bij het overleg over de salariëring van gemeentepersoneel zo kwaad geworden over de opstelling van deze partijgenoot, dat hij de man verweet geen socialist meer te zijn. Deze persoon was daar zo verbolgen over dat hij weigerde nog verder met Staal te overleggen, totdat deze zijn diskwalificerende uitlating zou herroepen. Staal weigerde dat. Niet alleen het bondsbestuur van het NBPO, maar zelfs het hoofdbestuur van de SDAP, werd op een gegeven moment bij een slepende briefwisseling betrokken die groteske vormen aannam. Na de invoering van het algemeen kiesrecht, enkele jaren daarvoor, was het aantal SDAP-gemeenteraadsleden en wethouders aanzienlijk toegenomen. De hier geschetste, wat anekdotiese, kwestie illustreert dat de verhouding vakorganisatiepartij gespannen kon worden nu het aktieprincipe en de bestuurlijke verantwoordelijkheid van SDAP-leden met elkaar in botsing kwamen.

Wat veel vaker voorkwam - vooral na de Tweede Wereldoorlog - was dat dubbelfunkties (Tweede Kamerlid èn vakbondsvoorzitter) leidden tot rolkonflikten. Dat kwam er meestal op neer dat de voorzitter van een vakorganisatie een besluit, waarmee hij had ingestemd in de fraktie van zijn partij in de Tweede Kamer, moest verdedigen tegenover zijn kollegaas in het bestuur van zijn bond. Dat leidde tot gespannen verhoudingen en zette de interne vakbondsdemokratie onder druk.

Staking amsterdams gemeentepersoneel

Midden jaren vijftig waren vakbeweging en partij zodanig naar elkaar toegegroeid dat daardoor in diverse situaties arbeidersbelangen werden geschaad. Het meest dramatiese voorbeeld hiervan is het verloop van de staking van het gemeentepersoneel van Amsterdam in het voorjaar van 1955 en de afrekening met de leidende figuren van dit massale arbeidskonflikt. We zullen niet op alle details van deze al veel beschreven staking ingaan. Wel was het duidelijk dat de vertegenwoordigers van de zogenaamde erkende vakorganisaties zich zodanig verbonden hadden aan de rooms-rode koalitie en de geleide loonpolitiek dat hun eigen primaire taakstelling uit het zicht verdween en zij het ontslag van 62 gemeente-ambtenaren toejuichten. Anti-kommunisme en een koude oorlogssfeer scherpten deze gebeurtenis nog aan. De ontslagen stakingsleiders waren voor het merendeel mensen die een vooraanstaande rol in het verzet in de Tweede Wereldoorlog hadden gespeeld. Vlak voor tien jaar bevrijding werden ze op straat gezet.

Een jaar na de staking bracht de kommissie-Van den Born een uitvoerig rapport uit over de achtergronden en het verloop van de staking. H.J. van den Born was Tweede Kamerlid voor de PvdA en voorheen voorzitter van de Metaalbewerkersbond. In de kommissie zaten verder leden die op verschillende manieren bij de staking betrokken waren geweest, zoals: S. Bonn, voorzitter van de afdeling Amsterdam van de Abva, B. Ram, wethouder van Arbeidszaken en J.M. den Uyl, fraktievoorzitter van de PvdA in Amsterdam. Het rapport werd op 30 oktober 1956 besproken door vertegenwoordigers van het Verbondsbestuur van het NVV, het Partijbestuur van de PvdA, de bezoldigde bestuurders van de afdeling Amsterdam van de Abva en een delegatie van het hoofdbestuur van de Abva. Het interessantst aan het rapport is de bijlage die handelt over de geleide loonpolitiek. De staking had zo'n impakt binnen de sociaal-demokratie - Partij èn vakbeweging - dat men gedwongen werd zich te bezinnen op de betekenis van de zo door haar voorgestane en afgedwongen geleide loonpolitiek. In de jaren na de staking nam men in de Abva de verhouding leiding-leden en de interne demokratie onder de loupe. Abva-voorzitter A. van Rossen behoorde tot een minderheid in de staatskommissie van advies inzake de status van ambtenaren uit 1958 die voor een afschaffing van het strafrechtelijk stakingsverbod voor ambtenaren en spoorwegpersoneel was.

Zelfstandig optreden

Vanaf midden jaren zestig zijn vakorganisatie en partij een zelfstandiger koers gaan varen, In perioden van snelle en ingrijpende maatschappelijke, kulturele en technologiese veranderingen worden de breuklijnen tussen partij en vakbeweging groter. Het lijkt erop dat we nu midden in zo'n overgangsperiode van een overleg-ekonomie met gereguleerde arbeidsverhoudingen naar een vrije, noem het jungle-ekonomie zitten. De verzorgingsstaat wordt afgebroken, bezuinigingen volgen elkaar op, het marktdenken is troef. De gevolgen daarvan worden gedragen, de lasten daarvan worden opgebracht door de brede vakbondsachterban. Ineens worden we overstelpt met verhalen over de politiek die voor bredere belangen staat dan de vakorganisatie (alsof dat altijd al niet zo is geweest), over de politikus die andere verantwoordelijkheden heeft dan de vakbondsbestuurder (dat was ook al bekend). Politici nemen besluiten die de achterban niet kan rijmen met de vroegere rol en 'commitments' als vakbondsbestuurder. Op het persoonlijke vlak manifesteert zich dat af en toe op dramatiese wijze als een ex-vakbondsbestuurder in de Tweede Kamer of in een bestuurlijke funktie zijn/haar verleden naar de beleving van de achterban (en soms ook zichtbaar voor zichzelf) verloochent. De nieuwe neo-liberale koers, de fraktiediscipline en het behoud van de koalitie eisen een grote tol. Vooral van werknemers en uitkeringsgerechtigden. De vakorganisaties in Nederland oriënteren zich niet meer exklusief op één politieke partij. Ze proberen de standpunten van alle politieke partijen te beïnvloeden. Wanneer bij de politiek in het algemeen het belang van gewone mensen uit het zicht verdwijnt, is het onontkoombaar dat de politieke krachten in de brede vakbeweging zich gaan versterken.

Harry Peer
1)Lothar Erdman in "Die Arbeit" van 1925, geciteerd in C.J. Lammers, De vakbeweging en haar problemen. Amsterdam 1950.

Fotoos uit: Biografisch Woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland. IISG, deel 2 (1987), deel 4 (1990).

Foto bij De jungle-ekonomie is geen partij nr.75Jan ter Laan (41 kb)

Foto bij De jungle-ekonomie is geen partij nr.75Toon Loerakker (43 kb)

Foto bij De jungle-ekonomie is geen partij nr.75Cees Smeenk (49 kb)