nr. 117
feb 2004

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Recht en arbeid - uitspraak in hoger beroep havenarbeiders

Onverteerbaar onrecht

Moeilijk is het over een zaak te moeten schrijven die gewonnen had moeten worden. 26 Havenpoolwerkers leveren een taai juridisch gevecht om aan te tonen dat zij ten onrechte zijn ontslagen. In een politieke uitspraak van de kantonrechter te Amsterdam waren zij al in het ongelijk gesteld. In hoger beroep is de uitkomst niet anders.

De kantonrechter vond de ontslagprocedure "op punten onzorgvuldig", maar al met al "niet ondoelmatig". In hoger beroep was het oordeel dat niet is aangetoond dat met een andere aanwijsprocedure de 26 - inmiddels 25, na overlijden van één van hen - niet zouden zijn ontslagen.

Doelmatig

Het argument van de kantonrechter is niet tegen te spreken. De gedeeltelijk arbeidsongeschikten kwamen het eerst voor ontslag in aanmerking. Vanuit het standpunt van de ondernemers is dit beslist doelmatig te noemen. Maar aan de kantonrechter was niet gevraagd de doelmatigheid van het ondernemersgedrag te toetsen, wel de rechtmatigheid. En volgens de oud-havenwerkers was de aanwijsprocedure zó onzorgvuldig dat ze ook onrechtmatig was.

In hoger beroep voegde de rechtbank niet veel toe. Volgens de rechter zou een andere aanwijsprocedure nog niet perse tot een andere uitkomst hebben geleid. Maar 'de 25' kunnen een andere uitkomst niet bewijzen. De werkgever zei immers van de aanwijsprocedure geen schriftelijke bescheiden te bezitten. Dus hoefden de procederende arbeiders slechts te laten zien dat er voldoende twijfels bestonden aan de correctheid van de ontslagprocedure. Het was aan de ondernemer zijn rechtmatigheid te bewijzen.

Dat de procedure op een aantal essentiële punten in strijd met het recht was, werd door de rechter erkend. Maar de bewijslast dat de ontslagaanwijzing - indien op rechtmatige wijze geschied - tot hetzelfde resultaat zou hebben geleid, ligt bij de ondernemer. Niet bij de werknemers. De rechtbank draait de zaak om en maakt het werknemers onmogelijk het gelijk te halen.

Neutraal

Het is uiteindelijk aan 'de wetenschap' te analyseren waarom in deze zaak de werknemers niet konden of mochten winnen. Hier alvast een aantal opmerkingen.

Allereerst geldt dat alle partijen het met elkaar eens waren. De werknemers stemden, na enige druk en wat gemanipuleer, in met een akkoord. De vakbond speelde meerdere rollen. Eerst belangenbehartiger, daarna stakingsbreker en uiteindelijk ondernemer. Echter, in het juridische forum is het uitgangspunt dat die vakbond staat voor de belangen van de werknemers. Daarnaast was er een nauwe betrokkenheid van partijen die in de Nederlandse rechtsorde als 'neutraal' worden gezien: de gemeente Amsterdam en de toenmalige Arbeidsvoorziening. De laatste voerde een selectieprocedure uit met psychologische tests en een lichamelijk onderzoek. Dat nu juist selecteren op in de persoon gelegen kenmerken niet toegestaan is en in de regel diezelfde Arbeidsvoorziening in dergelijke gevallen geen ontslagvergunning verleent, doet er kennelijk niet toe als die instantie het zelf doet.

In zo'n situatie van consensus en neutraliteit krijgt de rechter al snel de indruk dat voor hem geen rol is weggelegd. Misschien, zo zal hij gedacht hebben, was de gang van zaken onzorgvuldig, maar met zoveel overeenstemming en objectiviteit zal het wel goed zitten.

Burgerlijk recht

Met een nauwkeurig opgebouwd procesdossier kon aangetoond worden dat er onrecht is gedaan. Dat bood de rechter alle mogelijkheid dwars door de formele verhoudingen heen te kijken en uit te spreken dat sprake was van onrecht. Maar in zekere zin moet de rechter dan een politieke stap zetten en zeggen: 'ik zie de consensus, ik zie de orde, maar ik vind die orde niet rechtmatig en dat wil ik rechtzetten'.

Eerder had de president van de rechtbank dat in een kort geding gedaan. Zijn oordeel werd gevraagd of het arbeidsbemiddelingsbureau NV Werk mocht werven en daarbij de groep van 25 werknemers kon passeren. Hoewel formeel gesproken deze zaak niet winbaar leek, doorbrak de president de verhoudingen en zag dat de wervingscampagne gericht was op de uitsluiting van oudere arbeiders. Daaraan wenste hij niet mee te werken. Zo bepaalde hij dat aan de belangen van 'de 25' niet voorbijgegaan mocht worden. Dat dit juridische succes niet verzilverd kon worden, kwam doordat de insteekhaven van Ceres geen klanten kreeg. Een andere rechter maakte een vergelijkbare stap en liet gedurende vele dagen getuigenverhoor blijken de gevoelens van de werknemers te kunnen volgen. Hij trad actief op in het boven water krijgen van het gerommel bij de selectie van het personeel dat ontslagen zou worden.

Zou de werkelijkheid zo eenvoudig zijn dat het onmogelijk was recht te krijgen, omdat rechters zich meer verbonden achten met de burgerij dan met havenarbeiders, dan was de analyse snel klaar. Maar zo is het niet. Het burgerlijk recht - wil het als burgerlijk recht functioneren - houdt ook de belofte in van de formele gelijkheid. Burgerlijk recht kan dus niet gereduceerd worden tot een instrument van de burgerij, want dan houdt het op burgerlijk recht te zijn. Maar ondertussen reproduceert het wel de bestaande ongelijkheid. En dat moet ook. Anders zou het evenzeer ophouden burgerlijk recht te zijn, omdat het in tegenspraak komt met de belangen van de bourgeoisie.

Hoe dan ook, de uitkomst van het hoger beroep is onverteerbaar. Het gevecht is nog niet beëindigd, maar het principiële punt is wel verloren. En dat had niet gemogen.

Pim Fischer