|
nr. 115 okt 2003 |
Solidariteit
Wet op de Ondernemingsraden - evaluatie en adviesaanvraagOnderhandelen over rechtenIn 1998 besloot de Tweede Kamer dat de uitbreiding van de Wet op de Ondernemingsraden (de vierde sinds het begin van 1952) na vijf jaar geëvalueerd zou worden. Dat is uitgemond in een adviesaanvraag van het kabinet Balkenende bij de Sociaal Economische Raad (juni 2003). Deze bevat behalve een paar kleine verbeteringen vooral voorstellen tot verslechtering van de medezeggenschap van werknemers.De SER zal eind november met een advies komen, zodat nog dit jaar een wetvoorstel aan de Tweede Kamer verwacht kan worden. Het kabinet hoopt dat de nieuwe WOR 1 januari 2005 in werking zal treden. In de adviesaanvraag zijn twee vraagstukken opgenomen die hier onbesproken blijven. Het betreft een wetswijziging die de informatieverschaffing aan de ondernemingsraad over de topinkomens in de onderneming behandelt; GroenLinks heeft daartoe een initiatiefvoorstel ingediend dat in april van dit jaar in de Tweede Kamer besproken is. Daarnaast zullen de rol en positie van de ondernemingsraad bepaald moeten worden ten opzichte van de Raad van Commissarissen en de aandeelhoudersvergadering. Minder animoNaast tevredenheid over het functioneren van de ondernemingsraad en het vaak goede werk van de leden, zijn er klachten. Niet overal zijn ondernemingsraden ingevoerd, landelijk ontbreken ze bij 30 procent van de ondernemingen, in de bouw- en houtnijverheid is dit percentage zelfs 40. Bij de schilders is de situatie nog slechter, een afwezigheid van 70 procent. Onderzoek in de bouw meldt dat slechts eenderde deel van de ondernemingsraden op cursus gaat. Het onderzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid "Naleving van de WOR, stand van zaken begin 2000" stelt vast dat bij 37 procent van de bedrijven over de hele linie te weinig kandidaten zijn en bij 17 procent voor één of meer lijsten. Dus meer dan de helft van de bedrijven kampt met wervingsproblemen. Voor de bedrijfstak bouw zijn deze percentages: 41 en 21, bovendien heeft 32 procent te maken met vacatures. Het "Grote OR-onderzoek" (Van het Kaar en Looise, 1999) geeft een vergelijkbaar beeld. Van de 379 ondervraagde ondernemingsraden ziet 89 procent een verminderde animo voor het lidmaatschap als het grootste knelpunt. In 1985 heeft 26 procent moeite voldoende kandidaten te vinden, in 1998 is dat 32 procent. Huidige problemenLeggen we het oor te luisteren bij kaderleden en bestuurders van FNV-bonden, dan is hun commentaar in zes thema's samen te vatten. 1. Faciliteiten - te weinig tijd, voorzieningen, compensatie, ondersteuning, deskundige begeleiding en scholing. Het eigen werk blijft vaak liggen en moet worden ingehaald. Steeds meer onderwerpen komen op het bordje van de ondernemingsraad. Rechten moeten veel te vaak verdedigd worden. Er zijn verschillen. Bij een woningbouwvereniging kan gemakkelijker e-mail en papier gebruikt worden en vergaderd dan bij een schildersbedrijf. 2. Stoffig imago - veelal mannen en vaak 50-plus. Hierdoor weinig aandacht voor positie van vrouwen, allochtonen en jongeren. Gevolgen: lage opkomst bij verkiezingen - te weinig kandidaten - automatisch herkiezing zittende leden - bevestiging stoffig imago. 3. Achterban ver weg - voor contacten met het personeel biedt de wet geen gereedschap. Bovendien wordt van de beschikbare uren weinig gebruik gemaakt. De achterban lijkt wel gevreesd te worden. 4. Informatiegebrek - te weinig, onvolledig en te laat. Gegevens komen mondjesmaat en zijn soms pas compleet als de besluiten al genomen zijn. 5. Onvoldoende invloed - slechts een kwart van de ondernemingsraden meent invloed te hebben op strategische besluiten. Twijfels aan deskundigheid en beleidsmatig kunnen meedenken. Veel ondernemingsraden benutten hun bevoegdheden onvoldoende. 6. Personeelsvertegenwoordiging mislukt - wetswijziging van 1998 is in de praktijk een misser gebleken. Een ondernemingsraad werd verplicht bij vijftig werknemers (was honderd). Bij kleinere bedrijven (tot tien werknemers) kwam een personeelsvertegenwoordiging met weinig rechten. Tenminste als een meerderheid van het personeel daarom verzocht. Dat is slechts in 15 procent van de betreffende bedrijven gebeurd. Voorstellen kabinetDe kabinetsvoorstellen zijn verschillend van karakter. Een paar voorbeelden. 1. Details - verkiezingen worden vereenvoudigd door vermindering van het aantal handtekeningen voor niet-vakbondsleden van minimaal dertig naar tien. Deze lijsten worden tegelijk ingediend met die van de bonden die daarmee hun voorrangspositie verliezen. Deelname aan verkiezingen (passief en actief) van uitzendkrachten en gedetacheerden na zes maanden, nu twee jaar. Vereenvoudiging procedure om commissies in te stellen, directeur hoeft niet meer akkoord te gaan. 2. Bijzaken - landelijke verkiezingen in dezelfde tijd, bijvoorbeeld in één week. Verwacht worden: grotere bekendheid van de ondernemingsraad, meer debatten in het bedrijf, presentatie kandidaten en aandacht van de media. Reglement over welke onderwerpen de achterban geraadpleegd wordt en hoe deze op de agenda komen. 3. Hoofdzaken - bij cao kunnen andere medezeggenschapsstructuren geregeld worden. Ondernemingsraad en directeur kunnen een convenant sluiten om recht op medezeggenschap te beperken. Liberalisering en decentraliseringWat betreft de hoofdzaken. Het kabinet, bij monde van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, kiest voor een kaderregeling. Dat wil zeggen: geen gedetailleerde regelingen, rechten algemeen formuleren, uitwerking op het niveau van het bedrijf. Dus liberaliseren en decentraliseren. Daarin gaat de minister zo ver dat de directeur met de ondernemingsraad kan overeenkomen voor een periode van vijf jaar bepaalde werknemersrechten te bevriezen. Dus bijvoorbeeld wel bevoegdheden op het terrein van arbeidsomstandigheden en werktijden, maar niet over een fusie en collectief ontslag. De toelichting is veelzeggend. Door een dergelijke beperking van de bevoegdheden zouden de werkgevers minder bezwaren maken, komen er meer ondernemingsraden en kandidaten en wordt de medezeggenschap eenvoudiger. De andere hoofdzaak behelst de afspraken in de cao over medezeggenschap. De minister spreekt daarbij heel algemeen over de structuur van de medezeggenschap. Wat hij bedoelt, wordt duidelijk uit eerdere publicaties van het ministerie, waarin tegemoet gekomen wordt aan de kritiek van werkgevers die de WOR en daarmee de ondernemingsraad te star en onvoldoende flexibel vinden. De minister wil andere vormen van medezeggenschap mogelijk maken, bijvoorbeeld via kwaliteitskringen en werkoverleg. Het CNV is ook voorstander voor deze directe medezeggenschap. De vraag is natuurlijk hoe vrijuit werknemers dan kunnen spreken en welke rechten en bevoegdheden ze hebben. Met het principe van afspraken in de cao over medezeggenschap heeft de FNV geen enkele moeite. Bonden proberen voortdurend via de cao het gebied van de medezeggenschap uit te breiden. Af en toe lukt dat. Zo is in de cao van de bouw afgesproken dat ook bij tijdelijke bouwprojecten die een paar jaar duren - bijvoorbeeld grote infrastructurele werken - medezeggenschap geregeld wordt. Bij de waterbouw is een voorlichtingscampagne over ondernemingsraden vastgelegd. In de cao Woondiensten is afgesproken dat de woningbouwverenigingen een volwaardige ondernemingsraad dienen te hebben vanaf tien werknemers (was vijftig). Een dergelijke uitbreiding van de medezeggenschap via de cao wenst de minister niet. Eigenlijk wil hij de medezeggenschap integreren in managementstructuren als werkoverleg. Daarnaast wijst hij in de wet verankerde verbeteringen af. Wil een ondernemingsraad meer faciliteiten, dan moet maar geprobeerd worden daarover op ondernemingsniveau afspraken te maken. Dus ook hier: 'neem je eigen verantwoordelijkheid zonder rugdekking van een landelijke wet.' BodemwetDe FNV heeft zich vanzelfsprekend in de discussie gemengd. FNV Bondgenoten heeft zelfs een eigen onderzoek gedaan. In een notitie aan de minister en de Tweede Kamer heeft de FNV aangegeven met de voorstellen over de verkiezingen van de ondernemingsraad in te stemmen. Daarnaast acht de vakcentrale uitbreiding van de faciliteiten nodig en versterking van de positie van de personeelsvertegenwoordiging. Een twistpunt met de minister is de kwestie van de rechten van de ondernemingsraad. De FNV wil verbetering en uitbreiding van zowel het recht op instemming en advies als op informatie en enquête. Een concreet voorbeeld. Bij overname van een bedrijf dient de 'oude' ondernemingsraad zijn bevoegdheden te behouden tot de komst van een nieuwe medezeggenschapsstructuur. De kern van de kritiek van de FNV ligt in de reikwijdte van de wet. In tegenstelling tot de minister wenst de FNV het behoud van de WOR als bodemwet. Dus algemeen geldende basisregels voor de medezeggenschap die aangevuld en vernieuwd kunnen worden. Wat de minister voorstelt, is een globale regeling op decentraal niveau. Gelijk aan het zogenaamde contractmodel dat bij de Europese Ondernemingsraad functioneert. Kortom, hij wil het fundament onder de ondernemingsraad weghalen.. Niko Manshanden
|