nr. 119
juni 2004

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Paul van Ostaijen (1896-1928)

Een groot expressionistisch dichter

Paul van Ostaijen

Geboren in de sinjorenstad Antwerpen noemden zijn schoolvrienden hem "zot Polleken". Onaangepast, wars van regels en autoriteit, toonde hij vroeg zijn gevoel voor absurditeit. Op de lagere school tussen de lessen door werkte hij aan de klucht De muizejacht. Over de knecht die van zijn baas muizen moest vangen. Toen de baas vroeg hoe het ging, antwoordde de knecht: "Als ik die heb waar ik achter zit en nog een, heb ik er twee."
Al jong van school kende Van Ostaijen vele gedaantes. Stadhuisklerk, nachtbraker, flamingant, cocaïneschuiver, worstelaar en anarchist. Hij deed daarvan in 1916 verslag in zijn eerste bundel gedichten Music-Hall die de onrust van het moderne leven tentoonstelde.
Na meegedaan te hebben aan de openbare bespotting van kardinaal Mercier, vluchtte hij naar het politiek turbulente en artistiek bloeiende Berlijn. Hij nam intensief deel aan het dadaïsme, maakte kennis met Bauhaus en sympathiseerde met Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht. Terug naar België braken in Brussel jaren van tomeloze energie aan. Hij publiceerde proza, poëzie, essays, recensies, organiseerde exposities en hield lezingen. Eind 1925 bleek hij te lijden aan tuberculose, waaraan hij drie jaar later stierf. Hij zou de modernste Nederlandstalige dichter van de twintigste eeuw worden; een overtuigd expressionist.

Zijn Zelfbiografie telt ongeveer vijftig regels en begint als volgt:

"Ik ben geboren. Dit moet worden aangenomen, alhoewel een absoluut-objektief bewijs niet is voort te brengen. Axioom is het domein van de subjektieve ervaring. Objektief is slechts het gissen. Dus: zijn wij geboren? Zien. Tasten. Maar lachen om het weinig overtuigende van dit bewijs. Ik vraag: wie is wel degelijk geboren?"

De laatste regels luiden:

"Drie boeken uitgegeven: 'Music-Hall', 'het Sienjaal', 'Bezette Stad'. Misschien is ook dit slechts massahypnose. Wie kan bewijzen dat hij de boeken heeft gelezen? Laat staan: begrepen. God beware: begrepen: Ik zelf heb ze niet begrepen."

Aan een moeder

Haar zoon viel op het slagveld

Ik weet, moedertje, je zou graag lezen:
"Wapengeweld, slagveld, held",
want als een eervolle trits,
heeft men je die woorden voorgespeld,
en van je zoon heb je niets meer dan dat.
Woorden die je troosten moeten,
omdat je je zoon niet meer zult wekken;
je zult zijn koffie niet meer bereiden,
steeds als de klok hetzelfde uur slaat,
hem nooit meer nakijken als hij de straat langs gaat
en nou moet je niet meer de woorden bepeinzen
die je hem zeggen zou
in stervensnood.

Je zoon, moedertje, viel niet voor een gerechte zaak,
maar zijn bloed werd hem afgeperst door allen,
omdat ons de menselike goedheid is ontvallen.
Maar ik, wij, wij allen zijn de moordenaars van je zoon
en elk woord als eer en held is smaad en hoon.
Elk soldaat die valt in de krijg, hij werd getroffen
door een sluipmoordenaar.
Dit zijn wij allen, allen die het geloof verloren.

Je zoon heeft me gezegd: dit is de goede weg,
en ik heb hem gewezen: ja, die weg is de ware.
Wij hebben gelogen.
"Democratie": wij hebben bedrogen.

Uit: Het Sienjaal, 1918 (fragmenten)

Rijke Armoede van de Trekharmonica

Rodica en Dodica waren aan elkaar gebonden
zo heeft de vroedvrouw ze gevonden
Rodica en Dodica
de ooievaar speelde trekharmonica

Op de trekharmonica
schilderde de schilder Rodica en Dodica
Rodica was net zo groot als Dodica
op die trekharmonica

Op de trekharmonica
speelt het liedje van Rodica en Dodica
Dodica had een vrijer lief en Rodica had er geen
toch was Rodica net zo groot als Dodica

Met een lange ruk is het liedje uit op de trekharmonica
van Rodica en Dodica
Dodica is dood en Rodica is rood
toch was Dodica net zo groot als Rodica

Uit: Nagelaten gedichten, 1928

Een lied

Een vrouw die, een heideheuvel afdalend, kleine paarse
heidebloemen strooit over het hoofd van de welbeminde
en lacht, zó zijt gij tot mij gekomen
zomerlik reëel, sterke
ziel van buiten, geworden tot mijn ziel;
kracht die weer buitenwaarts gaat.

Uit: Het Sienjaal, 1918

Zelfmoord des zeemans

De zeeman
hij hoort de stem der Loreley
hij ziet op zijn horloge
en springt het water in.

Uit: Nagelaten gedichten, 1928

Bron: Verzamelde gedichten, Amsterdam 1993