nr. 27
Feb 1988

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Redaktioneel

Wie betaalt de schade?

Tijdens de verkiezingen voor het voorzitterschap van de Industriebond FNV citeerde Willem Agenant, als tegenkandidaat van Dick Visser, twee sociale wetenschappers, Cees de Galan en Bram Peper: Naar de traditie van de nederlandse vakbeweging gemeten is de organisatie altijd sterker geweest dan de leden. De verenigingsdemocratische organisatiestructuur bleef formeel weliswaar overeind, maar werd feitelijk vervangen door een oligarchische, autoritair optredende elite, gesteund door een professioneel en bureaucratisch apparaat." En Willem vervolgde op die gedenkwaardige bondsraadsvergadering van mei 1983: "Ik denk dat wij deze bureaucratische, oligarchische en ondemocratische opzet nu zouden moeten doorbreken. Nu kan het en is het moment ervoor. Doen we het niet, dan betekent dat op termijn de dood van onze bond."

Drie jaar later, in mei 1986, reageerde Willem als volgt op de hoeveelheden modder die bestuurders van de Industriebond toen al over elkaar uitstortten: "Voor dat soort aktiviteiten past maar één woord: verrot. En ik ben bang dat grote delen van onze bond in die zin verrot zijn. Het klinkt hard, maar het is hard. Blinde karrièredrang en afgunst breken op dit moment onze bond af naar mijn mening."

Het is triest dat deze woorden van Willem Agenant, die toen op weinig weerklank konden rekenen, nu voor heel Nederland bevestigd zijn. De schade, die de Industriebondstop met zijn kapriolen niet alleen aan de Industriebond, maar aan de hele nederlandse vakbeweging heeft toegebracht, zal nog lang doorwerken.

Het is bijna misdadig te noemen dat de leiding, op het moment dat onder andere de mensen bij Fokker en Van den Bergh & Jurgens opnieuw voor een krachtsinspanning staan om hun werkgelegenheid overeind te houden, hun bond in een krisis stort. Het is uitsluitend aan de inzet en het doorzettingsvermogen van de kaderleden in die bedrijven te danken dat daar nog enigszins zicht blijft bestaan op de verdediging van het werk van leden en niet-leden. Moeten zij sowieso al knokken tegen het afbraakbeleid van de ondernemers, nu komt daar ook nog bij de strijd tegen de puinhoop die Visser en zijn medebestuurders ervan gemaakt hebben.

Cartoen Visser / Ter Hart - het begon zo moot

De oorzaken van de problemen in de Industriebondstop worden met name gezocht in de onderlinge konkurrentiestrijd tussen Dick Visser en Jan Schermer met hun respektievelijke medestanders. Maar waarom vliegen zij elkaar in de haren, in plaats van zich op dezelfde onverzettelijke manier tegen de ondernemers en het kabinet Lubbers op te stellen? Het antwoord op die vraag moet gezocht worden in de totale mislukking van het zogenaamde "Middellange Termijn Beleid" (MLTB), dat de bondsraad van de Industriebond op 14 december 1984 goedkeurde. Dit beleid moest de aantasting van de machtspositie van de bond en het enorme ledenverlies tot staan brengen. Centraal in dit beleid stond het idee dat via nauwe samenwerking en een herenakkoord met de ondernemers gezamenlijk gewerkt moest worden aan het herstel van de nederlandse industrie. Alles stond in het teken van de bloedeloze poging van Visser c.s. om weer als volwaardige gesprekspartner door de ondernemers en regering erkend te worden. Die trokken zich van deze opstelling van de Industriebondsbestuurders weinig aan en gingen gewoon hun eigen weg. Alle dankbaar door de ondernemers aanvaarde kadootjes, konsessies en verzoenende taal ten spijt, bleven zij halsstarrig weigeren met de Industriebond zaken te doen. Hierdoor en door het feit dat deze bondspolitiek nauwelijks door leden en kaderleden werd gedragen, kwam het bondsbestuur in een vakuüm terecht en pleegde uiteindelijk zelfmoord. Hoewel Dick Visser daarbij uiteindelijk nog geholpen moest worden door de FNV-top, die de FNV al genoeg beschadigd vond.

Terug naar de leden

Naast alle nadelen die de Industriebondskrisis oplevert, heeft het ook één groot voordeel. De mogelijkheid lijkt groter dan ooit om nu eens echt de diskussie aan te gaan over een ander beleid en de daarbij horende andere vakbondsleiding. In het kielzog daarvan komt nu ook de diskussie over het perspektief van de vakbeweging als geheel weer op de agenda. Het is lang geleden dat er zo veel in de media is afgediskussieerd over deze onderwerpen. Tot nu toe blijft het echter te veel een debat tussen deskundige wetenschappers, journalisten, politici en vakbondsbestuurders. De diskussie moet daar gevoerd worden waar zij hoort, namelijk door de leden en kaderleden van de bonden.

Daarbij gaat het om twee centrale vraagstukken, zoals ook bleek op de konferentie "Vakbeweging in perspektief" van 30 januari j.l., georganiseerd door een aantal wetenschappelijke en vakbondsbladen in samenwerking met De Waarheid en De Balie. (Een konferentie waarvoor tot onze verbazing Solidariteit niet was uitgenodigd.)

Op de eerste plaats is dat de betekenis van de komende nieuwe ekonomiese recessie en bijvoorbeeld de gevolgen van de beurskrach voor werkgelegenheid en inkomen. Op de tweede plaats is het van belang te kijken naar de strategie van de ondernemers, zowel op centraal nivo als in de verschillende sektoren. Als je daaraan voorbij gaat, blijft de diskussie vrij abstrakt en los staan van de problemen die werkende en werkloze mensen dagelijks ondervinden. In de Groene Amsterdammer van 27 januari wordt een boekje open gedaan over de inzet waarmee de ondernemers proberen het jaar 2000 te halen. Daaruit blijkt nogmaals dat de drang in vakbondskringen om decentraal, per sektor of per bedrijf, te onderhandelen slechts neerkomt op het volgen van de ondernemers. Flexibilisering is voor hen het sleutelwoord. En daarbij kunnen ze centrale landelijke afspraken missen als kiespijn. Bovendien wordt door onderhandelingen per bedrijf de centrale en bindende funktie van een vakcentrale als de FNV ondermijnd en uitgehold. Per bedrijf of sektor kunnen door de defensieve situatie waarin alle vakbonden zitten, door de ondernemers eisen gesteld worden. Of de vakbonden passen zich aan het ondernemingsbeleid aan of zij doen dat niet en worden daarmee buiten spel gezet. In dat geval worden CAO's afgesloten met de ondernemingsraad, met bonden die zich soepeler opstellen en zelfs met door de bedrijfsleiding opgerichte Verenigingen van het personeel van het bedrijf via flexibilisering van de arbeidskontrakten, de werktijden, de beloning en andere arbeidsvoorwaarden wordt de organisatiebasis van de vakbonden verder verzwakt.

Het zal dus duidelijk zijn dat alles staat of valt met de vakbondsmacht in bedrijven en instellingen. Binnen de Industriebond lijkt de diskussie daarover op gang te komen in het verslag van het projekt "De aanwezigheid van de bond op bedrijfsniveau" - "Een kader voor belangenbehartiging". Helaas wordt hierin geheel voorbij gegaan aan de sociaal-ekonomiese situatie, waarin (kader)leden op bedrijven moeten werken. Van een wederopbouw van het bedrijvenwerk, dus machtsvorming door vakbondsleden op de werkvloer, is geen sprake. Wel wordt gesteld dat met name de beloning en werktijden centraal moeten staan. Precies de terreinen waarop de ondernemers hun flexibiliseringsoperatie aan het uitvoeren zijn. Handhaving van de werkgelegenheid, laat staan arbeidstijdverkorting (ATV), verdwijnt daarmee helemaal uit het zicht.

In de diskussie over het perspektief van de vakbeweging zal echter juist ATV opnieuw in het vizier moeten komen. Zelfs de vice-voorzitter van de FNV, Johan Stekelenburg, moest in De Balie toegeven dat de ATV-strategie onder andere mislukt was, omdat we als vakbeweging niet snel genoeg zijn doorgestoten naar de 36 uur. Daardoor konden de werkgevers zich goed aanpassen en leverden de kleine stapjes prakties geen herbezetting op. Kontrole op die herbezetting zal centraal moeten staan in nieuwe ATV-initiatieven.

Op dit moment lijkt dit van 'de leiding' van de Industriebond te veel gevraagd. Het wordt tijd dat de leden orde op zaken gaan stellen en de impasse in bestuur en beleid doorbreken.

De redaktie (3 februari 1988)