nr. 72
mar 1996

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Fokker - industriebeleid en staat

Zeer op afstand

Ik weet niet hoe het u vergaan is, maar ik vond Andriessen en Wijers in de zaak Fokker zo weinig ministeriabel. Een minister is een stukje overheid. Hij personifieert de nationale autoriteit, hij vertegenwoordigt de publieke zaak, is een deelbestuurder van een heel volk. Voor het christelijke deel van ons volk zal het begrip 'overheid' verwijzen naar een door God gesanktioneerde autoriteit die boven ons is gesteld: over-heid. Voor de gewone heidenen is het begrip 'Staat' meer gebruikelijk. Staat verwijst eerder naar autoriteit die ontleend is aan het volk. Maar in beide benaderingen gaat het toch om iets anders dan private, natuurlijke of rechtspersonen in wier vaandel geld verdienen staat geschreven.

TEGEN DEZE ACHTERGROND vond ik de positie van Andriessen en Wijers in de verkoop respektievelijk het terugnemen van Fokker leerzaam. Het maakte duidelijk dat een Staat van het nederlandse formaat op z'n gunstigst nog op gelijk nivo kan meepraten met het grote internationale ondernemerdom.

Niks autoriteit

De nederlandse Staat: voor 1995 een begroting van ongeveer 198 miljard gulden en een inkomstenbron van ongeveer 180 miljard (ruim 18 miljard financieringstekort), op te hoesten door zijn burgers. De andere partij Daimler-Benz: ten tijde van de verkoop van Fokker zo'n 100 miljard omzet en een kleine 380.000 werknemers. Met takken in de auto-industrie (Mercedes Benz), lucht- en ruimtevaart (Dasa), elektronika en elektrotechniek (AEG) en financiële en verzekeringsdienstverlening (Debis).

Wat opviel, was de gelijke positie in het verkoopgepoker van Andriessen, de toenmalige Fokkerbaas Nederkoorn en

Dasa-baas Schrempp. Niks autoriteit van een minister van de Staat der Nederlanden. Een onderhandelaar van gelijk nivo. Dit weerspiegelt ook de feitelijke verhoudingen. In de jaren zeventig leefden we nog met de illusie dat de nederlandse Staat een autonome politiek kon voeren. In 1976 werd de toenmalige premier Den Uyl er in de befaamde brief van de negen nederlandse 'captains of industry' op gewezen dat die tijd voorbij was. De Staat mag binnen zijn territoir regels formuleren waarvan hij nakoming zowel door natuurlijke als rechtspersonen kan afdwingen, maar in het ekonomiese moet deze regel- dan wel wetgeving positief inhaken op de logika die het kapitalistiese bedrijfsleven beheerst.

Zo mag de Staat de verhouding 'kapitaalkapitaal' reguleren in bijvoorbeeld mededingingswetgeving. Hij mag de verhouding 'kapitaal-loonarbeid' reguleren door sociaalekonomiese wetgeving. En aldus sociale spanningen voorkomen en een arbeidsvrede bestendigen. Hij mag door regelgeving de hele omgeving van het kapitalistiese bedrijfsleven zo inrichten dat het daarin kan gedijen. En dat alles naar de eisen van het tijdsgewricht. Dit had Den Uyl onvoldoende in acht genomen, weshalve die grote ondernemers dreigden het ongure nederlandse investeringsklimaat te ontvluchten.

Ziek kindje

Voor super-Staten als de amerikaanse is het nog mogelijk de autoriteitsrol te spelen. Clinton 'nodigde' onlangs de grootste tv-magnaten nog 'op het matje' om hen te laten weten dat het afgelopen moest zijn met de overkill aan sex en geweld op de televisie. Maar deze praktijk behoort voor de nederlandse Staat tot het verleden. Vandaar die positie van Andriessen. Een Staat van het kaliber als de nederlandse kan de grote, in internationaal verband opererende, ondernemingen alleen nog verleiden. Verleiden om te komen en te blijven. En dat deed Andriessen. De prijs voor Fokker was 600 miljoen gulden. Door dit bedrag op tafel te leggen, verwierf Dasa een belang van 78 procent in een holding die weer 51 procent van de Fokker-aandelen bezat. Een prikkie, te meer daar de Staat de ontvangen 600 miljoen weer terugploegde in het bedrijf en nog eens aanvullende garanties ten bedrage van 180 miljoen gulden gaf (Het Financieele Dagblad, 24-02-1996). De Staat, vertegenwoordigd door Andriessen, poogde zo Dasa te verleiden zich als pleeggezin over het zieke kindje te ontfermen. En wel zo dat het binnen de grote Daimler-Benz familie weer kon aansterken en opfleuren. Die verleiding leek geslaagd.

Dasa-baas Schrempp aanvaardde Fokker als zijn 'love-baby'. Alleen, de ziekte waaraan het kindje eed, maakte de kosten van genezing zo hoog dat het pleeggezin en de grote familie er de handen toch maar vanaf trokken. Oh ja, Dasa was bereid het pleegkind verder te koesteren, maar dan moest de nederlandse Staat 1,3 miljard aan vers geld in het bedrijf pompen, 800 miljoen aan in het verleden verstrekte ontwikkelingskredieten kwijtschelden en gedurende zesjaar 100 a 150 miljoen gulden per jaar aan ontwikkelingskosten voor zijn rekening nemen.

Dat is de drie miljard die Kok en Wijers te veel vonden. Omdat deze eis van de familie Daimler-Benz onwrikbaar hard bleek, zat er voor de Staat der Nederlanden niets anders op dan het kindje terug te nemen en nieuwe pleegouders te verleiden. De tegenwoordige minister van Economische Zaken, Wijers, heeft getracht iets van de ministeriële waardigheid overeind te houden door een onderhandelaar, oud-president van Unilever, Maljers, het eigenlijke werk te laten doen en zelf achter de koulissen te blijven tot het moment suprème van de laatste en definitieve besluiten in een gesprek met (inmiddels) Dasa-baas Bisschoff en (inmiddels) Daimler Benz-baas Schrempp. En als we de lezing van de Duitsers mogen geloven heeft deze aanpak nog tot misverstanden geleid die de uitslag van het gesprek negatief beïnvloed hebben.

WRR

Het hele spel rond Fokker laat volgens mij zien dat een Staat als de nederlandse niet meer opgewassen is tegen grote multinationals voor wie het werkterrein de hele globe is en het nederlandse territoir slechts één van de opties. Als 'global player' kunnen ze altijd weer andere opties uitproberen. Dasa kan bijvoorbeeld verder gaan met Airbus, waarin ze al een belang van bijna 40 procent heeft.

Resteert de vraag of zo'n Staat machteloos is geworden. Tegenover het (om het maar eens in dat jargon te zeggen) internationale groot-kapitaal: ja, althans relatief machteloos. Maar op een ander terrein liggen nog best mogelijkheden. Alleen heeft de nederlandse overheid veel kostbare tijd verloren laten gaan.

In een rapport uit 1980, Plaats en toekomst van de Nederlandse industrie, heeft de Wetenschappelijke Raad voor bet Regeringsbeleid (WRR) aanbevelingen gedaan die in de ronkende retoriek van de neo-liberalistiese ideologie van de jaren tachtig ondergedompeld zijn en niet meer boven zijn komen drijven (zie Solidariteit nummer 53, december 1992).

De WRR maakte een onderscheid tussen een specifiek en een generiek beleid en daarbij een voorkeur laten blijken voor een specifiek beleid. In de toenmalige waan van de dag, de periode Van Agt, werd voor de uitwerking van een generiek beleid gekozen. Dit werd toevertrouwd aan de kommissies Wagner I en II die bezuinigingen, loonmatiging, terugdringing van het financieringstekort en dergelijke als oplossing aanbevolen. De specifieke benadering was gericht op gebruikmaking van hoogwaardige kennis. Het leidde tot konkrete voorstellen inzake industrieklusters rond een aantal universiteiten.

Kennisinstituten

Het is niet van de grond gekomen. De specifieke benadering zou meer rechtstreekse bemoeienis van de Staat hebben meegebracht en dat was toen, in de dagen van Reagan en Thatcher, nog een ideologies taboe voor het neo-liberalisme. Inmiddels lijkt Economische Zaken wat meer in de richting van een specifiek beleid te sturen, 'in de richting van'. Wijers presenteerde eind vorige maand een soort 'gouden gids' voor het bedrijfsleven die het onderzoek dat in Nederland geschiedt, in kaart brengt: Technologische kennisinfrastructuur in Nederland. In een verslag van de presentatie van dit rapport schrijven Ackermans en 't Hart: "Zo moeten er kennisinstituten opgericht worden, clusters van scholen en instituten die gaan 'Excelleren'." (de Volkskrant, 24-02-1996) Alleen schijnt nu alles weer buiten de universiteiten om geregeld te worden. Topinstituten onder regie van het bedrijfsleven, dat is dan toch weer anders, zal ook andere effekten hebben dan de plannen van de WRR uit 1980. Dat voorzag juist in gebruikmaking van de 'wiz kids' van universiteiten à la Silicon Valley.

De geschiedenis van Silicon Valley maakt duidelijk dat het in een nieuw technologies tijdvak mogelijk is klein te beginnen. Je hoeft niet per sé aansluiting te zoeken bij het grote bedrijfsleven. Landen als Frankrijk hebben duidelijk gemaakt wat de rol van de Staat kan zijn: lanceren van grote projekten als TGV (hoge snelheidstrein), Kanaaltunnel en dergelijke die als vliegwiel voor onderzoek en nieuwe technologiese toepassingen kunnen dienen. Hierop kunnen (para-) universitaire instituten inhaken, maar ook startende private kennisbedrijven (bedrijfjes). Zo kan de Staat zich verbinden met het kleine, prille en nieuwe. Alleen eist dat een direkte betrokkenheid van de Staat. En daarmee heeft men in Frankrijk kennelijk minder moeite gehad dan in het dogmaties neo-liberale Nederland.

Paniek

Als gezegd, Economische Zaken lijkt wat in de richting te schuiven van een specifiek beleid. Zij het dat ze daar kennelijk weinig zien in een rol voor de universiteiten. De betrokkenheid is echter nog zeer op afstand: een onderzoeks- 'gouden gids' laten maken en met subsidiepotten prikkelen. Zoals hiervoor gesteld, de omgeving van het kapitalistiese bedrijfsleven zo inrichten dat het kan gedijen. Maar of het zal gedijen wordt overgelaten aan het ondernemerdom. Op afstand. Grote projekten die als vliegwiel dienst kunnen doen, bestaan in ons land niet. Of het zouden Schiphol, de Betuwelijn en de Hoge Snelheids Lijn (HSL) moeten zijn. Maar deze zijn of te omstreden (Schiphol) of ze zijn gezien de lengte (binnen dit kleine land) te klein.

Nee, van een specifiek beleid is nog geen sprake.

Zo zitten we dan nu zestien jaar na het WRR-rapport met de voortgaande de-industrialisatie van ons land. Na onder meer textiel, leer en scheepsbouw nu een industrie van een hoog technies nivo.

En natuurlijk, de argumenten zijn bekend. Een zware recessie in de luchtvaart, en dus een lage vraag naar civiele vliegtuigen. Ineenstorting van de 'Muur' en dus een wegvallende vraag naar militaire vliegtuigen. De europese mededingingsregelgeving. De dalende dollar. Het zal allemaal ongetwijfeld een zware rol gespeeld hebben. Maar we moeten toch ook konstateren dat in landen als Frankrijk de Staat een veel specifieker beleid heeft gevoerd in een tijd waarin nog niet zo paniekerig gehandeld hoefde te worden als nu.

Wim Boerboom
(medewerker Katholieke Universiteit Brabant)