|
nr. 115 okt 2003 |
Solidariteit
Miljoenennota 2004 - vijf drogredenenHet bezuinigingsdogmaHet kabinet van CDA, VVD en D66 wil de komende jaren een recordbedrag bezuinigen en de lonen op de nullijn zetten. "Dat moet om weer perspectief te bieden op een gezonde economie", zeggen Balkenende en Zalm. Maar is dat wel zo? Vijf drogredenen. Nummer 1 betreft Europa. Alle linkse partijen in de Kamer hebben er al op gewezen: het kabinet wil het braafste jongetje van de Europese klas zijn door het financieringstekort op 2,4 procent te houden. Zalm, die in de Europese Unie landen als Duitsland en Frankrijk op hoge toon de les leest omdat zij niet genoeg bezuinigen, beroept zich daarbij op het Stabiliteitspact, waarin staat dat de eurolanden hun begrotingstekort tot minder dan 3 procent moeten terugdringen.Dit verdrag is echter vanaf het moment dat het tijdens een Europese top in Amsterdam in 1997 als "Pact voor groei en stabiliteit" werd gelanceerd door veel economen bekritiseerd als een onzinnig en onnodig keurslijf. En niemand minder dan de voorzitter van de EU, Prodi, doopte het verdrag enige tijd geleden "stupiditeitspact", omdat het leidt tot procyclisch beleid: extra bezuinigingen in tijden van crisis, waardoor de crisis nog erger wordt. Zelfs het Internationaal Monetair Fonds vindt het daarom niet onverstandig dat Europese landen hun tekort tot meer dan 3 procent laten oplopen. Maar het kabinet Balkenende II wil daar niet aan meedoen en gaat extra bezuinigen om het tekort op 2,4 procent te houden. Het gevolg van deze politieke keus is dat de groei geremd wordt en de werkloosheid in ons land verder zal stijgen naar 540.000 personen in 2004. Maar ook voor andere lidstaten heeft dit consequenties. Door te bezuinigen op een moment dat in andere landen extra uitgaven worden gedaan om de economie te stimuleren, ondergraaft de Nederlandse regering de inspanningen van haar collega's in Duitsland, Frankrijk en Italië. Fijn voorbeeld van Europese solidariteit, waarmee het verdrag is verworden tot 'pact voor stagnatie en instabiliteit'. 2. Te lage winsten?Volgens het kabinet zijn de loonkosten in ons land de afgelopen jaren gierend uit de hand gelopen, met als gevolg dat de winsten lager zijn geworden. In de Miljoenennota en de tegelijkertijd verschenen Macro Economische Verkenning 2004 van het Centraal Planbureau (CPB) wordt hierbij gewezen op de stijging van de arbeidsinkomensquote (AIQ) tot 86 procent in 2003. Daarmee wordt aangegeven welk deel van het nationaal inkomen naar de factor arbeid gaat. De kapitaalinkomensquote (KIQ) zou dan dus gedaald zijn tot 14 procent (100-86), maar de vraag is hoe erg dat is. Ruim dertig jaar geleden liet econoom Wiemer Salverda in een inmiddels roemrucht artikel in het Tijdschrift voor Politieke Economie zien dat de KIQ met vreemde definities - zo worden de winsten op aardgas niet meegeteld - kunstmatig omlaag geschroefd wordt om aan te tonen dat de winsten te laag zijn. Uit internationale vergelijkingen blijkt echter dat het allemaal erg meevalt met de vermeende geringe winstgevendheid van de bedrijven in Nederland. Zo publiceerde de Europese Commissie statistieken, ruim voordat de nieuwe kabinetsplannen bekend werden, waarin het loonaandeel in het nationaal inkomen voor alle lidstaten op dezelfde manier berekend is. En die cijfers laten zien dat in ons land al ruim veertig jaar een kleiner deel van het nationaal inkomen naar de werkenden gaat, dus een groter deel naar de winst, dan gemiddeld in de EU, de VS en Japan.
Bron: European Commission, Statistical Annex of European Economy, Spring 2003, pp. 74, 75. 3. Meer groei?De redeneringen van het kabinet worden nagenoeg absurd, wanneer betoogd wordt dat het nodig is te bezuinigen en de lonen te matigen om de economische groei te stimuleren. Want zoals ieder gewoon mens zonder economische scholing onmiddellijk snapt, leiden geringere overheidsuitgaven en gematigde lonen ertoe dat de mensen in het land minder gaan uitgeven. Waardoor ... de economie minder groeit. Dit mechanisme wordt duidelijk beschreven in de Macro Economische Verkenning 2004, want daarin wordt voorspeld dat de particuliere consumptie dit jaar gelijk zal blijven (p. 65). Daaraan wordt toegevoegd dat sinds de recessie van begin jaren tachtig - toen de particuliere consumptie zelfs afnam - zo'n lage groei niet meer is voorgekomen. Dat de consumptie (nog?) niet afneemt, komt omdat mensen meer geld gaan lenen, want de reële inkomens van velen zullen dit en volgend jaar dalen. Dat is overigens een mooi voorbeeld van de dubbele moraal van het kabinet. Als burgers meer geld lenen om meer spullen te kunnen kopen, is dat goed voor de economie. Maar de overheid moet dat vooral niet doen, want dat is juist slecht voor de economie. Hoe de consumptie zich ontwikkelt, is het meest bepalend voor de vraag of de economie al dan niet groeit. Maar de groei kan ook van andere kanten komen. Helaas, ook daarover heeft het CPB niets positief te melden. De overheidsconsumptie draagt natuurlijk niks aan de groei bij, want door de bezuinigingen neemt die juist af. De voor ons land altijd belangrijke export neemt slechts mondjesmaat toe, omdat de wereldeconomie stagneert. Bovendien is de eurokoers omhoog gegaan ten opzichte van de dollar. Hierdoor zijn exportproducten voor niet-eurolanden duurder geworden. Ook van de investeringen zal de economische groei niet komen, want het CPB constateert dat in 2003 voor het derde opeenvolgende jaar de investeringen in vaste activa krimpen (p. 74). Het nettoresultaat is dat het bruto binnenlands product dit jaar met 0 procent en volgend jaar met 1 procent zal groeien. Mits ... een aantal bij die prognoses gemaakte aannames over de dollarkoers, de ontwikkeling van de wereldhandel en de groei van de wereldeconomie (om er een paar te noemen) uitkomen. Terwijl andere lidstaten van de EU de overheidsuitgaven opvoeren om de economie te stimuleren, verergert het Nederlandse kabinet de recessie. Een Britse ex-staatssecretaris introduceerde ooit de term 'sado-monetarisme' voor de kennelijke overweging achter dit soort beleid: het geeft niet of het helpt, als het maar pijn doet. 4. De staatsschuld?Ondanks de bezuinigingen neemt volgens de prognoses van het CPB de staatsschuld van ons land de komende jaren weer toe, van 52,4 procent vorig jaar via 53,5 procent dit jaar naar 54,3 procent in 2004. Van de Europese Unie mag die schuld niet hoger zijn dan 60 procent. Dus als dat nog even zo doorgaat, zal Zalm vermoedelijk gaan pleiten voor nieuwe bezuinigingen om aan die Europese eis te kunnen blijven voldoen. Maar dat is een schiet-in-eigen-hoofd scenario, want de schuld loopt juist mede op ... door de bezuinigingen. Dat zit zo. Omdat absolute bedragen weinig zeggen, wordt de staatsschuld weergegeven als percentage van het nationaal inkomen. Dat betekent dus ook dat die schuld vanzelf minder wordt zolang de economie meer groeit dan de overheidsschuld, en zelfs bij een geringe reële economische groei vermindert als de prijzen in dat jaar stijgen. Omdat de prijzen als gevolg van het straffe anti-inflatiebeleid van de Europese Centrale Bank met niet meer dan 1,5 procent stijgen en de reële economische groei mede als gevolg van het kabinetsbeleid wordt afgekneld, neemt de staatsschuld dit en volgend jaar toe; dus ondanks de bezuinigingen. Als in reactie daarop nog meer bezuinigd wordt, dreigt een spiraal naar beneden van economische krimp en oplopende staatsschulden. 5. Te hoge lonen?Volgens de regering en ondernemersorganisaties is de exportpositie van Nederlandse bedrijven de afgelopen jaren sterk verminderd, doordat de loonkosten per eenheid product sterker zijn gestegen dan in de ons omringende landen. Voor die afgenomen exportgroei zijn andere redenen (zie punt 3) en op de claim dat de loonkosten hiervoor verantwoordelijk zijn, is veel af te dingen. De Delftse economen Alfred Kleinknecht en Ro Naastepad onderzochten (ESB, 6 september 2002) hoe de arbeidskosten per eenheid product (apep) van Nederlandse bedrijven zich de afgelopen veertig jaar hebben ontwikkeld ten opzichte van de belangrijkste concurrenten. Uit hun berekeningen bleek dat de Nederlandse arbeidskosten per eenheid product in de jaren negentig daalden met 1,4 procent als gevolg van loonmatiging en - vooral - de lagere wisselkoers. Zij berekenden bovendien dat de daling van de relatieve loonkosten in de jaren tachtig en negentig niet tot een vergroting van het exportmarktaandeel heeft geleid, maar tot een daling van 8,5 (jaren zeventig) naar 7,4 (jaren tachtig) en 6,9 procent (jaren negentig). Deze uitkomst ondergraaft de claim dat de loonkosten gematigd moeten worden om de exportpositie te verbeteren. In Het Financieele Dagblad van 20 september 2002 werd deze conclusie overigens onderschreven door directeuren van exporterende bedrijven die stelden dat de loonkosten het probleem helemaal niet zijn: "Als de Nederlandse export terugloopt, zoals het CPB stelt, ligt dat eerder aan een verminderde vraag door de economische teruggang in Europa, dan aan hogere loonkosten en een verminderde arbeidsproductiviteit", zegt bijvoorbeeld de directeur van Aalberts Industries. Loonmatiging goed voor de export? Het tegendeel is volgens Kleinknecht en Naastepad het geval: "Loonmatiging leidt (...) tot een vicieuze cirkel van daling van arbeidsproductiviteitsgroei, verlies van concurrentiekracht door (a) erosie van kostenvoordeel en (b) verlies van technologische voorsprong, gevolgd door een roep om nog meer loonmatiging en lastenverlichting." Als alternatief zien zij meer investeringen in onderzoek en ontwikkeling en het sneller invoeren van arbeidsbesparende procestechnologie, waarbij dreigende werkloosheid wordt beantwoord met arbeidsduurverkorting. In plaats van voortgaande loonmatiging pleiten zij daarom voor meer investeringen in onderwijs en de publieke kennisinfrastructuur én voor een selectievere werving van buitenlandse investeringen. Deze voorstellen die haaks staan op het huidige beleid, laten zien dat een andere economische politiek wel degelijk mogelijk is. Robert Went |