nr. 64
dec 1994

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Vrouwenbeweging en arbeidstijdverkorting

Er is veel te winnen

Recht op betaalde arbeid, gelijke beloning, een 25-urige werkweek voor iedereen, herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid, kinderopvang... Sinds de tweede feministiese golf vanaf eind jaren zestig 'sleutelbegrippen' binnen de vrouwenbeweging. Vrouwen zijn zich gaan roeren op de arbeidsmarkt, in de politiek en de vakbeweging.
Hoe is het nu, anno 1994, met de positie van vrouwen gesteld?

ONTEGENZEGGELIJK zijn er resultaten geboekt, zelfs tegen de stroom van ekonomiese recessie en omvangrijke werkloosheid in. Alleen al het feit dat de sleutelbegrippen (behalve de 25-urige werkweek) tot het dagelijks taalgebruik zijn gaan behoren en in allerlei (politieke) beleidsnotaas, CAO's enzovoort terug te vinden zijn, betekent vooruitgang. Bovendien zijn nieuwe 'items' als positieve aktie en sexuele intimidatie toegevoegd.
De arbeidsparticipatie van vrouwen, in aantal personen, is van 23 procent in 1960 gestegen tot 54 procent in 1991 (Meer evenwicht op de arbeidsmarkt, FNV, mei 1992). Wat dat betreft hebben de nederlandse vrouwen hun traditioneel grote achterstand ten opzichte van vrouwen in andere EG-landen rond 1990 vrijwel ingehaald. Een toenemend aantal vrouwen is na de geboorte van het eerste kind blijven werken.
Om maar eens wat te noemen.
Toch is er nog absoluut geen reden om in gejuich uit te barsten.

Arbeidsparticipatie

Dat de arbeidsparticipatie van vrouwen, gemeten in personen, is gestegen, is grotendeels toe te schrijven aan de groei van het aantal vrouwen dat in deeltijd werkt (meer dan 60 procent), waarvan ongeveer de helft in banen van minder dan 24 uur. Omgerekend naar arbeidsjaren ligt de arbeidsparticipatiegraad onder nederlandse vrouwen echter nog altijd aanzienlijk lager dan in de ons omringende landen. In 1979 werkte de betaald werkende vrouw gemiddeld 0,75 arbeidsjaar; dit gemiddelde is sindsdien niet gestegen, maar gedaald tot nu 0,6 jaar. Dat betekent dat de betaalde arbeid niet wordt verdeeld tussen mannen en vrouwen, maar nog steeds tussen vrouwen onderling (Sociale Atlas van de Vrouw, 1993).
Daarbij gaat het vooral om loonarbeid in de zogenaamde vrouwensektoren als schoonmaak, catering, gezins- en bejaardenzorg, huishoudelijke arbeid en dergelijke; werk dus dat in het verlengde ligt van wat vrouwen toch al gewend zijn thuis te doen. Laag betaald, veelal op basis van tijdelijke of flexibele kontrakten (meer dan 10 procent).

Gelijke beloning

Ook kwa beloning blijven vrouwen ver achter bij mannen. Vrouwen met een inkomen uit arbeid verdienen gemiddeld 27.500 gulden bruto per jaar; mannen gemiddeld 53.500 gulden. Per uur verdienen vrouwen door de bank genomen 77 procent van wat mannen ontvangen. (Eindrapport Projectgroep Vernieuwing Vakbondsvrouwenwerk, FNV, februari 1994)
Let wel, dit zijn gemiddelden. Als we weten dat de meeste vrouwen een kleine deeltijdbaan hebben die minder opbrengt dan 1.400 gulden (het netto minimumloon), dan is het niet verwonderlijk dat slechts een kwart van de werkende vrouwen zelfstandig van haar inkomen kan bestaan. Van de getrouwde en samenwonende vrouwen is maar 20 procent ekonomies zelfstandig, (de Volkskrant 18-6-1994)

Werkloosheid

Volgens het officiële CBS-cijfer (geregistreerde werkloosheid) is het werkloosheidspercentage van vrouwen nagenoeg gelijk aan dat van mannen. In werkelijkheid ligt dat percentage echter veel hoger. Bij de vaststelling telt het CBS mensen die een baan zoeken van minder dan 20 uur (= meer dan de helft vrouwen), namelijk niet mee. (Op dit moment geldt een norm van minder dan 12 uur; hfvdp.) Daar komt nog bij dat veel vrouwen zich niet eens meer laten inschrijven. Geschat wordt dat de werkloosheid onder vrouwen dan ook twee maal zo hoog is als onder mannen: 10,5 respektievelijk 5,3 procent. (Meer evenwicht op de arbeidsmarkt, FNV, mei 1992)

Positieve aktie

Ofschoon positieve aktie steeds meer tot beleid is verheven, blijft dit een teer punt. Niet overal zijn mannen ervan gecharmeerd dat vrouwen 'voor'gaan. Daar waar positieve aktie wel resultaat heeft, haken sommige vrouwen toch weer af. Vaak is dat terug te voeren op de 'mannen-kultuur' in bedrijf of instelling, of regelrecht seksisties gedrag.
Een ander probleem komt om de hoek kijken bij reorganisaties en dergelijke. Van het principe 'wie het laatst binnenkomt, vliegt er het eerst uit' zijn nogal eens vrouwen (denk bijvoorbeeld aan herintreedsters) de dupe.

Organisatiegraad

Het aantal vrouwen dat zich organiseert, is weliswaar groeiende (ruim 23 procent van het totale FNV-ledenbestand is vrouw), maar blijft achter bij het aandeel van vrouwen in de beroepsbevolking (op dit moment ongeveer 40 procent). Gegeven het feit dat zo veel vrouwen in deeltijd werken, niet echt verbazingwekkend. Deeltijdwerkenden sluiten zich sowieso moeilijk aan bij de vakbeweging. Opvallend is wel dat de uitstroom onder vrouwelijke leden aanzienlijk hoger ligt dan onder mannen. Waarschijnlijk komt dit, doordat nog steeds een deel van de vrouwen bij het krijgen van kinderen met haar baan ook het lidmaatschap van de bond opzegt. (Vernieuwing vakbondsvrouwenwerk in kort bestek, FNV, februari 1944)
En laten we de binnen de vakbeweging heersende 'kuituur' even niet vergeten, die het voor vrouwen op z'n zachtst gezegd onaantrekkelijk kan maken aktief te worden of te blijven.

Herverdeling

'Last but not least' het lastige, maar voor vrouwen om allerlei redenen belangrijke vraagstuk van de herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid. Een vrouw die een interessant geluid laat horen, is Dorien Pessers, al jaren aktief in de vrouwenbeweging en schrijfster van het pas verschenen boek met de intrigerende titel "De wet van het hart". Zich baserend op de oorspronkelijke uitgangspunten van het feminisme, keert ze zich tegen de - wat ze noemt - ekonomisering van menselijke verhoudingen en de aantasting van de private sfeer. In de Volkskrant van 5 november jongstleden zegt ze daarover: "(...) Eerst verlieten de vaders het huis om te werken in de fabrieken. Daarna gingen de zonen mee. Vervolgens gaan de vrouwen het huis uit en moeten de kinderen naar de kinderopvang, want waar moeten ze anders blijven. Onder invloed van de economische structuur die almaar sneller verandert, is het private steeds verder uitgehold." Haar kritiek op mannen is dan ook niet mals. "Natuurlijk zijn er mannen die thuis veel zorgtaken op zich nemen, maar als collektief laten ze het afweten."
Overigens is het voor haar nog maar de vraag of dat voortkomt uit louter onwelwillendheid. Ze sluit niet uit dat er sprake is van biologies-psychologiese verschillen tussen mannen en vrouwen. En de oplossing?
"Dan moet je een arbeidsmarkt scheppen die rekening houdt met die biologiese bepaaldheid. Dan moeten we ophouden er een probleem van te maken dat vrouwen de eerste jaren gewoon voor hun kinderen zorgen (...) zonder dat zij zich schuldig hoeven te voelen jegens de arbeidsmarkt." En ook (een deel van de) vrouwen spaart ze niet. Hen verwijt ze zich eenzijdig gefixeerd te hebben op betaald werk buitenshuis en kinderopvang. Ze zouden onvoldoende rekening hebben gehouden met het risiko van aanpassing aan de 'mannen'normen die in de betaalde arbeid overheersen. En te weinig oog hebben gehad voor andere voorwaarden waaraan zou moeten zijn voldaan om het vrouwen mogelijk te maken zorgtaken te kombineren met loonarbeid. Zoals een 25-urige werkweek. " Dat zou voor vrouwen fantastisch zijn. Voor mannen trouwens ook."

Genoeg stof voor diskussie dus. En of je het met Pessers in alle opzichten eens bent of niet, dat het leven steeds verder wordt geëkonomiseerd valt niet te ontkennen. Haar argumenten voor forse arbeidstijdverkorting zijn helder. Wanneer ze zegt dat liefde natuurlijk primair solidariteit is, houdt dat een sterk appèl op mannen in.

Hans Fransen van de Putte