nr. 117
feb 2004
welkom
edities
inhoud
|
Solidariteit
De tien geboden voor de vakbeweging - verkondigd door Paul de Beer
Een ommezwaai naar financiële participatie
"Juist door zich sterker te richten op individuele belangenbehartiging zou de vakbeweging wel eens de basis onder haar eigen bestaan kunnen ondergraven. Er zijn immers ook tal van gespecialiseerde commerciële bureaus die hun assistentie aanbieden." Met deze en andere stellingen verklaarde Paul de Beer de vakbeweging in crisis. Hij deed dat in een toespraak op 7 oktober 2003 ter gelegenheid van zijn bijzonder hoogleraarschap arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam. Voor vier jaar bezet hij de Henri Polak leerstoel die gefinancierd wordt door de drie vakcentrales.
De Beer heeft de ruime opdracht gekregen "de plaats, historische en toekomstige betekenis van de vakbeweging in economisch, sociaal en politiek opzicht te onderzoeken". Hij begon daaraan door een tiental erkende doelen - tien geboden - van de vakorganisaties te evalueren. Zijn belangrijkste aanbeveling luidt: verlaat het defensief en kom met initiatieven. De Beer illustreert dat aan twee voorbeelden. Eén: neem samen met de werkgevers de volledige verantwoordelijkheid voor de werknemersverzekeringen. Twee: oefen economische invloed uit via het collectieve beheer van aandelenpakketten van werknemers. Oftewel: coöperatie en participatie - werk samen en neem deel.
De opvattingen van De Beer vallen niet buiten de algemene koers van de vakbeweging en ook in zijn visie is het kapitalisme een gegeven orde die niet ter discussie staat. Niettemin is zijn ingetogen en misschien wel naïeve manier van analyseren, verfrissend en de volle aandacht waard.
Collectieve spaarpotten
Eerst maar de tien doelstellingen langslopen, inclusief wat naar de mening van De Beer daarvan in de afgelopen eeuw gerealiseerd is (met als kanttekening dat de specifieke bijdrage van de vakbeweging moeilijk vast te stellen is).
- Verhoog het loon. Aan de ene kant zeer geslaagd, aan de andere kant is de steeds terugkerende loonmatiging een 'ruilmiddel' geweest om de overige doelen dichter bij te brengen.
- Verklein de inkomensverschillen. Vooral in de jaren zeventig van de vorige eeuw een strijdpunt met enig succes, sindsdien vrijwel verwaarloosd en de laatste jaren aanzienlijk versmald tot de hoogste topinkomens.
- Verschaf sociale zekerheid. Het opgebouwde stelsel van bestaanszekerheid in een risicovolle samenleving is de vakbeweging geheel uit handen geglipt en naar de overheid overgeheveld. Daarna, tijdens de afbraak vanaf begin jaren tachtig, "dolf zij telkenmale het onderspit".
Aanbeveling: haal de werknemersverzekeringen terug, maak ze tot een onderdeel van de arbeidsvoorwaarden en leg ze in de CAO vast.
- Vergroot de werkzekerheid. Op individueel niveau in de vorige eeuw zonder twijfel verbeterd en bij een vast contract goed geregeld. Maar dan wel afgezien van de werkloosheid bij conjunctuurdalingen. Voor mensen 'aan de onderkant van de arbeidsmarkt' pakken die terugkerend slecht uit.
Aanbeveling: stel werkgelegenheid boven inkomen, laat de lonen meebewegen met het economisch resultaat van de onderneming en vorm voor slechtere tijden collectieve 'spaarpotten'.
- Verbeter het werk. De kwaliteit van de arbeid is onvergelijkbaar veel verbeterd. Dat geldt met name voor de fysieke omstandigheden, waaraan overigens nog wel het één en ander mankeert. De laatste jaren gaat de aandacht uit naar de hoge werkdruk die veel te maken heeft met tijdsbelasting. Verkorting van de arbeidsduur krijgt daardoor een nieuwe actualiteit.
Culturele ontplooiing
- Verkort de arbeidsduur. Sinds begin twintigste eeuw kunnen de zegeningen geteld worden. De gemiddelde jaarlijkse arbeidsduur is meer dan gehalveerd. Inclusief de deeltijdbanen (eenderde van het geheel) die echter voor meer dan driekwart door vrouwen bezet worden. Sinds 1986 is dit proces vrijwel tot stilstand gekomen.
- Overbrug de tegenstelling arbeid/kapitaal. De arbeidersklasse heeft de laatste honderd jaar een aanzienlijk kapitaal verworven. Dat is echter niet aangewend voor beschikkingsmacht of zeggenschap, wel voor consumptie en inkomenszekerheid. De tegenstelling is tegenwoordig voor de vakbeweging nauwelijks nog een inspiratiebron.
Aanbeveling: zet het collectief vermogen (aandelen, verzekeringsfondsen) in om "de kloof tussen arbeid en kapitaal daadwerkelijk te overbruggen".
- Democratiseer de onderneming. In de moderne vakbeweging zijn de loonarbeid en de gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer als een gegeven aanvaard. Vandaar het streven naar medezeggenschap. Wat resteert, is ten eerste de autonomie op de arbeidsplaats waarmee het voor de meeste werkenden niet slecht gesteld is. En ten tweede, de invloed op ondernemingsbeslissingen via ondernemingsraad en bond die zelden wezenlijk is.
Aanbeveling: verwerf zeggenschap via financiële participatie met werknemersaandelen.
- Emancipeer achtergestelde groepen. Na de emancipatie van de arbeiders is de laatste twee decennia de kloof in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen aanzienlijk verkleind. Dat geldt sinds kort, zij het in mindere mate, ook voor de beloningsverschillen. De structurele achterstand van migranten is echter groot.
- Verhef de arbeiders. Onderwijs is hierbij als belangrijkste voorwaarde gezien, het aantal hoog opgeleiden stijgt nog steeds. Op het terrein van een brede cultuurparticipatie ziet de vakbeweging bij de huidige mondige werknemer - terecht - geen taak meer liggen. Anders is het met de 'ratrace' naar materiële welvaart die voor velen op een teleurstelling uitloopt. De vakbeweging zou daar een collectieve actie voor culturele ontplooiing tegenover kunnen stellen.
Emancipatie
Hoewel elk rijtje, zelfs van tien onderdelen, aangevuld kan worden, valt in het overzicht van De Beer de afwezigheid van een internationaal en een democratisch gebod op. Bovendien hangen deze twee samen. Het internationaal vakbondswerk is vooral een professionele aangelegenheid en is op het niveau van de leden en de arbeidsplaats laag ontwikkeld.
Beperkt tot de interne vakbondsdemocratie, lijkt dit ontbreken een direct gevolg van de ook bij De Beer heersende vakbondsopvatting. Aanvaarding van de grondslagen van het kapitalisme en de daaruit voortkomende, principieel ondemocratische bedrijfsvoering ontnemen namelijk de vakbeweging haar functie als leerschool voor een andere maatschappij. Onderschikking en uitbuiting verdragen per definitie geen democratie, terwijl de verwerping van deze twee pijlers van het kapitalisme een permanente scholing en ervaring in democratie vereist. Niet voor niets ijverden gedurende de gehele sociale geschiedenis kritische stromingen binnen de vakbeweging voor de zelforganisatie en zeggenschap van de leden in de bondsorganisatie. Niet voor niets trachtten deze groepen de oppositionele kracht van de vakbeweging ten opzichte van het kapitalisme te versterken.
Aansluitend op dit 'democratisch tekort' is de zienswijze van De Beer over emancipatie. Weliswaar verwijst hij naar de beginfase van de arbeidersbeweging en het emancipatiestreven "van de (overwegend mannelijke) arbeiders", maar daarna gaat hij over op de onvoltooide gelijkberechtiging van vrouwen en vooral migranten bij de deelname aan de betaalde arbeid. Emancipatie in de betekenis van vrijmaken van de vele beperkingen die het systeem van de loonarbeid oplegt, is bij De Beer niet aan de orde. Hij erkent de realiteit van werken in loondienst als in essentie "de gezagsverhouding tussen de werkgever en de werknemer". Het inspirerend perspectief van bevrijding uit de machtsverhoudingen van de loonarbeid valt geheel buiten zijn beschouwing.
Zaken doen
Ondanks deze 'witte plekken', is de nuchtere balans die De Beer opmaakt, uitermate kritisch. Zonder beleidsommezwaai naar de oorspronkelijke, collectieve doelen geeft hij de vakbeweging nauwelijks een toekomst. In ieder geval geen toekomst met aantrekkingskracht en vitaliteit. In die ommezwaai is De Beer consequent door coöperatie met de ondernemers en participatie aan het ondernemingsbeleid te bepleiten. In zijn onderzoek concentreert hij zich op twee thema's: financiële participatie in het vermogen van de onderneming (aandelen) en paritair beheer van de werknemersverzekeringen (uitkeringen).
- Vanuit de stelling dat loonaanpassingen aan de economische conjunctuur te traag verlopen en deze bij een neergang vooraf worden gegaan door ontslagen, pleit De Beer voor een "automatische koppeling" van de lonen aan de prestaties van een onderneming. Dat hoeft niet gepaard te gaan met schommelingen van het netto-inkomen, wanneer in goede tijden de loonruimte benut wordt voor de verwerving van aandelen in het eigen vermogen van de onderneming. Collectief beheer van deze aandelen door de vakbeweging zou op den duur tot meer zeggenschap leiden, waarmee het risico van de resultaatafhankelijkheid van de lonen als het ware gecompenseerd wordt. Behalve profijt van de aandelen in goede tijden, ziet De Beer nog meer voordelen aan dit financieel medebeheer. Werknemers worden kapitaalbezitters en overbruggen zo de belangentegenstelling tussen kapitaal en arbeid en door het gemeenschappelijk aandelenbezit kunnen de inkomensverschillen teruggebracht worden.
Deze facelift van Thatchers volkskapitalisme maakt 'oude' kritiek weer actueel. Aandelenbezit is niet gelijk aan economische macht. Verwerving van aandelen is voor selecte groepen weggelegd. Het collectief beheer ervan leidt tot verantwoordelijkheid voor saneringen, werkdruk, ontslagen enzovoort. Dus tot versterking van de onderlinge concurrentie - ratrace - tussen de 'medewerkers'. En wat te denken van de toenemende internationale concurrentie van kapitaal en productie? Enzovoort.
- De overdracht van de werknemersverzekeringen van de overheid naar de onderhandelingstafel van bonden en ondernemers, zou een - laat - antwoord kunnen zijn op de sterke tendens van privatisering die hier aan de gang is. De overweging van De Beer is praktisch. De vakbeweging is de laatste twintig jaar niet opgewassen geweest tegen de vele negatieve ingrepen van de overheid. In plaats van "steeds weer de hakken in het zand te zetten" is het beter zaken te doen over de WW, WAO en Ziektewet met de sociale partner. De overheid zou zich dan moeten beperken tot wettelijke regelingen over de minimale duur en hoogte van de uitkering.
- Misschien dat het gevolg van dit voorstel is dat de vakbeweging scherper tegenover de ondernemers komt te staan en het idee loslaat samen tegen de overheid te moeten vechten. Dat De Beer als positief voorbeeld het gezamenlijk beheer van de pensioenfondsen noemt, belooft echter niet veel goeds.
Het is te hopen dat de kritiek van Paul de Beer, gecombineerd met een kritisch debat over zijn voorstellen, de vakbeweging uit haar winterslaap haalt.
Hans Boot
|